<?xml version="1.0" encoding="ISO-8859-1" ?>
<rss version="2.0" xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom">
  	<channel>
    	<title>CE Delft - Financi&#xEB;le instrumenten</title>
		<copyright>Copyright (c) 2012, CE Delft</copyright>
		<link>http://www.ce.nl/ce/rapporten/114/</link>
        <atom:link href="http://www.cedelft.nlindex.php?go=home.showRapportenRSS&amp;pagenr=120" rel="self" type="application/rss+xml" />
		<language>nl</language>
		<description>CE Delft Rich Site Summary</description>
		<webMaster>webmaster@ce.nl (Webmaster)</webMaster>
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Economische instrumenten voor biodiversiteit]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/economische_instrumenten_voor_biodiversiteit/1179</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/economische_instrumenten_voor_biodiversiteit/1179</guid>
			<description><![CDATA[In de Taskforce Biodiversiteit en Natuurlijke Hulpbronnen (TF) heeft een werkgroep Economische Instrumenten zich gebogen over de vraag hoe de aanbevelingen van het rapport van de Verenigde Naties The Economics of Ecosystems and Biodiversity (TEEB) concreet kunnen worden ingevuld in het Nederlandse beleid. Op basis van het TEEB-rapport en interne discussies heeft de TF-werkgroep een selectie van onderwerpen gemaakt voor nader onderzoek en uitwerking. CE Delft is gevraagd voor deze selectie beleidsvoorstellen uit te werken die kansrijk zijn en leiden tot een betere bescherming van biodiversiteit. Dit betreft zowel de bescherming van biodiversiteit in Nederland als het verminderen van de ecologische voetafdruk van Nederlandse consumptie over de grens.

De volgende voorstellen zijn nader onderzocht en/of uitgewerkt:

    verlaging van de maatschappelijke discontovoet
    verdere vergroening van het belastingstelsel
    importheffing op bulkgoederen
    belasting op niet-duurzaam hout
    heffing op onttrekking van open ruimte
    gedifferentieerde belasting op dierlijke eiwitten
    herijking van stimuleringsbeleid biomassa&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;
]]></description>
			<pubDate>Tue, 30 Aug 2011 15:16:11 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Belastingen op energieproducten, elektriciteit en CO2]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/belastingen_op_energieproducten%2C_elektriciteit_en_co2/1181</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/belastingen_op_energieproducten%2C_elektriciteit_en_co2/1181</guid>
			<description><![CDATA[Het rapport 'Belastingen op energieproducten, elektriciteit en CO2 - Gevolgen van herziening van de Energiebelastingrichtlijn voor Nederland' is op 6 september naar de Tweede Kamer gestuurd door het ministerie van Financi&amp;euml;n en het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Het rapport vergelijkt de belastingen op energieproducten, elektriciteit en CO2 in een aantal EU-lidstaten (Duitsland, Belgi&amp;euml;, Denemarken, Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Luxemburg, Spanje, Zweden en Nederland) en de fiscale-, economische- en milieugevolgen van de herziening van de Europese Energiebelastingrichtlijn voor Nederland. Het is opgesteld door CE Delft en Ecofys.]]></description>
			<pubDate>Tue, 20 Sep 2011 10:22:45 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Overheidsingrepen in de energiemarkt]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/overheidsingrepen_in_de_energiemarkt/1159</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/overheidsingrepen_in_de_energiemarkt/1159</guid>
			<description><![CDATA[Het onderzoek &amp;lsquo;Overheidsingrepen in de energiemarkt&amp;rsquo; is uitgevoerd door Ecofys en CE Delft, in opdracht van Eneco en Triodos Bank. In deze studie zijn onder begeleiding van een groep prominente economen en energiespecialisten, de overheidsinterventies op de Nederlandse energiemarkt ge&amp;iuml;nventariseerd. Daarnaast hebben zij de consequenties voor het speelveld voor fossiele brandstoffen, hernieuwbare bronnen, kernenergie en energiebesparing gekwantificeerd. Hieruit blijkt dat bedoeld en onbedoeld de overheid het gebruik van energie en fossiele brandstoffen nog altijd sterker stimuleert dan hernieuwbare energiebronnen. Beleid gericht op het verkleinen van prijsverschillen tussen duurzaam en fossiel moet zich dus richten op het uitfaseren van deze steun en vervolgens de resterende &amp;lsquo;onrendabele top&amp;rsquo; te overbruggen.

Het rapport is op 22 juni aangeboden aan de Kamerleden Liesbeth van Tongeren (GroenLinks) en Rene Leegte (VVD) door de directeur van CE Delft Frans Rooijers en de directeur van Ecofys Manon Janssen.
Aanvulling oktober 2011
In de nieuwe versie hebben we de volgende commentaren verwerkt die we sinds juni 2011 hebben ontvangen:

    
        
            1.	
            Investeringsaftrek voor investeringen in marginale gasvoorkomens op het Nederlands continentaal plat&amp;nbsp;
        
        
            &amp;nbsp;
            
            
                Gewijzigd van 196 mln &amp;euro; naar 0 mln &amp;euro;
                In 2010 is nog geen gebruik gemaakt van deze maatregel
            
            
        
        
            2.	
            CO2-Afvang en Opslag (CCS) - diverse meerjarige subsidies&amp;nbsp;&amp;nbsp; &amp;nbsp; &amp;nbsp;	
        
        
            &amp;nbsp;
            
            
                Gewijzigd van 150 mln &amp;euro; naar 15,3 mln &amp;euro; (begrote kasuitgaven volgens Kamerbrief)
                De beschikking van de subsidie van &amp;euro; 150 mln aan het ROAD-project in het jaar 2010 valt niet volledig aan 2010 toe te rekenen
            
            
        
        
            3.	
            Afkoop emissierechten door de Nederlandse staat van acht bedrijven&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;
        
        
            &amp;nbsp;
            
            
                Gewijzigd van 56 mln &amp;euro; naar 0
                Van deze regeling kan pas vanaf 2013 gebruik worden gemaakt
            
            
        
        
            4.
            Gratis emissierechten EU ETS 2005-2012
        
        
            &amp;nbsp;
            
            
                Gewijzigd van &amp;euro; 1,0 mld naar &amp;euro; 1,2 mld
                Het rapport van juni 2010 ging uit van de situatie in het jaar 2020. Reden daarvoor was dat de EU al had aangegeven deze indirecte subsidie te willen aanpakken door een groter deel van de rechten te veilen. Daarom ook was gerekend met een emissiehandelsprijs van 30 &amp;euro;/tCO2. Maar we hebben deze aanname gecorrigeerd naar de werkelijke situatie van 2010. Daarin rekenen we nu met een emissiehandelsprijs van 14,3 &amp;euro;/tCO2 en een omvang 84Mt aan gratis emissierechten.
            
            
        
    

Uiteraard hebben we ook de optellingen in ons rapport en in de samenvatting aangepast, deze staan in het aangepaste rapport dat u op deze pagina kunt downloaden.]]></description>
			<pubDate>Wed, 22 Jun 2011 10:29:53 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Haalt de energie-intensieve industrie voordeel uit fase 3 van het EU ETS?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/haalt_de_energie-intensieve_industrie_voordeel_uit_fase_3_van_het_eu_ets/1116</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/haalt_de_energie-intensieve_industrie_voordeel_uit_fase_3_van_het_eu_ets/1116</guid>
			<description><![CDATA[In deze studie wordt onderzocht of de nieuwe toedelingsmethodiek van het EU ETS, die in 2013 wordt ingevoerd, iets zal veranderen aan de mogelijkheden voor energie-intensieve bedrijven om de kosten van gratis verkregen emissierechten door te rekenen en daarmee additionele, zogenaamde windfall profits te behalen. Recent empirisch onderzoek door CE Delft heeft aangetoond dat behalve elektriciteitsproducenten ook&amp;nbsp; energie-intensieve bedrijven de kosten van hun Europese emissierechten in productprijzen hebben doorgerekend. Omdat ze deze emissierechten kosteloos hebben verkregen, hebben ze tijdens de eerste twee fasen van het EU ETS wellicht kans gezien zulke windfall profits binnen te halen. In de derde fase, vanaf 2013, zullen emissierechten echter opnieuw worden geveild, en ook benchmarks worden ingevoerd.

Deze studie toont aan dat er onder dit nieuwe system nog meer stimulans voor bedrijven zal zijn om windfall profits te boeken. Door veiling van emissierechten bovenop de benchmarks zullen de energiekosten van de marginale firma aanzienlijk stijgen, waardoor prijzen in Europese productmarkten onder druk zullen komen te staan. Als gevolg hiervan zullen ook na 2013 kostenafwenteling en windfall profits waarschijnlijk blijven plaatsvinden.
&amp;nbsp;]]></description>
			<pubDate>Thu, 23 Dec 2010 04:06:20 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[De milieueffecten van de verpakkingenbelasting]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/de_milieueffecten_van_de_verpakkingenbelasting/1091</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/de_milieueffecten_van_de_verpakkingenbelasting/1091</guid>
			<description><![CDATA[In opdracht van het Ministerie van Financi&amp;euml;n heeft CE Delft een evaluatie van de milieueffecten van de (naar broeikasgasemissies gedifferentieerde) verpakkingenbelasting uitgevoerd. Deze evaluatie was specifiek gericht op de klimaateffecten van de verpakkingenbelasting. Als gevolg van de korte looptijd van belasting op het moment van evaluatie enerzijds en het feit dat de beschikbare gegevens over de hoeveelheid en samenstelling van de verpakkingen van v&amp;oacute;&amp;oacute;r en na de invoering van de verpakkingenbelasting niet vergelijkbaar zijn anderzijds is gebleken dat een betrouwbare kwantitatieve analyse op moment van uitvoering van het onderzoek nog niet mogelijk was.
In deze evaluatie is daarom gebruik gemaakt van een kwalitatieve analyse, daarbij gebruik makend van informatie uit achttien diepte-interviews met spelers op de verpakkingenmarkt, buitenlandse ervaringen, relevante prijselasticiteiten en expert guesses.

Het beeld dat de uitgevoerde evaluatie oplevert is dat de verpakkingenbelasting tot nu toe een beperkt effect heeft gehad op de verpakkingenmarkt. Hoewel ge&amp;iuml;nterviewden enkele voorbeelden noemen van bedrijven/sectoren waar de belasting bedrijven heeft gestimuleerd tot een verandering van hun verpakkingenstrategie, heeft bij het grootste deel van de bedrijven de belasting volgens hen (nog) niet geleid tot veranderingen. Voor de langere termijn (ca.&amp;nbsp;tien jaar) worden grotere effecten verwacht, maar volgens de ge&amp;iuml;nterviewden zullen de effecten waarschijnlijk beperkt blijven. Redenen die worden genoemd voor de beperkte effecten (zowel op korte als lange termijn) zijn: de beperkte financi&amp;euml;le prikkel die de belasting biedt, het feit dat naast kosten ook verschillende andere factoren de verpakkingenstrategie van bedrijven bepalen, het sterke internationale karakter van de verpakkingenmarkt en het ontbreken van een stabiel beleidskader. De milieueffecten van de verpakkingenbelasting zouden vergroot kunnen worden als de belastingtarieven substantieel worden verhoogd.]]></description>
			<pubDate>Wed, 25 Aug 2010 10:51:04 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Convenant Benchmarking Energie-efficiency: resultaten en vrijstellingen energiebelasting]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/convenant_benchmarking_energie-efficiency%3A_resultaten_en_vrijstellingen_energiebelasting/1069</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/convenant_benchmarking_energie-efficiency%3A_resultaten_en_vrijstellingen_energiebelasting/1069</guid>
			<description><![CDATA[De energie-intensieve industrie in Nederland heeft de afgelopen jaren te weinig energie bespaard, terwijl ze wel korting op de energiebelasting hebben ontvangen. Onderzoek van CE Delft naar het effect van het Convenant Benchmarking Energie-efficiency toont aan dat het tempo van energiebesparing bij de energie-intensieve industrie op een half procent per jaar lag tussen 1999 en 2007. Bij sectoren als raffinaderijen, basismetaal en chemie ligt de gerealiseerde energiebesparing lager dan wat op grond van de autonome ontwikkeling (zonder convenant) te verwachten valt. 

Bij aanvang van het convenant was de efficiency gemiddeld 3,7% beter dan de Wereldtop, naar verwachting in 2012 0,7% slechter. De Wereldtop is in het convenant gedefinieerd als de 10% meest energie-effici&amp;euml;nte bedrijven ter wereld. Het onderzoek is verricht in opdracht van Stichting Natuur en Milieu.&amp;nbsp;
&amp;nbsp;]]></description>
			<pubDate>Tue, 06 Jul 2010 13:40:21 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[MKBA Duurzame bedrijventerreinen]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/mkba_duurzame_bedrijventerreinen/966</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/mkba_duurzame_bedrijventerreinen/966</guid>
			<description><![CDATA[Bij het herstructureren van een bedrijventerrein spelen veel verschillende belangen een rol. Denk aan ruimte, vestigingsklimaat, milieukwaliteit of de landschappelijke omgeving. De kosten van duurzame maatregelen zijn vaak snel duidelijk, terwijl de baten op langere termijn meestal minder goed vast te stellen zijn.

De maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) is een instrument om al de huidige en toekomstige voor- en nadelen van een herstructureringsproject voor de samenleving als geheel zo objectief mogelijk (in Euro&amp;rsquo;s) in kaart te brengen. Deze analyse maakt duidelijk of in welke mate een herstructureringsproject bijdraagt aan de maatschappelijke welvaart. De Handleiding MKBA voor duurzame bedrijventerreinen beschrijft hoe een MKBA kan worden uitgevoerd en hoe de resultaten uit het instrumenten zo goed mogelijk in de besluitvorming kunnen worden ingepast. 

4 Pilotprojecten
De Provincie Zuid-Holland heeft vier gemeenten de mogelijkheid geboden om op kosten van de Provincie door CE Delft een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) van een concreet herstructureringsproject te laten uitvoeren. Doel is het opdoen van leerervaringen met het instrument maatschappelijke kosten-batenanalyse bij het duurzaam herstructureren van een bedrijventerrein.

Het betreft de gemeenten Katwijk, Rijnwoude, Hardinxveld-Giessendam en Westland. 

De vier onderzochte herstructureringsprojecten zijn:


    Herstructurering van het bedrijventerrein Boven-Hardinxveld, gemeente Hardinxveld-Giessendam (vertrouwelijk rapport)
    Energievoorziening bedrijventerrein Wateringveldsche Polder, gemeente Westland Download rapport&amp;nbsp;(PDF)
    Bedrijventerrein Hoogewaard , gemeente Rijnwoude (rapport binnenkort beschikbaar)
    Investeren in Energiebesparing en duurzame energie op bedrijventerrein 't Heen, gemeente Katwijk Download rapport (PDF)

Belangrijke conclusie uit de vier pilots is dat een meerderheid van de onderzochte maatregelen maatschappelijk renderen, maar dat goed moet worden bezien welke maatregelen getroffen worden. Na de zomer zullen de resultaten van deze&amp;nbsp;vier pilots worden ge&amp;euml;valueerd en deze evaluatie zal eveneens gepubliceerd worden op deze site. O.a. zal gekeken worden of een MKBA iets kan toevoegen voor de beleidsmaker die zich bezighoudt met herstructurering.
]]></description>
			<pubDate>Wed, 16 Jun 2010 14:21:56 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Benchmark Energiebelasting glastuinbouw]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/benchmark_energiebelasting_glastuinbouw/1044</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/benchmark_energiebelasting_glastuinbouw/1044</guid>
			<description><![CDATA[De glastuinbouw zou door zijn energie-intensieve en kleinschalige karakter relatief veel Energiebelasting betalen. Het zogeheten tuinbouwtarief (een lager energiebelastingtarief voor gas1 speciaal voor de tuinbouw) is destijds ingesteld als correctie op dit effect. De vraag of dit tuinbouwtarief opnieuw moet en kan worden verlengd is nu actueel vanwege de aanvraag voor goedkeuring van tuinbouwtarief voor 2011 en 2012 bij de Europese Commissie in Brussel. Hiervoor is inzicht in de energie-intensiteit en de lastendruk van de Energie-belasting voor de glastuinbouwsector in vergelijking tot andere energie-intensieve sectoren van de Nederlandse economie gewenst.
In opdracht van het Productschap Tuinbouw en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid (LNV) hebben CE Delft en het LEI de energielasten en -belasting van glastuinbouw vergeleken met industri&amp;euml;le sectoren.Het doel van dit onderzoek is tweeledig:&amp;nbsp;&amp;nbsp;

    Inzicht geven in de energielasten en de energiebelastingdruk van de glastuinbouw in vergelijking tot industri&amp;euml;le sectoren.
    Het identificeren van kansrijke terugsluismogelijkheden voor het eventueel afschaffen van het verlaagd tarief voor de glastuinbouw.

Conclusies
Vergelijking met de industrie laat zien dat de glastuinbouw tot &amp;eacute;&amp;eacute;n van de meest energie-intensieve sectoren van de Nederlandse economie behoort. De energiebelastingdruk voor de glastuinbouw per Euro omzet&amp;nbsp;- zowel met het tuinbouwtarief als wanneer het algemene tarief wordt toegepast&amp;nbsp;- is een stuk hoger dan in de industrie. Door het kleinschalige karakter van de glastuinbouw drukt de Energiebelasting op aardgas (en daarmee het beperkte gebruik in de goedkopere schijven) relatief zwaar op de bedrijfsexploitatie. Hierdoor heeft een hogere Energiebelasting in potentie een groter effect op de concurrentiepositie van de glastuinbouw in vergelijking tot de industrie. Dit bevestigt de initi&amp;euml;le reden dat het tuinbouwtarief is ingevoerd nog steeds van toepassing is.

Ter compensatie van toegenomen lasten indien het tuinbouwtarief zou moeten verdwijnen, zijn er verschillende terugsluismechanismen mogelijk. De uitvoering ervan zal niet eenvoudig zijn. Bij diverse opties kunnen kanttekeningen gezet worden ten aanzien van de mogelijkheid om gestegen lasten voor de glastuinbouw daadwerkelijk te compenseren (terugsluis via loon-belasting en vennootschapsbelasting). Serieuze uitwerkingen verdienen de terugsluisopties gebaseerd op subsidies voor energiebesparing en een CO2-benchmark. Nader onderzoek is hier noodzakelijk.]]></description>
			<pubDate>Thu, 27 May 2010 09:31:11 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Hernieuwbare elektriciteit; subsidi&euml;ren of verplichten?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/hernieuwbare_elektriciteit%3B_subsidi+en+euml%3Bren_of_verplichten/1083</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/hernieuwbare_elektriciteit%3B_subsidi+en+euml%3Bren_of_verplichten/1083</guid>
			<description><![CDATA[Om investeringen in hernieuwbare elektriciteit te stimuleren, hanteren Europese landen verschillende stimuleringsregimes. Grofweg kunnen deze instrumenten in twee hoofdcategorie&amp;euml;n worden verdeeld: (1) subsidieregelingen en (2) systemen waarbij leveranciers van elektriciteit verplicht zijn een minimaal aandeel van de door hen geleverde elektriciteit te verduurzamen (leveringsverplichting). In Nederland wordt hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd via de Stimuleringsregeling Duurzame energie (SDE), een subsidieregeling. In dit rapport is onderzocht of een leveringsverplichting voor hernieuwbare elektriciteit:

    Effectiever en doelmatiger is in het realiseren van de doelstelling voor hernieuwbare elektriciteit op de korte termijn (tot 2020).
    Beter in staat is om een stabiel investeringsklimaat te cre&amp;euml;ren zodat een structurele markt voor hernieuwbare elektriciteit ontstaat met het oog op de lange termijn energietransitie, ook na 2020.

Om antwoord te geven op deze vraag is gekeken naar de stimuleringsregimes voor hernieuwbare elektriciteit in Nederland, Denemarken, Duitsland en Spanje (alle subsidieregelingen) en Belgi&amp;euml;, Polen, het Verenigd Koninkrijk en Zweden (alle leveringsverplichtingen).

Het rapport komt tot de conclusie dat er op dit moment geen duidelijke aanwijzingen zijn dat een leveringsverplichting een (kosten)effectiever instrument is dan een subsidie zolang het aandeel hernieuwbare elektriciteit nog beperkt is (tot 2020). Echter, ter ondersteuning van de langere termijn energietransitie, zal vanaf 2015 de geleidelijke invoering van een leveringsverplichting nodig zijn. Op deze manier kan het tijdig ombuigen van investeringen van conventionele naar hernieuwbare bronnen, nodig voor de energietransitie, worden gerealiseerd. De wijze waarop in Nederland een leveringsverplichting het beste kan worden ingevoerd, vereist nader onderzoek. 

Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Nederlandse Vereniging voor Marktwerking in Energie (VME).]]></description>
			<pubDate>Wed, 11 Aug 2010 14:02:20 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Op koers naar duurzame havens in het Noordzeekanaalgebied]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/op_koers_naar_duurzame_havens_in_het_noordzeekanaalgebied/1043</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/op_koers_naar_duurzame_havens_in_het_noordzeekanaalgebied/1043</guid>
			<description><![CDATA[In toenemende mate willen gemeenten en provincies duurzaamheid binnen hun regio bevorderen, al verschillen de precieze definities van dit concept. Zo ook rondom de ontwikkeling van haventerreinen langs het Noordzeekanaal. Diverse partijen werken momenteel aan een toekomstvisie waarin de gewenste ontwikkelroute voor dit gebied op de lange termijn wordt beschreven. De Statenfractie van GroenLinks in Noord-Holland zet in dit kader in op een verduurzaming van activiteiten in het gebied zodat deze voldoende werkgelegenheid en mogelijkheden tot economische groei bieden zonder dat dit ten koste gaat van milieu, natuur en landschap.

De fractie heeft CE Delft dan ook gevraagd te inventariseren op welke manieren overheden kunnen sturen op duurzame ontwikkelingen in de havens van het Noordzeekanaalgebied. In dit rapport worden drie beleidspijlers nader uitgewerkt:

    Sturing op toekomstige activiteiten.
    Er kan een samenhangend, actief vestigingsbeleid worden vormgegeven waarin wordt ingezet op het selectief toelaten van activiteiten met een gunstig milieuprofiel. Relevant in dit kaderis het actief aantrekken van bedrijven die passen binnen clusters van industri&amp;euml;le sectoren die elkaars restgrondstoffen en restwarmte gebruiken.
    Sturing verkeer en vervoer.
    Het is mogelijk onderscheid te maken naar de milieuprestaties van schepen die de havens aandoen (NOx- en SO2-uitstoot). Dat kan door middel van het invoeren van gedifferentieerde haventarieven op basis van de &amp;lsquo;Environmental Ship Index&amp;rsquo;, idealiter samen met andere havens.
    Sturing op infrastructurele aanpassingen.
    Het gaat om investeringen in een duurzame ruimtelijke inrichting van het gebied, waar aandacht is voor effici&amp;euml;nt ruimtegebruik, groenvoorzieningen en de opwekking en het gebruik van duurzame energie. Bovendien kan effici&amp;euml;nt energiegebruik door (nieuwe) bedrijven op locatie gestimuleerd worden. In de rapportage komen verschillende instrumenten aan bod die kunnen worden ingezet om dit te bereiken, waaronder statiegeldregelingen, &amp;lsquo;rood voor groen&amp;rsquo;, kostenverevening, verhandelbare gebruiksrechten en duurzaamheidfondsen.
]]></description>
			<pubDate>Tue, 18 May 2010 14:07:01 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Samen werken aan schone stedelijke distributie]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/samen_werken_aan_schone_stedelijke_distributie/1049</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/samen_werken_aan_schone_stedelijke_distributie/1049</guid>
			<description><![CDATA[Schone stedelijke distributie wordt door verschillende ondernemers en overheden gezien als een kansrijke oplossing voor verschillende problemen. Dat is het abstracte beeld dat blijkt uit de verkenning die is uitgevoerd naar de kansen en belemmeringen op het gebied van stedelijke distributie. 

Kansrijk is schone stedelijke distributie wanneer het kan worden ingepast in bestaande of min of meer logische distributielijnen. Het opzetten van compleet nieuwe lijnen, al dan niet gecombineerd met nieuwe infrastructuur, of het uitrollen van geheel nieuwe distributieconcepten, is markttechnisch minder kansrijk. Oorzaken hiervoor liggen op verschillende terreinen. In de steekwoorden beleid, communicatie en infrastructuur zijn ze samen te vatten.

De gesignaleerde knelpunten roepen direct de vraag op: Wat te doen? 
Het eerste wat zou moeten gebeuren is gericht beleid ontwikkelen om verschillende problemen aan te pakken, dus bundelen van kennis en kracht binnen de overheden. Daarbij een alliantie smeden met de belangrijkste partners in het veld, te weten de afnemers, distributeurs, producenten, etc.

De conclusies in het kort:

    nieuwe concepten moeilijker inpasbaar, maar wel kansrijk;
    verwachtingen van ondernemers en overheden verschillen;
    beleidskaders ontbreken in veel gevallen;
    daar waar wel een beleidskader is (Utrecht en sinds kort Amsterdam) passen de initiatieven&amp;nbsp;&amp;nbsp; beter bij het beleid en andersom;
    helderheid en eenduidigheid over subsidies is gewenst;
    handhaving van bijv. milieuzones is nodig;
    samenwerking tussen alle partijen is essentieel.

De aanbevelingen voor de ondernemers in het kort:

    begin met te doen waar je goed in bent;
    ga na of je concept ook daadwerkelijk maatschappelijke meerwaarde biedt;
    kies de gemeente uit waar jouw concept goed inpasbaar is en gedragen zal worden;
    zoek samenwerking met andere ondernemers, betrek afnemers en de straatmanagers;
    communiceer helder over je plannen, zeker ook wat planning betreft.

De aanbevelingen voor overheden in het kort:

    luister en leer van de initiatieven;
    schep de kaders waarbinnen initiatieven zich kunnen ontplooien;
    kijk of de initiatieven bijdragen aan het realiseren van de beleidsdoelen;
    laat zien wat er binnen je grondgebied gebeurt en wat het oplevert;
    maak snel een keuze of je bepaalde initiatieven wilt en kunt ondersteunen en communiceer daar helder over.
]]></description>
			<pubDate>Fri, 28 May 2010 11:37:58 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Kostentoedeling EU ETS]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/kostentoedeling_eu_ets/1062</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/kostentoedeling_eu_ets/1062</guid>
			<description><![CDATA[Na 2012 gaat de derde Fase van het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) in die tot 2020 duurt. Nieuw in deze Fase is de Europees geharmoniseerde uitgifte van rechten waarbij per sector de rechten en de uitgiftebasis wordt vastgesteld. Ook zal een aanzienlijk groter deel van de rechten worden geveild. 

Voor Nederland betekent de derde Fase van het EU ETS dat de emissies van bedrijven die onder het EU ETS vallen in 2020 met 21% moeten zijn afgenomen ten opzichte van 2005. Dat brengt kosten voor deze bedrijven met zich mee, zoals de aankoop van rechten of het nemen van technische en organisatorische maatregelen om CO2-emissies te reduceren. Ook nemen de kosten van inputs, zoals elektriciteit, voor bedrijven toe.
Deze studie, in opdracht van het ministerie van Financi&amp;euml;n, geeft inzicht op de omvang van deze kosten en beantwoordt de vraag door wie deze kosten uiteindelijk betaald worden. Het onderzoek geeft de totale inkomenseffecten weer voor het bedrijfsleven, consumenten en de overheid. Daarbij wordt vooral naar de directe kosten en effecten gekeken. Eventuele indirecte effecten zoals veranderingen in bijvoorbeeld de afzet, de werkgelegenheid of inkomsten uit belastingen, zijn niet meegenomen in deze studie.]]></description>
			<pubDate>Thu, 04 Nov 2010 12:59:07 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Evaluatie energiebesparingsbeleid in de industrie]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/evaluatie_energiebesparingsbeleid_in_de_industrie/1186</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/evaluatie_energiebesparingsbeleid_in_de_industrie/1186</guid>
			<description><![CDATA[In opdracht van de Algemene Rekenkamer zijn door CE Delft diverse overheidsinstrumenten ge&amp;euml;valueerd voor bevordering van energiebesparing. Het gaat om beleid tussen 1995 en 2008 voor de Nederlandse industrie en energiesector. Onderzocht is wat de inzet van de instrumenten heeft gekost in financi&amp;euml;le termen en opgeleverd aan energiebesparing. Daarnaast is onderzocht of een andere vormgeving van de instrumenten een gunstigere verhouding tussen kosten en effecten zou hebben opgeleverd. Uitkomst van deze studie zijn door de Rekenkamer gebruikt voor de rapportage Energiebesparing: ambities en resultaten, die 5 oktober is aangeboden aan de Tweede Kamer. 

CE Delft concludeert dat het besparingstempo voor de grote industrie sinds de jaren '90 is afgenomen doordat het beleid minder ambitieus is geworden. In toenemende mate is er sprake geweest van overlap van beleid. 

De ge&amp;euml;valueerde instrumenten
Directe regulering:
1.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; De Wet milieubeheer (Wm).
2.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; De Europese Directive on Integrated Pollution and Prevention Control (IPPC). 
Economische instrumenten:
3.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; De brandstoffen- en energiebelastingen (BSB en (R)EB).
4.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; Het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS).
Directe subsidies:
5.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; Het Besluit subsidies energiebesparingtechnieken WKK (BSET-WKK).
6.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; De Tenderregeling Industri&amp;euml;le Energiebesparing (TIEB).
7.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; Het CO2-reductieplan.
Hoewel officieel geen onderdeel van het overheidsbeleid hebben de distributiebedrijven in het kader van de Milieu Actieplannen (MAP-2 en MAP2000) energiebesparing in de industrie direct gestimuleerd, gefinancierd middels een toeslag op de gas- en elektriciteitsprijs. 
Indirecte subsidies (fiscale regelingen):
8.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; De Energie-investeringsaftrek (EIA).
9.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; De Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL).
Convenanten:
10.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; De 1ste en 2de generatie meerjarenafspraken (MJA1 en MJA2) en Convenant Benchmarking.

Sommige van deze regelingen zijn inmiddels be&amp;euml;indigd.]]></description>
			<pubDate>Wed, 05 Oct 2011 15:42:34 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Grenzen aan groen? Bouwstenen voor een groen belastingstelsel]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/grenzen_aan_groen_bouwstenen_voor_een_groen_belastingstelsel/1015</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/grenzen_aan_groen_bouwstenen_voor_een_groen_belastingstelsel/1015</guid>
			<description><![CDATA[In dit rapport staat de vraag centraal of een verdere groei van milieubelastingen een bijdrage kan leveren aan het realiseren van een duurzame economie. Een duurzame economie betekent in het kader van dit onderzoek dat klimaat- en uitputtingsrisico&amp;rsquo;s tot een aanvaardbaar niveau moeten zijn teruggebracht voor 2050. 
De strategie om dit te bereiken bestaat uit vier belangrijke elementen:&amp;nbsp;&amp;nbsp;

    Introductie van een nieuwe CO2-heffing als onderdeel van de Energiebelasting.
    Verbreding van de Energiebelasting naar sectoren zoals landbouw en industrie en het wegnemen van fiscale subsidies en kortingen.
    Uitbreiding met nieuwe fiscale grondslagen import/productie van natuurlijke grondstoffen (hout, vis, vlees) en ruimte.
    Europese vergroeningsagenda.

Het voorgestelde pakket aan extra vergroening bestaat uit:

    verhoging van de accijns op motorbrandstoffen in combinatie met de CO2-heffing (gemiddeld neemt heffing op motorbrandstoffen met 20% toe);
    afschaffen kortingen Energiebelasting voor bedrijven door de 2de en 3de schijf gelijk te schakelen met de 1ste schijf, in combinatie met het subsidi&amp;euml;ren van energiebesparingsmaatregelen;
    bovenop de bestaande Energiebelasting wordt een CO2-afhankelijk deel van 50% ingevoerd, enerzijds om verdere energiebesparing uit te lokken, anderzijds om differentiatie aan te brengen tussen de CO2-inhoud van de verschillende energiebronnen;
    een vleesbelasting of een belasting op veevoeders die ervoor zorgt dat de schadelijke effecten van vlees, veelal buiten Nederland, in rekening worden gebracht bij de Nederlandse consument;
    afschaffen fiscale vrijstelling zoals die voor rode diesel en EB-kortingen voor de glastuinbouw en industrie;
    een belasting op het onttrekken van open ruimte.

Opbrengsten
Met een ambitieus pakket aan Nederlandse vergroening is 20% aan groene belasting-inkomsten haalbaar, overeenkomend met 5% van het Bruto Binnenlands Product. De 5% is in lijn met wat internationale studies verwachten aan de fiscale houdbaarheid van een groen belastingstelsel. Voor deze vergroening is Europese co&amp;ouml;rdinatie niet vereist. Bij die 20% groene belastinginkomsten is rekening gehouden met het effect dat besparingen leiden tot minder belastinginkomsten. Met dit pakket kan een extra vergroening worden gerealiseerd van circa 8 miljard &amp;euro; bovenop het bestaande groene inkomsten van 19 miljard &amp;euro;. Het aandeel groene belastingen stijgt van 14 nu naar circa 20%. De opbrengsten kunnen teruggesluisd worden in de vorm van een verlaging van de belasting op winst of arbeid, waarbij als aanvullende optie gedacht kan worden aan het stimuleren van energiebesparing bij doelgroepen.]]></description>
			<pubDate>Wed, 22 Sep 2010 08:41:29 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Effecten van kilometerbeprijzing op het bbp]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/effecten_van_kilometerbeprijzing_op_het_bbp/1014</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/effecten_van_kilometerbeprijzing_op_het_bbp/1014</guid>
			<description><![CDATA[Onderzoek door SEO Economisch Onderzoek, Atlas voor Gemeenten en CE Delft naar de effecten van kilometerbeprijzing op het bruto binnenlands product (bbp). De effecten van een kilometerprijs op het bbp hebben bij eerdere onderzoeken weinig aandacht gekregen. De effecten van kilometerbeprijzing op het bbp zijn onder meer interessant, omdat - mocht zich dit voordoen - een positief effect van kilometerbeprijzing op het bbp, een positief effect op de overheidsfinanci&amp;euml;n kan hebben.]]></description>
			<pubDate>Wed, 10 Mar 2010 07:44:01 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Effect roetfilterdifferentiatie kilometerprijs op PM10-emissies ]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/effect_roetfilterdifferentiatie_kilometerprijs_op_pm10-emissies_/991</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/effect_roetfilterdifferentiatie_kilometerprijs_op_pm10-emissies_/991</guid>
			<description><![CDATA[In opdracht van het Ministerie van VROM heeft CE Delft onderzoek gedaan naar het effect op de fijn stofemissies van een roetfilterdifferentiatie van de kilometerprijs. Deze maatregel is vormgegeven als een bonus-malussysteem: voor dieselauto&amp;rsquo;s zonder affabriek roetfilter geldt een malus van 2,5 &amp;euro;cent bovenop de kilometerprijs, terwijl de overige auto&amp;rsquo;s een korting op de kilometerprijs ontvangen. De hoogte van deze korting wordt daarbij zo vastgesteld dat de lastenneutraliteit van de kilometerprijs gewaarborgd blijft. 

De effecten van de roetfilterdifferentiatie van de kilometerprijs zijn ingeschat met behulp van uit de wetenschappelijke literatuur afkomstige elasticiteiten. Op deze manier is ingeschat dat de PM10-emissies in 2020 afnemen met 0,01 tot 0,06 kiloton (1 tot 7% van de totale fijn stofemissies van personenauto&amp;rsquo;s). De PM2,5-emissies nemen met hetzelfde percentage af. 

In deze studie is gefocust op de fijn stof emissiereducties in het jaar 2020 en niet op tussenliggende jaren. Naar verwachting zal het milieueffect in de tussenliggende jaren groter zijn, aangezien er in de tussenliggende jaren nog meer dieselauto&amp;rsquo;s zonder roetfilter in het wagenpark aanwezig zijn. Na 2020 loopt het effect van een roetfilterdifferentiatie van de kilometerprijs weer af. Nader onderzoek zou het verloop van de effectiviteit van de roetfilterdifferentiatie over de tijd in beeld kunnen brengen. ]]></description>
			<pubDate>Fri, 18 Dec 2009 09:43:22 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Rentabiliteit van WKK]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/rentabiliteit_van_wkk/968</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/rentabiliteit_van_wkk/968</guid>
			<description><![CDATA[Het ministerie van Economische Zaken heeft in de brief van 23 februari 2009 (28665, nr. 100) vastgesteld dat (bijna) alle vormen van nieuw te realiseren warmtekrachtkoppeling (WKK) in Nederland kunnen concurreren met andere manieren van energieopwekking en om die reden geen financi&amp;euml;le ondersteuning vanuit de overheid nodig hebben. Het ministerie gebruikt cijfers van ECN (Onrendabele Top Berekeningen voor nieuw WKK-vermogen 2009) om deze conclusie te onderbouwen. Vanuit verschillende sectoren waar warmtekrachtkoppeling wordt toegepast is geprotesteerd tegen de conclusie van het ministerie en het besluit om geen exploitatiesubsidie te verlenen aan nieuw te bouwen WKK-installaties.

De Tweede Kamer heeft op basis van de motie Vendrik/Zijlstra (31239/44), aan CE Delft de opdracht gegeven om een second opinion te geven voor het model en de cijfers die ECN heeft gehanteerd en de manier waarop het ministerie tot de conclusie is gekomen dat (vrijwel) alle categorie&amp;euml;n WKK rendabel ge&amp;euml;xploiteerd kunnen worden.]]></description>
			<pubDate>Tue, 06 Oct 2009 15:04:33 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Effecten en uitwerking van een Energiebesparingsfonds]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/effecten_en_uitwerking_van_een_energiebesparingsfonds/944</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/effecten_en_uitwerking_van_een_energiebesparingsfonds/944</guid>
			<description><![CDATA[Dit rapport, geschreven in opdracht van het ministerie van VROM/WWI, biedt inzicht in de opties om via een Energiebesparingsfonds investeringen in energiezuinigheid te stimuleren, specifiek voor particuliere woningeigenaren en de utiliteitsbouw. Er is gekeken naar de kosten en effecten van energiebesparende maatregelen en (financi&amp;euml;le) barri&amp;egrave;res die toepassing van deze maatregelen momenteel in de weg staan. Daarna zijn diverse stimuleringsopties ge&amp;euml;valueerd die deze belemmeringen weg zouden kunnen nemen. Het gaat daarbij om garantstelling door de overheid, een rentesubsidie, een beperkte investeringssubsidie en hybride varianten. De optie 'energielening met garantstelling' is vervolgens nader uitgewerkt.

Een van de eindconclusies van het rapport is dat de toegang tot en de betaalbaarheid van leningen een noodzakelijke, doch geen voldoende, randvoorwaarde vormt voor het realiseren van een aanzienlijke vermindering van de CO2-uitstoot en daarmee een verbetering van de woon- en leefomgeving. Het verdient daarom de aanbeveling ook op andere fronten een serieuze inspanning te leveren zodat gebrek aan kennis, urgentiegevoel en de weerstanden bij woningbezitters kunnen worden weggenomen. Starters en tweede eigenaren die tot de lagere en middeninkomens binnen het koopsegment behoren, zijn daarbij een belangrijke doelgroep.

Inmiddels is er politieke overeenstemming bereikt over de vormgeving van een garantieregeling voor energiekredieten. De regeling zal deze maand in de Staatscourant gepubliceerd worden.]]></description>
			<pubDate>Mon, 13 Jul 2009 10:58:48 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Economic instruments for biodiversity]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/economic_instruments_for_biodiversity/883</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/economic_instruments_for_biodiversity/883</guid>
			<description><![CDATA[Over the years, biodiversity worldwide has been rapidly declining. Without new policies, we risk irreversibly damaging the natural resource base necessary to support economic growth and well-being. What European policies are needed to address the growing European footprint? How can European Member states best work together to tackle these challenges? 

One promising policy option is to set up an European Biodiversity Trading System (EU BTS). This would imply that high-impact land use change activities are &amp;lsquo;taxed&amp;rsquo; for their development activities through a requirement to compensate for all unavoidable impacts on biodiversity. Companies or sectors under the trading system need to buy biodiversity debits to cover their ecological footprint, which is determined by the quantity and quality of their land utilization. In this way, revenues are collected to finance biodiversity offsets. These offsets are supplied by (developing) counties that undertake additional efforts to preserve their valuable and threatened ecosystems.

This research report provides an analysis of some crucial policy options regarding biodiversity trade mechanisms on the European level. It is commissioned by the Dutch Ministry of Housing, Spatial Planning and Environment.]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Visie op realisering groot aandeel duurzame elektriciteit]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/visie_op_realisering_groot_aandeel_duurzame_elektriciteit/856</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/visie_op_realisering_groot_aandeel_duurzame_elektriciteit/856</guid>
			<description><![CDATA[De rapportage bevat het gezamenlijk voorstel van milieuorganisaties, vakbonden en energiebedrijven voor het toekomstig stimuleringsbeleid voor hernieuwbare elektriciteit. Inzet van alle partijen is om een groot aandeel hernieuwbare elektriciteit te bereiken in 2020. Het voorstel is afkomstig van Stichting Natuur en Milieu, EnergieNed, Nuon, Esent, Eneco, Greenchoice, Greenpeace, de DE-koepel en ABVAKABO FNV, en gefaciliteerd door CE Delft. Dit voorstel vormt de brug tussen Green4sure - het energieplan van de milieuorganisaties en vakbonden - en de Energieagenda 2030 van de energiesector. De partijen pleiten voor een stabiel marktinstrumentarium waarbij het kostprijsverschil tussen hernieuwbare en conventionele stroom structureel overbrugd wordt. Hernieuwba-re technieken zijn nog altijd duurder dan conventionele technieken in 2020. De huidige SDE-regeling vormt een goed instrument om dit kostprijsverschil (de zogenoemde onren-dabele top) de komende jaren te overbruggen. De SDE dient echter op twee belangrijke punten verbeterd te worden. Allereerst is het noodzakelijk dat er een langdurig politiek commitment wordt vastgelegd voor de investeringen die samenhangen met het bereiken van de doelen. Als tweede verbeterpunt pleiten de partijen er tevens voor om de financiering van de SDE via de elektriciteitsprijs te laten verlopen in plaats van via de begroting. Voor stimulering van duurzame energieproductie vanaf 2015 pleit de werkgroep voor invoering van een EU-verplichting in een koplopergroep mogelijk met Verenigd Koninkrijk, Polen, Zweden en Belgi&amp;euml;. Dit betreft een jaarlijks oplopend verplicht aandeel hernieuwbaar van de consumptie van elektriciteit. Aan introductie van een verplichtingensysteem verbinden de deelnemende partijen harde voorwaarden, o.a. een goed werkend systeem van groencertificaten tussen de deelnemende landen.]]></description>
			<pubDate>Fri, 10 Apr 2009 12:03:36 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Analyse progressieve BPM afhankelijk van absolute CO2]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/analyse_progressieve_bpm_afhankelijk_van_absolute_co2/808</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/analyse_progressieve_bpm_afhankelijk_van_absolute_co2/808</guid>
			<description><![CDATA[In opdracht van het ministerie van Financi&amp;euml;n is door CE Delft onderzocht wat de CO2-effecten zijn van omzetting van de BPM van de huidige cataloguswaarde naar een CO2-systematiek waarbij de CO2-toeslag progressief afhangt van de CO2-emissies van de nieuw aan te schaffen personenauto.  Deze variant is vergeleken met de effectiviteit van de twee BPM-varianten uit het onderzoek &amp;lsquo;fiscale vergroening&amp;rsquo; (differentiatie van de BPM naar absolute CO2-uitstoot en de BPM gebaseerd op CO2-grondslag) en de huidige BPM gebaseerd op energielabels (tarieven 2008).]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 11:03:11 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Fiscale vergroening]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/fiscale_vergroening/806</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/fiscale_vergroening/806</guid>
			<description><![CDATA[In opdracht van VROM heeft CE Delft in het kader van het Belastingplan 2009 onderzoek gedaan naar de milieueffectiviteit van 15 fiscale maatregelen. Het gaat daarbij om maatregelen die betrekking hebben op verkeer en vervoer (bijv. een differentiatie van de BPM naar absolute CO2-uitstoot), het energiegebruik van huishoudens en het bedrijfsleven (bijv. een verhoging van de energiebelasting) en de gebouwde omgeving (bijv. een heffingskorting in de inkomstenbelasting gebaseerd op de energiezuinigheid van woningen). Naast de milieueffectiviteit zijn deze vergroeningsmaatregelen ook beoordeeld op de gevolgen voor de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven, politieke draagvlak, gevolgen voor de koopkracht en lastenverdeling, samenhang in het betreffende milieubeleidsterrein, fiscale inpasbaarheid, uitvoeringskosten en handhaafbaarheid. De resultaten van de studie zullen worden gebruikt bij de voorbereiding van de zogenaamde &amp;lsquo;tweede tranche vergroening&amp;rsquo; van het huidige kabinet.  Het totale pakket aan maatregelen sorteert zo&amp;rsquo;n 0,74 Mton in 2010 en 1,5 Mton CO2-reductie in 2020. Dit dient gezien te worden als de ondergrens van de daadwerkelijke effecten, aangezien een deel van de effecten niet kwantificeerbaar bleken. De totale effecten van het vergroeningspakket vormen hiermee ongeveer 4 tot 7%7% van de kabinetsambitie in 2020 voor de sectoren gebouwde omgeving en verkeer.]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 11:17:12 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Duurzame kansen in de nieuwe grondexploitatiewet]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/duurzame_kansen_in_de_nieuwe_grondexploitatiewet/887</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/duurzame_kansen_in_de_nieuwe_grondexploitatiewet/887</guid>
			<description><![CDATA[De nieuwe Grondexploitatiewet (Grex), onderdeel van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening, biedt gemeenten betere mogelijkheden tot verhaal van kosten die moeten worden gemaakt om een locatie geschikt te maken voor bebouwing. In deze notitie wordt de vraag beantwoord of de Grex handvaten biedt tot het realiseren van duurzame ambities bij de aanleg van gebieden. De conclusies zijn besproken in een workshop met VROM (opstellers van de wet) en gemeenten.]]></description>
			<pubDate>Thu, 19 Mar 2009 13:11:16 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Leuker kunnen we het niet maken, wel groener]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/leuker_kunnen_we_het_niet_maken%2C_wel_groener/479</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/leuker_kunnen_we_het_niet_maken%2C_wel_groener/479</guid>
			<description><![CDATA[Dit rapport is opgesteld in opdracht van het ministerie van VROM naar aanleiding van de motie Spies en onderzoekt fiscale en financi&amp;euml;le opties voor energiebesparing in de gebouwde omgeving. Bij het vormgeven van deze opties kan aangesloten worden bij het energieprestatiecertificaat voor gebouwen en woningen, dat naar verwachting medio 2007 beschikbaar zal zijn.  De conclusies uit deze studie zijn als volgt:

    Het huidig instrumentarium is niet voldoende om het beoogde jaarlijkse besparingstempo te realiseren (1,3% vanaf 2008 en 1,5% vanaf 2012) en laat bovendien veel potentieel voor energiebesparing in de gebouwde omgeving met een terugverdientijd van minder dan 4 tot 6 jaar liggen.
    Om tot een hoger besparingstempo te komen en weerstand en gebrek aan prioriteit te overwinnen, zijn instrumenten noodzakelijk die partijen verplichten tot het verbeteren van de energieprestatie van de gehele voorraad.
    Fiscale en financi&amp;euml;le instrumenten kunnen gericht ingezet worden om resterende belemmeringen en vormen van marktfalen aan te pakken. Dit betreft een combinatie van verschillende maatregelen specifiek gericht op de doelgroep:
    
        Koopwoningen: De effectiviteit van een korting op overdrachtsbelasting (OVB) is gunstig, voornamelijk te verklaren door de mogelijkheid aan te sluiten bij een verbouwingsmoment. Voor structurele aanpassing aan het huis, zoals isolatie of aanschaffen van energiezuinige voorzieningen, speelt een dergelijk natuurlijk moment een belangrijke rol.
        Sociale huurwoningen: het sterker meewegen van energiebesparing in het woningwaarderingstselsel is wenselijk om corporaties meer mogelijkheden te geven om voor energiezuinige woningen een hogere huur te vragen, welke met lagere energielasten door huurder kunnen worden gecompenseerd. Uit ervaringen blijkt dat bij renovatieprojecten forse CO2-reducties mogelijk zijn zonder dat de bruto-woonlasten (huur inclusief energierekening) voor de huurder toenemen.
        Utiliteit: Een energiebesparingsbedrijf kan nieuwe financieringsvormen en beheersvormen ontwikkelen, zodat eigenaren een betere kosten-batenafweging van besparingsmaatregelen kunnen maken. Een belangrijk knelpunt in de utiliteit is dat de eigenaar als investeerder geen rendement op zijn investering krijgt in de vorm van een lage energierekening of meer comfort (split-incentive).
    
    
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energieprestatie gewaardeerd in de OZB]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energieprestatie_gewaardeerd_in_de_ozb/453</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energieprestatie_gewaardeerd_in_de_ozb/453</guid>
			<description><![CDATA[Lokale vergroening van het belastingstelsel is nog een tamelijk onontgonnen terrein. Dat is opvallend omdat het lokale belastinggebied in omvang toeneemt en lokale overheden een grote verantwoordelijkheid dragen in de uitvoering van het milieubeleid. Met name de waardering van onroerende zaken biedt kansen om het streven naar duurzaam (ver)bouwen te ondersteunen. In deze studie in opdracht van SenterNovem staat de vraag centraal of de OZB-korting naar de energieprestatie van de woning juridische haalbaar is. Met andere woorden de vraag of deze binnen de huidige relevante wetsbepalingen (Gemeentewet en wet WOZ) door gemeenten zou kunnen worden ingevoerd.]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Milieueffecten van differentiëren van parkeertarieven]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/milieueffecten_van_differenti%EBren_van_parkeertarieven/437</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/milieueffecten_van_differenti%EBren_van_parkeertarieven/437</guid>
			<description><![CDATA[Gemeenten kunnen door uitgekiende belastingheffing een belangrijke bijdrage leveren aan de verbetering van het milieu. Een van de slimme groene belastingmaatregelen betreft de differentiatie van parkeertarieven naar milieuprestatie. Diverse gemeenten (o.a. Amsterdam, Tilburg en Nijmegen en ook de VNG) hebben interesse getoond in gedifferentieerde parkeertarieven. Om gemeenten in de gelegenheid te stellen een dergelijke vergroeningsmaatregel door te voeren, zal de Gemeentewet worden aangepast. Ten behoeve van deze aanpassing is inzicht in de verwachte milieueffecten gewenst. In deze studie staan de milieueffecten van groene parkeertarieven bij vergunninghouders en parkeerbezoekers centraal. Via differentiatie in de parkeerbelasting kan het gebruik van schone auto&amp;rsquo;s in de stad worden gestimuleerd en vuile auto&amp;rsquo;s worden ontmoedigd. Uit deze CE-studie blijkt dat de onderzochte maatregel een belangrijke bijdrage kan leveren aan reductie van stedelijke emissies bij de doelgroepen vergunninghouders en bezoekers, hoewel de absolute omvang van deze reductie enigszins beperkt is.]]></description>
			<pubDate>Thu, 26 Mar 2009 16:22:05 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Duurzaamheidsfonds Almere]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/duurzaamheidsfonds_almere/423</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/duurzaamheidsfonds_almere/423</guid>
			<description><![CDATA[Almere groeit stormachtig. De voorspelling van toekomstige regionale economische groei ligt voor de Gemeente Almere boven het landelijk gemiddelde met een jaarlijks groei van ongeveer 4% voor 2004/2005. Het aantal nieuwe inwoners dat de komende tientallen jaren gehuisvest moet worden, neemt zodanig toe dat in het relatief open Flevoland een dominante verstedelijkingsimpuls vanuit de Randstad onafwendbaar is. De groei van de economie en bevolking in Almere zal gepaard gaan met een toename van de druk op milieu, natuur en landschap.   In opdracht van Natuur en Milieu Flevoland heeft CE een prikkelende publicatie geschreven over structurele financieringsmogelijkheden ten behoeve van een op te richten duurzaamheidsfonds Almere. Hiermee kunnen duurzaamheidsprojecten worden gefinancierd die een stap verder gaan dan de wettelijke norm of bestaande praktijk. In deze publicatie is een groot aantal bestaande en nieuwe financieringsopties op een rij gezet en onderverdeeld naar verplichte financiering, vrijwillige financiering en financiering uit kostenbesparingen.]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Effecten van een ecotax op blikjes en flesjes]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/effecten_van_een_ecotax_op_blikjes_en_flesjes/392</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/effecten_van_een_ecotax_op_blikjes_en_flesjes/392</guid>
			<description><![CDATA[Eind 2005 loopt het Convenant Verpakkingen III af. Een van de doelstellingen van dit convenant is om in 2005 de hoeveelheid flesjes en blikjes in het zwerfafval met 80% terug te brengen ten opzichte van 2001. Wanneer dit niet gehaald wordt, kan de staatsecretaris van VROM verplicht statiegeld voor drankverpakkingen worden invoeren.  Naast verplicht statiegeld is ook mogelijk een flexibel ecotax/statiegeldsysteem in te voeren. In een dergelijk systeem betalen producenten of de detailhandel een vaste heffing per drankverpakking of ze kiezen voor statiegeld. CE heeft de effecten onderzocht van twee varianten van de ecotax met een hoogte van &amp;euro; 0,10 en &amp;euro; 0,25 per blikjes of flesje. Een ecotax/statiegeldsysteem is minder verplichtend voor de industrie dan verplicht statiegeld. Het draagvlak van deze optie bij de industrie zou daarom beter kunnen zijn dan voor verplicht statiegeld.  De effecten van een ecotax zijn afhankelijk van gedragsreacties van producenten, detailhandel en consumenten. De interactie tussen deze partijen maakt het precieze effect onvoorspelbaar. Desalniettemin is in deze studie een poging gedaan om de effecten in te schatten. Een ecotax van &amp;euro; 0,10 zal naar onze inschattingen het aantal blikjes en flesjes in het zwerfafval met 20% tot 60% kunnen doen afnemen. Een ecotax van &amp;euro; 0,25 zal kunnen resulteren in een afname van 40% - 80%. Verplicht statiegeld kan een resultaat van 80% bereiken. De resultaten voor de ecotaxopties zijn sterk afhankelijk van het gedrag van betrokken actoren. Wanneer deze partijen zich strategisch gaan verzetten tegen statiegeld is een lager effect te verwachten dan bij een puur economische optimalisatie. Verplicht statiegeld is veel minder gevoelig voor strategisch gedrag.   Tot slot moet worden vermeld dat ook een algemeen zwerfafvalbeleid voor al het zwerfafval, niet specifiek voor blikjes en flesje, mogelijk is. Ook op deze manier lijkt vooruitgang te boeken. Mogelijkheden hiervoor zijn globaal aangegeven in het rapport.]]></description>
			<pubDate>Thu, 19 Mar 2009 13:21:11 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Vergroening van het fiscale en financiële stelsel]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/vergroening_van_het_fiscale_en_financi%EBle_stelsel/217</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/vergroening_van_het_fiscale_en_financi%EBle_stelsel/217</guid>
			<description><![CDATA[Nederland heeft de afgelopen 15 jaar een belangrijke vergroening van het belastingstelsel doorgevoerd. Groene belastingen hebben inmiddels een aandeel van ca. 14 procent van de totale belastinginkomsten (2004). De meest in het oog springende voorstel is ongetwijfeld de stapsgewijze verhoging van de Energiebelasting (voorheen regulerende energiebelasting). Vergeleken met de relatief grote belangstelling voor vergroening op rijksniveau is de aandacht bij lagere overheden minder groot en versnipperd geweest. Dit was voor het Ministerie van VROM aanleiding om onderzoek uit te laten voeren naar &amp;lsquo;decentrale vergroening&amp;rsquo;.   In het rapport worden nieuwe en bestaande opties op een rij gezet en beoordeeld op milieueffectiviteit, uitvoerbaarheid en draagvlak. Het advies is te zien als een wegwijzer die de brede waaier aan opties enigszins poogt te structureren. De uiteindelijke bijdrage aan het lokale milieubeleid kunnen dan het beste door gemeenten en provincies zelf worden beoordeeld.  Vier lokale vergroeningsmaatregelen worden gezien als kansrijk. E&amp;eacute;n daarvan is het differenti&amp;euml;ren van parkeertarieven naar grootte en milieuklasse auto's. Deze maatregel kan ertoe bijdragen dat de parkeerdruk afneemt en de stedelijke luchtkwaliteit verbetert. Als eerste stap kunnen gemeenten ervoor kiezen de tarieven van de vergunninghouders te differenti&amp;euml;ren. Ook kan gedacht worden aan gedifferentieerde tarieven voor de afvalstoffenheffing (Diftar). Een kwart van de gemeenten werkt daar al mee. Verdere vergroening is ook mogelijk door het milieu een rol te laten spelen bij de aanbesteding van het regionale en gemeentelijke vervoer. Dat kan door in de OV-concessies een milieuparagraaf op te nemen met daarin bijvoorbeeld eisen aan de uitstoot van de voertuigen. Alle gemeenten en provincies worden, middels een brief van het Ministerie van VROM, op de hoogte gesteld van de vergroeningsmogelijkheden. Gemeenten en provincies kunnen vervolgens aan de hand van lokale omstandigheden en voorkeuren zelf beslissen om maatregelen al dan niet in te voeren.]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Financiële instrumenten voor Duurzaam Bouwen]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/financi%EBle_instrumenten_voor_duurzaam_bouwen/888</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/financi%EBle_instrumenten_voor_duurzaam_bouwen/888</guid>
			<description><![CDATA[DuBo-projecten met ambities boven de gangbare praktijk of wettelijke norm zullen niet vanzelf van de grond komen. Wanneer de gemeente zelf opdrachtgever is voor bouwprojecten kan de extra milieuwinst veelal afgedwongen worden via contracten. Indien de gemeente geen opdrachtgever is, zullen andere instrumenten moeten worden ingezet om projecten met een extra milieurendement over de streep te trekken.

Financieringsconstructies kunnen de onrendabele top van investeringen in duurzaamheid overbruggen. Daar zit immers vaak een belangrijk knelpunt voor toepassing van energiezuinige en duurzame maatregelen. Creatieve oplossingen zijn daarom van cruciaal belang, zo ook voor de Leidse Regio. Des temeer nu voor deze regio het Regionaal DuBo Plus Pakket als ambitie geldt. Hierin zijn de Nationaal Pakketten DuBo aangevuld en aangeschept met een regionale invulling per bouwsegment (woningbouw, utiliteit en grond-, weg- en waterbouw). Dit houdt in dat vaste DuBo-maatregelen worden toegepast, aangevuld met een keuze uit variabele DuBo-maatregelen tot het gewenste niveau. Deze maatregelen zijn samengesteld in een maatregelenlijst (checklist). Vijf van de zeven gemeenten hebben besloten om het ambitieniveau van het regionaal DuBo Plus te realiseren. Dit verslag van een workshop op 12 januari 2004 met deelnemers uit de regio Leiden biedt een overzicht van mogelijkheden.]]></description>
			<pubDate>Thu, 19 Mar 2009 13:18:42 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Duurzaamheidsfonds Gouda: Plan van aanpak]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/duurzaamheidsfonds_gouda%3A_plan_van_aanpak/91</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/duurzaamheidsfonds_gouda%3A_plan_van_aanpak/91</guid>
			<description><![CDATA[Vele gemeenten voeren op dit moment een actief klimaatbeleid. Om de uitvoering van klimaatprojecten kracht bij te zetten, is de inzet van financi&amp;euml;le instrumenten van groot belang.  De gemeenten Waddinxveen en Gouda hebben beide besloten om een duurzaamheidsfonds in het leven te roepen om de uitvoering van hun klimaatbeleid te ondersteunen. CE heeft hiertoe &amp;lsquo;plan van aanpak&amp;rsquo; opgesteld voor de opzet van dit fonds met als oogmerk een substanti&amp;euml;le stimulans te leveren aan het behalen van de klimaatdoelstelling van beide gemeenten. Een kosteneffectieve toewijzing van subsidies is daarbij een belangrijk uitgangspunt geweest. Het is de bedoeling dat het duurzaamheidfonds per 1 januari 2004 ingevoerd wordt met als hoofddoelstelling het reduceren van CO2. Het fonds zal zich richten op projecten met een ambitieus energiebesparingpotentieel in de gemeenten Waddinxveen en Gouda. Uit het fonds gesubsidieerde projecten gaan verder dan de wettelijke norm of gangbare praktijk. Hierbij gaat het zowel om projecten die rechtstreeks een bijdrage leveren aan de reductie van CO2 door vraagbeperking, duurzame energie of vergroting van de energie-efficiency, als om initiatieven ter verbreding van de kennis rond energie-oplossingen. In principe staat aanmelding open voor alle doelgroepen van het gemeentelijke milieu- en klimaatbeleid.  Wanneer het duurzaamheidfonds succesvol blijkt te zijn, kan gezocht worden naar permanente financieringsbronnen door vergroening van lokale belastingen. Mede op advies van CE hebben beide gemeenten gekozen voor een gemeenschappelijke aanpak.]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Duurzaamheidsfonds Waddinxveen: Plan van aanpak]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/duurzaamheidsfonds_waddinxveen%3A_plan_van_aanpak/90</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/duurzaamheidsfonds_waddinxveen%3A_plan_van_aanpak/90</guid>
			<description><![CDATA[Vele gemeenten voeren op dit moment een actief klimaatbeleid. Om de uitvoering van klimaatprojecten kracht bij te zetten, is de inzet van financi&amp;euml;le instrumenten van groot belang.  De gemeenten Waddinxveen en Gouda hebben beide besloten om een duurzaamheidsfonds in het leven te roepen om de uitvoering van hun klimaatbeleid te ondersteunen. CE heeft hiertoe &amp;lsquo;plan van aanpak&amp;rsquo; opgesteld voor de opzet van dit fonds met als oogmerk een substanti&amp;euml;le stimulans te leveren aan het behalen van de klimaatdoelstelling van beide gemeenten. Een kosteneffectieve toewijzing van subsidies is daarbij een belangrijk uitgangspunt geweest. Het is de bedoeling dat het duurzaamheidfonds per 1 januari 2004 ingevoerd wordt met als hoofddoelstelling het reduceren van CO2. Het fonds zal zich richten op projecten met een ambitieus energiebesparingpotentieel in de gemeenten Waddinxveen en Gouda. Uit het fonds gesubsidieerde projecten gaan verder dan de wettelijke norm of gangbare praktijk. Hierbij gaat het zowel om projecten die rechtstreeks een bijdrage leveren aan de reductie van CO2 door vraagbeperking, duurzame energie of vergroting van de energie-efficiency, als om initiatieven ter verbreding van de kennis rond energie-oplossingen. In principe staat aanmelding open voor alle doelgroepen van het gemeentelijke milieu- en klimaatbeleid.  Wanneer het duurzaamheidfonds succesvol blijkt te zijn, kan gezocht worden naar permanente financieringsbronnen door vergroening van lokale belastingen. Mede op advies van CE hebben beide gemeenten gekozen voor een gemeenschappelijke aanpak.]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Financieringsconstructies voor duurzame toepassingen]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/financieringsconstructies_voor_duurzame_toepassingen/174</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/financieringsconstructies_voor_duurzame_toepassingen/174</guid>
			<description><![CDATA[Nog veel meer dan algemeen aangenomen wordt, zijn creatieve financieringsconstructies in te zetten voor duurzame voorzieningen in de gebouwde omgeving. Lokale partijen kunnen tal van 'duurzaamheidsfondsen' aanboren voor het (voor)financieren van investeringen van milieu- en energiebesparingsmaatregelen. Met deze creatieve fondsen komen niet zelden andere financieringen, zoals subsidies en private investeringsbudgetten, binnen handbereik. Dit is het meest in het oog springende resultaat van een CE-studie naar bestaande creatieve financieringsconstructies die op lokaal niveau ingezet worden. De studie heeft zich vooral gericht op initiatieven voor de bestaande woningbouw. De mogelijkheden zijn per doelgroep op een rij gezet en beoordeeld op hun bruikbaarheid in de praktijk. Met het overzicht wil Novem de kansrijke mogelijkheden voor lokale overheden, woningbouwcorporaties en energiebedrijven op een aansprekende manier presenteren.   Lagere overheden kunnen diverse bronnen van financiering aanspreken voor duurzame toepassingen, zoals 'OZB-inkomsten', de verkoopopbrengst van nutsbedrijven (of dividenduitkeringen), REB-inkomsten van energiebedrijven, gemeentelijke grondexploitatie of de koopsom van huizen. Voor omvangrijke duurzaamheidsfondsen voor een ambitieus energiebeleid springen de OZB-inkomsten en de verkoop van het eigendom in het nutsbedrijf het meest in het oog.  Woningbouwcorporaties kunnen energiemaatregelen financieren zonder de totale woonlasten voor de huurder te laten toenemen. Een 'woonlastengarantie' en 'centrale inkoop van duurzame energie' passen in het beleid van corporaties om een breder pakket aan woondiensten aan te bieden tegen acceptabele woonlasten. Financi&amp;euml;le instellingen en energiebedrijven bieden diverse leaseregelingen voor duurzame toepassingen aan. Ook kan gedacht worden aan verzekeringsproducten die het instandhouden van vastgoed, in combinatie met energiebeheer, regelen en verzekeren.]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
			</channel>
</rss>

