<?xml version="1.0" encoding="ISO-8859-1" ?>
<rss version="2.0" xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom">
  	<channel>
    	<title>CE Delft - Milieueconomie</title>
		<copyright>Copyright (c) 2012, CE Delft</copyright>
		<link>http://www.ce.nl/ce/rapporten/114/</link>
        <atom:link href="http://www.cedelft.nlindex.php?go=home.showRapportenRSS&amp;pagenr=121" rel="self" type="application/rss+xml" />
		<language>nl</language>
		<description>CE Delft Rich Site Summary</description>
		<webMaster>webmaster@ce.nl (Webmaster)</webMaster>
		        
		<item>
			<title><![CDATA[A critical examination of the investment proposals for Unit 6 of the Sostanj Power Plant]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/a_critical_examination_of_the_investment_proposals_for_unit_6_of_the_sostanj_power_plant/1210</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/a_critical_examination_of_the_investment_proposals_for_unit_6_of_the_sostanj_power_plant/1210</guid>
			<description><![CDATA[Holding Slovenske Elektrarne (HSE), eigenaar van de Termoelektrarna &amp;Scaron;o&amp;scaron;tanj elektriciteitscentrale (&amp;Scaron;TPP) in Sloveni&amp;euml;, heeft een plan opgesteld voor de bouw van een nieuwe eenheid bij deze centrale. Deze geplande Eenheid 6 zal de eenheden 4 en 5 vervangen en worden gestookt met bruinkool van de nabijgelegen Velenje-mijn. Het eerste investeringsplan werd in 2005 ingediend en is in 2006 en 2009 bijgesteld om in aanmerking te komen voor leningen van de Europese Investeringsbank (EIB) en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD). In 2011 werd een vierde herziening van het investeringsplan opgesteld, die vereist was omdat de EIB een staatsgarantie had gevraagd. Sloveense wetgeving met betrekking tot &amp;ldquo;uniforme methodologie voor opstelling en behandeling van investeringsdocumentatie in de context van &amp;nbsp;openbare financi&amp;euml;n&amp;rdquo; vereist dat bepaalde regels worden toegepast bij dit soort staatsgarantie. E&amp;eacute;n van deze specifieke regels betreft het verwachte rendement op investering, dat boven de 7% moet zijn.&amp;nbsp;

Zoals bij ieder investeringsplan zijn de berekeningen vooral afhankelijk van de aannames die gemaakt worden met betrekking tot de toekomstige ontwikkeling van kosten en baten. Het CEE Bankwatch Network en de vereniging voor duurzame ontwikkeling Focus verzochten CE Delft het investeringsplan voor de nieuwe bruinkoolgestookte eenheid van de &amp;Scaron;o&amp;scaron;tanj-centrale onder de loep te nemen en te beoordelen of de belangrijkste variabelen goed zijn ingeschat. In dit rapport wordt het investeringsplan geanalyseerd en de onderliggende aannames met betrekking tot de toekomst kritisch ge&amp;euml;valueerd.]]></description>
			<pubDate>Wed, 04 Jan 2012 09:04:47 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Moving towards a 30% carbon reduction target in the EUEconomic impacts in Slovakia]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/moving_towards_a_30%25_carbon_reduction_target_in_the_eu%3Cbr%3Eeconomic_impacts_in_slovakia/1189</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/moving_towards_a_30%25_carbon_reduction_target_in_the_eu%3Cbr%3Eeconomic_impacts_in_slovakia/1189</guid>
			<description><![CDATA[In deze studie wordt een kwantitatieve economische analyse gemaakt van de gevolgen voor de Slowaakse economie als de EU haar klimaatdoelstelling opvoert van een 20% reductie van broeikasgasemissies in 2020, vergeleken met 1990, tot een 30% reductie over deze periode. De studie heeft als hoofddoel een inschatting te geven van de kosten en baten voor diverse partijen in de Slowaakse economie bij invoering van een stringentere klimaatdoelstelling, met een uitsplitsing hiervan per sector. Met gebruik van statistische gegevens&amp;nbsp; (Slovstat, EU ETS Registry) en prognoses (PRIMES/GAINS) is een brede macro-economische analyse uitgevoerd om de vermoedelijke gevolgen in kaart te brengen niet alleen voor de elektriciteitssector en de industrie, maar ook voor de economie in bredere zin, waaronder overheidsinkomsten en baten die voortvloeien uit een vermindering van gelieerde milieuemissies.

Als algemene conclusie kan worden gesteld dat de doelstelling van 30% emissiereductie gehaald kan worden zonder extra directe kosten voor de Slowaakse economie. Deze directe kosten zijn ruwweg dezelfde als bij een beleidsdoel van 20% emissiereductie. De modelberekeningen van deze studie wijzen uit dat, alles bij elkaar, het beleidsdoel van -30% voor 2020 ongeveer &amp;euro; 5 miljoen goedkoper is dan het doel van -20%. De hogere reductiekosten bij een -30% scenario worden gecompenseerd door hogere besparingen op brandstof in de industrie en de elektriciteitssector, hogere overheidsinkomsten van emissierechtenveiling en een hogere waarde van het substanti&amp;euml;le aantal emissierechten die bedrijven op de bank hebben staan. Op deze wijze worden de directe kosten van de -30% scenario door de directe baten precies gecompenseerd.

Volgens deze studie brengt het -30% beleidsdoel een aantal aanzienlijke indirecte baten met zich mee. Zo kunnen de &amp;euro; 0.7 miljard extra investeringen tussen 2009 en 2020 mogelijk leiden tot een stijging van ongeveer 0.7% van het BBP in 2020. Er zijn ook andere bijkomende voordelen te verwachten, in de vorm van verbeterde luchtkwaliteit en verminderde afhankelijkheid van brandstofinvoer. Hoewel de industrie met hogere kosten zal komen te zitten, zullen deze hoogstwaarschijnlijk aan consumenten worden doorberekend. Hierdoor zal de industrie een deel van haar marktaandeel verliezen. Het lijkt erop dat het verlies in toegevoegde waarde door energie-intensieve sectoren min or meer gelijk zal zijn aan de baten die uit hogere investeringen voortvloeien.]]></description>
			<pubDate>Fri, 07 Oct 2011 14:29:29 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Economische instrumenten voor biodiversiteit]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/economische_instrumenten_voor_biodiversiteit/1179</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/economische_instrumenten_voor_biodiversiteit/1179</guid>
			<description><![CDATA[In de Taskforce Biodiversiteit en Natuurlijke Hulpbronnen (TF) heeft een werkgroep Economische Instrumenten zich gebogen over de vraag hoe de aanbevelingen van het rapport van de Verenigde Naties The Economics of Ecosystems and Biodiversity (TEEB) concreet kunnen worden ingevuld in het Nederlandse beleid. Op basis van het TEEB-rapport en interne discussies heeft de TF-werkgroep een selectie van onderwerpen gemaakt voor nader onderzoek en uitwerking. CE Delft is gevraagd voor deze selectie beleidsvoorstellen uit te werken die kansrijk zijn en leiden tot een betere bescherming van biodiversiteit. Dit betreft zowel de bescherming van biodiversiteit in Nederland als het verminderen van de ecologische voetafdruk van Nederlandse consumptie over de grens.

De volgende voorstellen zijn nader onderzocht en/of uitgewerkt:

    verlaging van de maatschappelijke discontovoet
    verdere vergroening van het belastingstelsel
    importheffing op bulkgoederen
    belasting op niet-duurzaam hout
    heffing op onttrekking van open ruimte
    gedifferentieerde belasting op dierlijke eiwitten
    herijking van stimuleringsbeleid biomassa&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;
]]></description>
			<pubDate>Tue, 30 Aug 2011 15:16:11 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Overheidsingrepen in de energiemarkt]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/overheidsingrepen_in_de_energiemarkt/1159</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/overheidsingrepen_in_de_energiemarkt/1159</guid>
			<description><![CDATA[Het onderzoek &amp;lsquo;Overheidsingrepen in de energiemarkt&amp;rsquo; is uitgevoerd door Ecofys en CE Delft, in opdracht van Eneco en Triodos Bank. In deze studie zijn onder begeleiding van een groep prominente economen en energiespecialisten, de overheidsinterventies op de Nederlandse energiemarkt ge&amp;iuml;nventariseerd. Daarnaast hebben zij de consequenties voor het speelveld voor fossiele brandstoffen, hernieuwbare bronnen, kernenergie en energiebesparing gekwantificeerd. Hieruit blijkt dat bedoeld en onbedoeld de overheid het gebruik van energie en fossiele brandstoffen nog altijd sterker stimuleert dan hernieuwbare energiebronnen. Beleid gericht op het verkleinen van prijsverschillen tussen duurzaam en fossiel moet zich dus richten op het uitfaseren van deze steun en vervolgens de resterende &amp;lsquo;onrendabele top&amp;rsquo; te overbruggen.

Het rapport is op 22 juni aangeboden aan de Kamerleden Liesbeth van Tongeren (GroenLinks) en Rene Leegte (VVD) door de directeur van CE Delft Frans Rooijers en de directeur van Ecofys Manon Janssen.
Aanvulling oktober 2011
In de nieuwe versie hebben we de volgende commentaren verwerkt die we sinds juni 2011 hebben ontvangen:

    
        
            1.	
            Investeringsaftrek voor investeringen in marginale gasvoorkomens op het Nederlands continentaal plat&amp;nbsp;
        
        
            &amp;nbsp;
            
            
                Gewijzigd van 196 mln &amp;euro; naar 0 mln &amp;euro;
                In 2010 is nog geen gebruik gemaakt van deze maatregel
            
            
        
        
            2.	
            CO2-Afvang en Opslag (CCS) - diverse meerjarige subsidies&amp;nbsp;&amp;nbsp; &amp;nbsp; &amp;nbsp;	
        
        
            &amp;nbsp;
            
            
                Gewijzigd van 150 mln &amp;euro; naar 15,3 mln &amp;euro; (begrote kasuitgaven volgens Kamerbrief)
                De beschikking van de subsidie van &amp;euro; 150 mln aan het ROAD-project in het jaar 2010 valt niet volledig aan 2010 toe te rekenen
            
            
        
        
            3.	
            Afkoop emissierechten door de Nederlandse staat van acht bedrijven&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;
        
        
            &amp;nbsp;
            
            
                Gewijzigd van 56 mln &amp;euro; naar 0
                Van deze regeling kan pas vanaf 2013 gebruik worden gemaakt
            
            
        
        
            4.
            Gratis emissierechten EU ETS 2005-2012
        
        
            &amp;nbsp;
            
            
                Gewijzigd van &amp;euro; 1,0 mld naar &amp;euro; 1,2 mld
                Het rapport van juni 2010 ging uit van de situatie in het jaar 2020. Reden daarvoor was dat de EU al had aangegeven deze indirecte subsidie te willen aanpakken door een groter deel van de rechten te veilen. Daarom ook was gerekend met een emissiehandelsprijs van 30 &amp;euro;/tCO2. Maar we hebben deze aanname gecorrigeerd naar de werkelijke situatie van 2010. Daarin rekenen we nu met een emissiehandelsprijs van 14,3 &amp;euro;/tCO2 en een omvang 84Mt aan gratis emissierechten.
            
            
        
    

Uiteraard hebben we ook de optellingen in ons rapport en in de samenvatting aangepast, deze staan in het aangepaste rapport dat u op deze pagina kunt downloaden.]]></description>
			<pubDate>Wed, 22 Jun 2011 10:29:53 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Haalt de energie-intensieve industrie voordeel uit fase 3 van het EU ETS?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/haalt_de_energie-intensieve_industrie_voordeel_uit_fase_3_van_het_eu_ets/1116</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/haalt_de_energie-intensieve_industrie_voordeel_uit_fase_3_van_het_eu_ets/1116</guid>
			<description><![CDATA[In deze studie wordt onderzocht of de nieuwe toedelingsmethodiek van het EU ETS, die in 2013 wordt ingevoerd, iets zal veranderen aan de mogelijkheden voor energie-intensieve bedrijven om de kosten van gratis verkregen emissierechten door te rekenen en daarmee additionele, zogenaamde windfall profits te behalen. Recent empirisch onderzoek door CE Delft heeft aangetoond dat behalve elektriciteitsproducenten ook&amp;nbsp; energie-intensieve bedrijven de kosten van hun Europese emissierechten in productprijzen hebben doorgerekend. Omdat ze deze emissierechten kosteloos hebben verkregen, hebben ze tijdens de eerste twee fasen van het EU ETS wellicht kans gezien zulke windfall profits binnen te halen. In de derde fase, vanaf 2013, zullen emissierechten echter opnieuw worden geveild, en ook benchmarks worden ingevoerd.

Deze studie toont aan dat er onder dit nieuwe system nog meer stimulans voor bedrijven zal zijn om windfall profits te boeken. Door veiling van emissierechten bovenop de benchmarks zullen de energiekosten van de marginale firma aanzienlijk stijgen, waardoor prijzen in Europese productmarkten onder druk zullen komen te staan. Als gevolg hiervan zullen ook na 2013 kostenafwenteling en windfall profits waarschijnlijk blijven plaatsvinden.
&amp;nbsp;]]></description>
			<pubDate>Thu, 23 Dec 2010 04:06:20 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Economische wetenschap en handelingsperspectieven: meer dan een energieheffing!]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/economische_wetenschap_en_handelingsperspectieven%3A_meer_dan_een_energieheffing%21/1095</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/economische_wetenschap_en_handelingsperspectieven%3A_meer_dan_een_energieheffing%21/1095</guid>
			<description><![CDATA[De Matrix is een meerjarig transdisciplinair project van het Bsik-programma &amp;lsquo;Klimaat voor Ruimte&amp;rsquo; en is gericht op het ontwikkelen van handelingsperspectieven voor de klimaatcrisis in een samenwerkingsverband tussen klimaatwetenschappen, economie, ruimtelijke planning en sociale wetenschappen. CE Delft heeft in dit project de economische component voor haar rekening genomen. In dit essay schetst Sander de Bruyn over de raakvlakken tussen de economische wetenschappen en het klimaatvraagstuk.&amp;nbsp;
&amp;nbsp;
Voor het klimaat zijn de economische wetenschappen enerzijds leverancier van zienswijzen (klimaatverandering als onbetaalde schade) en leverancier van (beleid)instrumenten (handel in emissierechten), maar anderzijds ook leverancier van twijfel en verwarring over de noodzaak om in te grijpen in het marktproces en zo de aarde te behoeden voor de onvermijdelijke opwarming. Veel van die verwarring ontstaat doordat economen zich bezighouden met de wenselijkheid van het voeren van een klimaatbeleid, waarbij de vraag centraal staat of de kosten van ingrijpen in het marktproces kleiner zullen zijn dan de baten van verminderde opwarming. Die vraag is echter niet volledig zuiver te beantwoorden binnen de economische wetenschap omdat klimaatverandering op de (zeer) lange termijn en economie bij uitstek een wetenschap is die ex-post maatschappelijke fenomenen kan verklaren maar ze moeilijk kan voorspellen. Een kosten-baten analyse van klimaatverandering gaat voorbij aan de grote mate van onzekerheid over, bijvoorbeeld, prijs- en inkomensontwikkelingen van regio&amp;rsquo;s in de wereld over een periode van meer dan 100 jaar.

Als we de economische wetenschap loslaten als beschrijvende wetenschap op de klimaatproblematiek valt op dat de kosten van mitigatie thans waarschijnlijk worden onderschat. De klimaatproblematiek is technisch oplosbaar tegen zeer aanvaardbare kosten is de algemene stelling van ondermeer de Stern Review. In de praktijk is de klimaatproblematiek echter geen technisch maar een sociaal probleem met een grote mate van complexiteit. Naast het traditionele marktfalen, waardoor klimaatschade niet (voldoende) geprijsd is, bestaat er ook overheidsfalen in de klimaatproblematiek op twee niveaus. Allereerst leiden de internationale onderhandelingen niet tot gewenste uitkomsten zolang de onevenwichtigheid bestaat dat de rijkere landen vooral moeten betalen voor mitigatie, terwijl armere landen vooral schade ondervinden van de klimaatverandering. Ten tweede resulteert de internationale verwevenheid van handel en kapitaal tot veel beperkingen voor nationale overheden in rijkere landen om klimaatbeleid te voeren.

Gegeven deze beperkingen zou de economische wetenschap zich moeten richten op het ontwerpen van instituties die zowel het markt- als overheidsfalen tot een minimum beperken.. Het essay sluit af met een drietal handelingsperspectieven&amp;nbsp;- in feite drie niet-traditionele richtingen waarbij er potentie aanwezig is om het markt- en overheidsfalen te minimaliseren. Internationaal, bijvoorbeeld in Europees verband, zou men overeenstemming kunnen verkrijgen over het instellen van een Bruto Toegevoegde Koolstofbelasting (BTK) die analoog aan de Bruto Toegevoegde Waarde (BTW) de consumptie gaat belasten voor het gebruik van koolstof, in plaats van in het huidige beleid de productie. Dit voorkomt dat productie zich verplaatst naar landen buiten Europa en zo geen bijdrage levert aan de mondiale reductie van broeikasgassen. Nationaal, zoals binnen Nederland, zou men na kunnen gaan denken over het verder uitbouwen van klimaatcompensatie. Indien klimaatcompensatie steeds meer als geldende norm wordt geaccepteerd, bijvoorbeeld binnen bedrijven of voor burgers, en als de methoden voor klimaatcompensatie worden verbreed (bijvoorbeeld met geo-engineering opties) en verbeterd, dan zou dit een manier zijn om van onderop de samenleving in een duurzame, klimaatneutrale, richting te sturen. Ten derde zou men lokaal moeten nadenken over sociaal wenselijk ontwerp, bijvoorbeeld bij woonwijken of bedrijventerreinen. Automobiliteit en energie-intensief gedrag kan op die manier onaantrekkelijk worden gemaakt zonder dat de overheid met het opgeheven vingertje hoeft te zwaaien.]]></description>
			<pubDate>Fri, 04 Mar 2011 15:13:26 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Effecten van prijsbeleid in verkeer en vervoer]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/effecten_van_prijsbeleid_in_verkeer_en_vervoer/1060</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/effecten_van_prijsbeleid_in_verkeer_en_vervoer/1060</guid>
			<description><![CDATA[Veranderingen van de prijs van brandstof, vliegtickets en openbaar vervoer hebben effect op het mobiliteitsgedrag. Het personenvervoer per openbaar vervoer en per luchtvaart en de vraag naar brandstof blijken redelijk prijsgevoelig. Het goederenvervoer over de weg is eveneens redelijk gevoelig voor veranderingen van de transportkosten, vooral op lange afstanden. 

In de literatuurstudie 'Effecten van prijsbeleid in verkeer en vervoer' geven het Planbureau voor de Leefomgeving en onderzoeksbureau CE Delft een overzicht van de effecten van prijsveranderingen en verschillende soorten prijsmaatregelen op het verkeer en vervoer. De onderzoekers hebben daarvoor diverse Nederlandse en internationale studies bestudeerd.
Meer autobezit maar minder autogebruik bij kilometerprijs
Een verhoging van de benzineprijs leidt tot minder brandstofverbruik en ook het autobezit en -gebruik nemen af. Als een kilometerprijs wordt ingevoerd in plaats van de huidige vaste autobelastingen (Motorrijtuigenbelasting en BPM) neemt het particuliere autobezit met enkele procenten toe. Het gebruik van de auto neemt echter af. Op korte termijn met 2 tot 6 procent; op de langere termijn (10-15 jaar) met meer dan 10 procent.
Gratis openbaar vervoer trekt vooral nieuwe reizigers
Als de prijs van het openbaar vervoer daalt of stijgt is dat merkbaar aan het aantal reizigers. Vooral buiten de spits en buiten de stad heeft een prijsverandering effect. Proeven met gratis of goedkoper openbaar vervoer laten over het algemeen een duidelijke toename zien van het openbaar vervoergebruik, maar een geringe afname van het autogebruik. Het goedkope openbaar vervoer trekt vooral 'nieuwe reizigers' en mensen die voorheen met de fiets gingen.
Vooral recreatieve reiziger gevoelig voor prijs van vliegtickets
Als de prijs van een vliegticket daalt of stijgt is dat vooral merkbaar aan het aantal recreatieve reizigers op korte afstanden. Zakelijk verkeer is minder gevoelig voor prijsveranderingen en op lange afstanden is het effect op het aantal reizigers kleiner dan op korte afstanden. Waarschijnlijk omdat er voor korte afstanden goede alternatieven bestaan.
Goederenvervoer vooral voor lange afstanden prijsgevoelig
Het goederenvervoer over de weg blijkt redelijk gevoelig voor veranderingen in de transportkosten. Dit geldt vooral voor het vervoer over lange afstanden. Op korte afstanden zijn nauwelijks alternatieven beschikbaar en is de prijsgevoeligheid lager. Naast de afstand speelt ook het type lading een belangrijke rol: het bulkvervoer en het containervervoer zijn bijvoorbeeld relatief gevoelig voor prijsveranderingen. De effecten van invoering van een kilometerheffing voor het vrachtverkeer op de Nederlandse wegen zijn afhankelijk van de hoogte en vorm van de tarieven. Als de huidige vaste belastingen voor het vrachtverkeer worden omgezet in een kilometerprijs, neemt het vrachtverkeer naar verwachting nauwelijks af (minder dan 1 procent). De geringe afname is mede het gevolg van de relatief lage kilometertarieven in verhouding tot de totale transportkosten.]]></description>
			<pubDate>Tue, 01 Mar 2011 14:05:07 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Technologische ontwikkelingen in EuropaEen langetermijnvisie op CO2-effici&#235;nte productie in de Europese regio]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/technologische_ontwikkelingen_in_europa%3Cbr%3Eeen_langetermijnvisie_op_co2-effici+en+%23235%3Bnte_productie_in_de_europese_regio/1115</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/technologische_ontwikkelingen_in_europa%3Cbr%3Eeen_langetermijnvisie_op_co2-effici+en+%23235%3Bnte_productie_in_de_europese_regio/1115</guid>
			<description><![CDATA[Technologische innovatie is een onmisbaar onderdeel van inspanningen om een significante vermindering van CO2-emissies te bereiken. In deze ori&amp;euml;nterende studie in opdracht van CAN Europe wordt door CE Delft geanalyseerd in hoeverre het waarschijnlijk is dat nu in ontwikkeling zijnde innovaties in de Europese staal-, cement- en papierindustrie zullen leiden tot een reductie van 80-95% van CO2-emissies in 2050: de Europese klimaatdoelstelling voor de lange termijn. Het rapport gaat in op maatregelen die verband houden met energieverbruik, wijzigingen aan productieprocessen en gebruik van CCS, het afvangen en opslaan van CO2.

Op basis van de beschikbare informatie zijn in deze sectoren een aantal technologie&amp;euml;n ge&amp;iuml;dentificeerd die met betrekking tot CO2-effici&amp;euml;ntie veelbelovend zijn. Naar het er uitziet, kunnen deze potentieel leiden tot significant lagere CO2-emissies per eenheid product, vergeleken met de huidige gemiddelde Europese productie-eenheid.

De meeste van deze technologie&amp;euml;n zijn momenteel in een vroege, experimentele fase van ontwikkeling en zullen waarschijnlijk pas tussen 2020 en 2030 commercieel beschikbaar worden. In de toekomst kunnen ook andere veelbelovende technologie&amp;euml;n naar voren komen die op het ogenblik niet serieus worden ontwikkeld, zoals elektrolyse in de staalsector en innovatieve droogtechnieken in de papierindustrie. Geslaagde invoering van de aangewezen technologie&amp;euml;n vereist van beleidsmakers dat ze:&amp;nbsp;

    De verdere technische ontwikkeling ondersteunen, bijvoorbeeld door het beschikbaar stellen van aanvullende fondsen voor O&amp;amp;O&amp;nbsp;
    Voor CO2-arme technologie&amp;euml;n gunstige marktvoorwaarden scheppen, onder andere door een meer geschikte opzet van het EU ETS

De meeste van deze technologie&amp;euml;n steunen tenslotte zwaar op CCS, hetgeen leidt tot een prioriteitsprobleem. Omdat de CO2-opslagcapaciteit die aan veiligheidsvereisten voldoet beperkt lijkt te zijn, rijst de vraag of deze voor de industrie gereserveerd zou moeten worden in plaats van voor de energiesector (kolen), waar alternatieve maatregelen om CO2-emissies te verminderen voorhanden lijken te zijn.&amp;nbsp;&amp;nbsp;]]></description>
			<pubDate>Tue, 04 Jan 2011 21:04:26 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[MKBA Duurzame bedrijventerreinen]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/mkba_duurzame_bedrijventerreinen/966</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/mkba_duurzame_bedrijventerreinen/966</guid>
			<description><![CDATA[Bij het herstructureren van een bedrijventerrein spelen veel verschillende belangen een rol. Denk aan ruimte, vestigingsklimaat, milieukwaliteit of de landschappelijke omgeving. De kosten van duurzame maatregelen zijn vaak snel duidelijk, terwijl de baten op langere termijn meestal minder goed vast te stellen zijn.

De maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) is een instrument om al de huidige en toekomstige voor- en nadelen van een herstructureringsproject voor de samenleving als geheel zo objectief mogelijk (in Euro&amp;rsquo;s) in kaart te brengen. Deze analyse maakt duidelijk of in welke mate een herstructureringsproject bijdraagt aan de maatschappelijke welvaart. De Handleiding MKBA voor duurzame bedrijventerreinen beschrijft hoe een MKBA kan worden uitgevoerd en hoe de resultaten uit het instrumenten zo goed mogelijk in de besluitvorming kunnen worden ingepast. 

4 Pilotprojecten
De Provincie Zuid-Holland heeft vier gemeenten de mogelijkheid geboden om op kosten van de Provincie door CE Delft een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) van een concreet herstructureringsproject te laten uitvoeren. Doel is het opdoen van leerervaringen met het instrument maatschappelijke kosten-batenanalyse bij het duurzaam herstructureren van een bedrijventerrein.

Het betreft de gemeenten Katwijk, Rijnwoude, Hardinxveld-Giessendam en Westland. 

De vier onderzochte herstructureringsprojecten zijn:


    Herstructurering van het bedrijventerrein Boven-Hardinxveld, gemeente Hardinxveld-Giessendam (vertrouwelijk rapport)
    Energievoorziening bedrijventerrein Wateringveldsche Polder, gemeente Westland Download rapport&amp;nbsp;(PDF)
    Bedrijventerrein Hoogewaard , gemeente Rijnwoude (rapport binnenkort beschikbaar)
    Investeren in Energiebesparing en duurzame energie op bedrijventerrein 't Heen, gemeente Katwijk Download rapport (PDF)

Belangrijke conclusie uit de vier pilots is dat een meerderheid van de onderzochte maatregelen maatschappelijk renderen, maar dat goed moet worden bezien welke maatregelen getroffen worden. Na de zomer zullen de resultaten van deze&amp;nbsp;vier pilots worden ge&amp;euml;valueerd en deze evaluatie zal eveneens gepubliceerd worden op deze site. O.a. zal gekeken worden of een MKBA iets kan toevoegen voor de beleidsmaker die zich bezighoudt met herstructurering.
]]></description>
			<pubDate>Wed, 16 Jun 2010 14:21:56 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Benchmark Energiebelasting glastuinbouw]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/benchmark_energiebelasting_glastuinbouw/1044</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/benchmark_energiebelasting_glastuinbouw/1044</guid>
			<description><![CDATA[De glastuinbouw zou door zijn energie-intensieve en kleinschalige karakter relatief veel Energiebelasting betalen. Het zogeheten tuinbouwtarief (een lager energiebelastingtarief voor gas1 speciaal voor de tuinbouw) is destijds ingesteld als correctie op dit effect. De vraag of dit tuinbouwtarief opnieuw moet en kan worden verlengd is nu actueel vanwege de aanvraag voor goedkeuring van tuinbouwtarief voor 2011 en 2012 bij de Europese Commissie in Brussel. Hiervoor is inzicht in de energie-intensiteit en de lastendruk van de Energie-belasting voor de glastuinbouwsector in vergelijking tot andere energie-intensieve sectoren van de Nederlandse economie gewenst.
In opdracht van het Productschap Tuinbouw en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid (LNV) hebben CE Delft en het LEI de energielasten en -belasting van glastuinbouw vergeleken met industri&amp;euml;le sectoren.Het doel van dit onderzoek is tweeledig:&amp;nbsp;&amp;nbsp;

    Inzicht geven in de energielasten en de energiebelastingdruk van de glastuinbouw in vergelijking tot industri&amp;euml;le sectoren.
    Het identificeren van kansrijke terugsluismogelijkheden voor het eventueel afschaffen van het verlaagd tarief voor de glastuinbouw.

Conclusies
Vergelijking met de industrie laat zien dat de glastuinbouw tot &amp;eacute;&amp;eacute;n van de meest energie-intensieve sectoren van de Nederlandse economie behoort. De energiebelastingdruk voor de glastuinbouw per Euro omzet&amp;nbsp;- zowel met het tuinbouwtarief als wanneer het algemene tarief wordt toegepast&amp;nbsp;- is een stuk hoger dan in de industrie. Door het kleinschalige karakter van de glastuinbouw drukt de Energiebelasting op aardgas (en daarmee het beperkte gebruik in de goedkopere schijven) relatief zwaar op de bedrijfsexploitatie. Hierdoor heeft een hogere Energiebelasting in potentie een groter effect op de concurrentiepositie van de glastuinbouw in vergelijking tot de industrie. Dit bevestigt de initi&amp;euml;le reden dat het tuinbouwtarief is ingevoerd nog steeds van toepassing is.

Ter compensatie van toegenomen lasten indien het tuinbouwtarief zou moeten verdwijnen, zijn er verschillende terugsluismechanismen mogelijk. De uitvoering ervan zal niet eenvoudig zijn. Bij diverse opties kunnen kanttekeningen gezet worden ten aanzien van de mogelijkheid om gestegen lasten voor de glastuinbouw daadwerkelijk te compenseren (terugsluis via loon-belasting en vennootschapsbelasting). Serieuze uitwerkingen verdienen de terugsluisopties gebaseerd op subsidies voor energiebesparing en een CO2-benchmark. Nader onderzoek is hier noodzakelijk.]]></description>
			<pubDate>Thu, 27 May 2010 09:31:11 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Hernieuwbare elektriciteit; subsidi&euml;ren of verplichten?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/hernieuwbare_elektriciteit%3B_subsidi+en+euml%3Bren_of_verplichten/1083</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/hernieuwbare_elektriciteit%3B_subsidi+en+euml%3Bren_of_verplichten/1083</guid>
			<description><![CDATA[Om investeringen in hernieuwbare elektriciteit te stimuleren, hanteren Europese landen verschillende stimuleringsregimes. Grofweg kunnen deze instrumenten in twee hoofdcategorie&amp;euml;n worden verdeeld: (1) subsidieregelingen en (2) systemen waarbij leveranciers van elektriciteit verplicht zijn een minimaal aandeel van de door hen geleverde elektriciteit te verduurzamen (leveringsverplichting). In Nederland wordt hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd via de Stimuleringsregeling Duurzame energie (SDE), een subsidieregeling. In dit rapport is onderzocht of een leveringsverplichting voor hernieuwbare elektriciteit:

    Effectiever en doelmatiger is in het realiseren van de doelstelling voor hernieuwbare elektriciteit op de korte termijn (tot 2020).
    Beter in staat is om een stabiel investeringsklimaat te cre&amp;euml;ren zodat een structurele markt voor hernieuwbare elektriciteit ontstaat met het oog op de lange termijn energietransitie, ook na 2020.

Om antwoord te geven op deze vraag is gekeken naar de stimuleringsregimes voor hernieuwbare elektriciteit in Nederland, Denemarken, Duitsland en Spanje (alle subsidieregelingen) en Belgi&amp;euml;, Polen, het Verenigd Koninkrijk en Zweden (alle leveringsverplichtingen).

Het rapport komt tot de conclusie dat er op dit moment geen duidelijke aanwijzingen zijn dat een leveringsverplichting een (kosten)effectiever instrument is dan een subsidie zolang het aandeel hernieuwbare elektriciteit nog beperkt is (tot 2020). Echter, ter ondersteuning van de langere termijn energietransitie, zal vanaf 2015 de geleidelijke invoering van een leveringsverplichting nodig zijn. Op deze manier kan het tijdig ombuigen van investeringen van conventionele naar hernieuwbare bronnen, nodig voor de energietransitie, worden gerealiseerd. De wijze waarop in Nederland een leveringsverplichting het beste kan worden ingevoerd, vereist nader onderzoek. 

Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Nederlandse Vereniging voor Marktwerking in Energie (VME).]]></description>
			<pubDate>Wed, 11 Aug 2010 14:02:20 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Op koers naar duurzame havens in het Noordzeekanaalgebied]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/op_koers_naar_duurzame_havens_in_het_noordzeekanaalgebied/1043</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/op_koers_naar_duurzame_havens_in_het_noordzeekanaalgebied/1043</guid>
			<description><![CDATA[In toenemende mate willen gemeenten en provincies duurzaamheid binnen hun regio bevorderen, al verschillen de precieze definities van dit concept. Zo ook rondom de ontwikkeling van haventerreinen langs het Noordzeekanaal. Diverse partijen werken momenteel aan een toekomstvisie waarin de gewenste ontwikkelroute voor dit gebied op de lange termijn wordt beschreven. De Statenfractie van GroenLinks in Noord-Holland zet in dit kader in op een verduurzaming van activiteiten in het gebied zodat deze voldoende werkgelegenheid en mogelijkheden tot economische groei bieden zonder dat dit ten koste gaat van milieu, natuur en landschap.

De fractie heeft CE Delft dan ook gevraagd te inventariseren op welke manieren overheden kunnen sturen op duurzame ontwikkelingen in de havens van het Noordzeekanaalgebied. In dit rapport worden drie beleidspijlers nader uitgewerkt:

    Sturing op toekomstige activiteiten.
    Er kan een samenhangend, actief vestigingsbeleid worden vormgegeven waarin wordt ingezet op het selectief toelaten van activiteiten met een gunstig milieuprofiel. Relevant in dit kaderis het actief aantrekken van bedrijven die passen binnen clusters van industri&amp;euml;le sectoren die elkaars restgrondstoffen en restwarmte gebruiken.
    Sturing verkeer en vervoer.
    Het is mogelijk onderscheid te maken naar de milieuprestaties van schepen die de havens aandoen (NOx- en SO2-uitstoot). Dat kan door middel van het invoeren van gedifferentieerde haventarieven op basis van de &amp;lsquo;Environmental Ship Index&amp;rsquo;, idealiter samen met andere havens.
    Sturing op infrastructurele aanpassingen.
    Het gaat om investeringen in een duurzame ruimtelijke inrichting van het gebied, waar aandacht is voor effici&amp;euml;nt ruimtegebruik, groenvoorzieningen en de opwekking en het gebruik van duurzame energie. Bovendien kan effici&amp;euml;nt energiegebruik door (nieuwe) bedrijven op locatie gestimuleerd worden. In de rapportage komen verschillende instrumenten aan bod die kunnen worden ingezet om dit te bereiken, waaronder statiegeldregelingen, &amp;lsquo;rood voor groen&amp;rsquo;, kostenverevening, verhandelbare gebruiksrechten en duurzaamheidfondsen.
]]></description>
			<pubDate>Tue, 18 May 2010 14:07:01 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Does the energy intensive industry obtain windfall profits through the EU ETS?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/does_the_energy_intensive_industry_obtain_windfall_profits_through_the_eu_ets/1038</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/does_the_energy_intensive_industry_obtain_windfall_profits_through_the_eu_ets/1038</guid>
			<description><![CDATA[Emission trading schemes belong to the most efficient and effective policy options to achieve a given emission reduction target. In an emission trading system, each source of pollution gets a certain amount allowances that give the &amp;lsquo;right&amp;rsquo; to emit one unit of pollution. By reducing the amount of allowances issued, the system can achieve emission reductions among its participants. By allowing the allowances to be traded on an organized exchange, the market assures that these reductions are achieved at the least possible cost for participants.

In theory, the efficiency of the system is achieved regardless of the initial allocation method. Allocation methods most often considered are auctioning and free allocation. Because free allocation impacts less on the costs for companies, it is believed to be a better system in the context of unilateral climate policies. Through free allocation, companies face less cost disadvantages compared to producers that do not fall under a climate policy regime. Free allocation would therefore have less distortive impacts on trade and economic growth - allowing EU producers to compete at lower price levels than would be possible under an auctioning regime.

However, this belief in the benefits of free allocation crucially hinges on the assumption that companies do not pass through the opportunity costs of their freely obtained allowances in the product prices. If they would pass through the market value of the freely obtained allowances, product prices would rise and the impacts on trade and competitiveness of a system of free allocation would be similar to that of auctioning. The only effect of free allocation would then be that companies gain windfall profits through the emission trading system and income from citizens will be transferred to business. This would be a particularly unfavourable outcome in the European context, where free allocation is presented as a solution towards carbon leakage. 

Economic theory tells us that companies will pass through the costs of the freely obtained allowances in most circumstances &amp;ndash; even if this will bring them a competitive disadvantage to producers not due to climate policies. According to economic theory, companies are profit-maximizing institutions that prefer profitability on invested capital over maintaining market shares. If passing through the opportunity costs in product prices can enhance their profitability, they will do so even if this would bring them some harm in terms of loss of market shares, as long as the additional profits do outweigh the additional costs. How much the firms will be able to pass the costs on depends on market structure and on elasticity of demand and supply. Theoretical analysis shows that typically, assuming linear demand and supply curves, the firms will be able to pass from 50% of increase in marginal costs due to the EU ETS (under the monopoly) to a 100% (under perfect competition). How much the increase in marginal costs reflects the carbon price depends on elasticity of supply and demand. Assuming non-linear demand and supply curves implies different rules and a possibility to pass on more than a 100% of additional costs due to the EU ETS. 

We have tested the hypothesis that energy intensive companies did not pass through the costs of their freely obtained allowances during Phase 1 and Phase 2 of the European emission trading system the EU ETS. The EU emissions trading scheme (EU ETS) was launched in 2005 to cap CO2 emissions from large industrial facilities and electricity producers. Covering over 10,000 installations, it is the largest international emission trading system in the world. During Phase 1 (from 2005-2007) and Phase 2 (from 2008 till 2012), allowances were issued for free to the energy intensive industries in all member countries. The question is whether the value of these free allowances have been forwarded in the price of EU products, signalling windfall profits, or that EU producers did not do that. 

This is investigated using econometric methods stemming from the concept of co-integration and market integration. The idea is that several dependencies exist between EU and non-EU markets through the prices of inputs in production processes and the prices of outputs on the various markets. If, for instance, prices of iron ores increase in Asia, they are likely to start to increase in Europe as well. This will put an upward pressure on the price of steel in both Europe and Asia. If Asian steel prices increase due to local shortages, this will also put an upward pressure on European steel prices as a larger portion of European steel will be shipped to Asia. In this system of market dependencies, it can then be investigated if the price of an emission allowance at the European ETS market is a significant variable for the variation in prices between EU and non-EU products over time. 

A standardized estimation procedure was developed (co-developed and reviewed by three independent econometricians) in order to come up with robust outcomes (and preventing data mining and spurious outcomes). This estimation procedure was subsequently applied to a few selected products from the iron and steel, refineries and (petro)-chemical industries. For these products, prices were compared between the EU and the US and it was investigated to what extent European prices were influenced by price developments on the EU ETS markets. 

The outcomes of the econometric analyses show that for most products a significant influence of the EUA prices on the European product prices can be found. For products from the refineries sectors (gasoil, diesel and gasoline) a quite direct influence can be found. Within two weeks are higher prices on the EU ETS markets translated into higher prices on the German markets for diesel and gasoline. For gasoil traded in Rotterdam an immediate price increasing effect from CO2 prices can be found. For the products of the iron and steel sectors (hot and cold rolled coil), a significant influence of CO2 prices can be found after one month, while for polyethylene, polystyrene and polyvinylchloride a delayed influence from 3-8 weeks can be found. 

The cost-pass-through rates from the econometric estimations show that for products of the refineries sector full cost-pass-through rates are likely. The econometric results even suggest that more than 100% of the costs were passed through, but this cannot be stated with certainty. For both steel varieties, the cost-pass-through was close to 100%. The same value was found for polyvinylchloride and polyethylene. For polystyrene the cost-pass-through rate was significant but much lower at 33%. 

These results cannot be directly interpreted in amount of windfall profits, as we have no information on the individual emissions stemming from producing these products. However, if the full cost-pass-through rates would prevail for all products in the refineries and iron and steel sectors, it can be calculated that the total amount of windfall profits would equal &amp;euro; 14 billion between 2005 and 2008. This implies a substantial transfer of money from consumers to the energy intensive industry. 

This research hence results in the conclusion that there is ample evidence that the energy intensive industry has passed through the prices of their freely obtained allowances during Phase 1 and Phase 2 of the EU ETS. This has generated windfall profits in these sectors. The cost price increase is identical as it would have been under an auctioning regime but without the possibility that governments would have to compensate consumers by recycling auction revenues. Politicians seem to have underestimated the potential of windfall profits in exposed sectors and have believed overall the claims of industry that additional costs cannot be passed through. The higher prices on the EU markets may have stimulated imports from non-EU producers but this was not quantitatively assessed in this study. The results, however, do point at the suggestion that free allocation falls short of its intentional goals: to prevent carbon leakage. Under free allocation both windfall profits and carbon leakage may be stimulated.]]></description>
			<pubDate>Mon, 17 May 2010 11:47:02 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Trade Exposure of Energy Intensive Sectors]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/trade_exposure_of_energy_intensive_sectors/1030</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/trade_exposure_of_energy_intensive_sectors/1030</guid>
			<description><![CDATA[In dit rapport worden de oorsprong en bestemming van handelsstromen tussen EU- en niet-EU-landen voor acht industri&amp;euml;le sectoren geanalyseerd. Door deze inzichten te combineren met een analyse van de tijdens de recente Kopenhagen-onderhandelingen gedane politieke toezeggingen, wordt een beeld verkregen van het risico van koolstoflekkage als gevolg van EU klimaatbeleid. Onze analyse laat zien dat er veel handel plaatsvindt tussen de EU en landen die klimaatbeleid reeds hebben ingevoerd. Omdat deze belangrijke handelspartners naar alle waarschijnlijkheid vergelijkbaar klimaatbeleid zullen invoeren als in de EU, zal CO2 wellicht ook in deze markten een prijs krijgen, zodat het risico van koolstoflekkage wordt verminderd of mogelijk voorkomen. Hiervoor moeten de handelsintensiteiten worden gecorrigeerd.

Wanneer de EU tot een emissiereductiedoelstelling van 30% besluit, zal handel met Australi&amp;euml;, Nieuw Zeeland, Japan, Zwitserland, Brazili&amp;euml; en Mexico moeten worden uitgesloten van de berekening van handelsintensiteiten, omdat deze landen dan vergelijkbaar klimaatbeleid zullen invoeren. In dat geval zullen de handelsintensiteiten met gemiddeld -3% moeten worden gecorrigeerd. Als de EU uiteindelijk tot een emissiereductiedoelstelling van 20% besluit, zullen de handelsstromen met Rusland, Canada en de VS ook moeten worden uitgesloten, omdat deze landen dan vergelijkbaar streng klimaatbeleid zullen gaan voeren. De gemiddelde correctie op de handelsintensiteiten zal in dat geval -8,5% zijn.

Deze resultaten hebben direct gevolg voor het toewijzingsmechanisme voor bepaalde sectoren, die dan geen gratis emissierechten meer zullen krijgen omdat ze dan niet meer worden geacht aan internationale concurrentie te zijn &amp;lsquo;blootgesteld&amp;rsquo;. Een lijst van de betreffende sectoren is in het rapport opgenomen. Tegelijkertijd zullen sectoren die als gevolg van het EU ETS vermoedelijk met grote kostenstijgingen (&amp;gt;5%) te maken krijgen nog altijd gratis emissierechten krijgen toegewezen.]]></description>
			<pubDate>Thu, 15 Apr 2010 16:28:43 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Handboek Schaduwprijzen : Waardering en weging van emissies en milieueffecten]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/handboek_schaduwprijzen_%3A_waardering_en_weging_van_emissies_en_milieueffecten/1027</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/handboek_schaduwprijzen_%3A_waardering_en_weging_van_emissies_en_milieueffecten/1027</guid>
			<description><![CDATA[In het Handboek Schaduwprijzen wordt uitgebreid ingegaan op de berekeningsmethodiek en toepassing van schaduwprijzen en de daarvan afgeleide weegfactoren voor individuele milieuthema&amp;rsquo;s. Daarmee is dit Handboek een nuttig wetenschappelijke achtergronddocument, waarin relevante factoren, methodologische keuzes en te hanteren aannames voor het bepalen van schaduwprijzen en weegfactoren expliciet worden benoemd. 

Tevens worden twee datasets gepresenteerd; &amp;eacute;&amp;eacute;n op basis van preventiekosten en &amp;eacute;&amp;eacute;n op basis van schadekosten. Deze cijfers kunnen worden toegepast in tal van economische en milieukundige analyses, mits in ogenschouw wordt genomen dat het om Nederlandse gemiddelden gaat. 

Het unieke aan dit onderzoek is dat de meest recente milieukundige ontwikkelingen rondom karakterisatiefactoren en economische inzichten in waardering zijn gecombineerd tot een methodologisch consistent geheel. Hierdoor wordt zowel een bijdrage geleverd aan de literatuur rondom waardering van externe effecten, als aan de milieukundige literatuur die weegfactoren probeert te ontwikkelen.

Er is tevens een Engelstalig exemplaar van het handboek beschikbaar.]]></description>
			<pubDate>Tue, 20 Apr 2010 14:28:23 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Kostentoedeling EU ETS]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/kostentoedeling_eu_ets/1062</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/kostentoedeling_eu_ets/1062</guid>
			<description><![CDATA[Na 2012 gaat de derde Fase van het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) in die tot 2020 duurt. Nieuw in deze Fase is de Europees geharmoniseerde uitgifte van rechten waarbij per sector de rechten en de uitgiftebasis wordt vastgesteld. Ook zal een aanzienlijk groter deel van de rechten worden geveild. 

Voor Nederland betekent de derde Fase van het EU ETS dat de emissies van bedrijven die onder het EU ETS vallen in 2020 met 21% moeten zijn afgenomen ten opzichte van 2005. Dat brengt kosten voor deze bedrijven met zich mee, zoals de aankoop van rechten of het nemen van technische en organisatorische maatregelen om CO2-emissies te reduceren. Ook nemen de kosten van inputs, zoals elektriciteit, voor bedrijven toe.
Deze studie, in opdracht van het ministerie van Financi&amp;euml;n, geeft inzicht op de omvang van deze kosten en beantwoordt de vraag door wie deze kosten uiteindelijk betaald worden. Het onderzoek geeft de totale inkomenseffecten weer voor het bedrijfsleven, consumenten en de overheid. Daarbij wordt vooral naar de directe kosten en effecten gekeken. Eventuele indirecte effecten zoals veranderingen in bijvoorbeeld de afzet, de werkgelegenheid of inkomsten uit belastingen, zijn niet meegenomen in deze studie.]]></description>
			<pubDate>Thu, 04 Nov 2010 12:59:07 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Why the EU could and should adopt higher greenhouse gas reduction targets]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/why_the_eu_could_and_should_adopt_higher_greenhouse_gas_reduction_targets/1021</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/why_the_eu_could_and_should_adopt_higher_greenhouse_gas_reduction_targets/1021</guid>
			<description><![CDATA[Should the EU adopt more ambitious greenhouse gas reduction targets? Recently, from different perspectives, a large number of studies concluded that such higher emission reduction targets are desirable, feasible or necessary. This study reviews recent research and tries to answer the question how to make the EU's GHG reduction target consistent with its goal of limiting the increase in global temperature to below 2&amp;ordm; C above pre-industrial levels. The study concludes that the present target of -20% is insufficient to limit the increase in global temperatures to below 2&amp;ordm; C and falls behind the emissions pledges of other countries. The study estimates that the costs of a higher reduction target have fallen considerably due to the economic crisis. Moreover, if the current policy target of -20% is to be maintained, EU climate policies will be undermined and become inconsistent.]]></description>
			<pubDate>Thu, 08 Apr 2010 13:01:17 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Evaluatie energiebesparingsbeleid in de industrie]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/evaluatie_energiebesparingsbeleid_in_de_industrie/1186</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/evaluatie_energiebesparingsbeleid_in_de_industrie/1186</guid>
			<description><![CDATA[In opdracht van de Algemene Rekenkamer zijn door CE Delft diverse overheidsinstrumenten ge&amp;euml;valueerd voor bevordering van energiebesparing. Het gaat om beleid tussen 1995 en 2008 voor de Nederlandse industrie en energiesector. Onderzocht is wat de inzet van de instrumenten heeft gekost in financi&amp;euml;le termen en opgeleverd aan energiebesparing. Daarnaast is onderzocht of een andere vormgeving van de instrumenten een gunstigere verhouding tussen kosten en effecten zou hebben opgeleverd. Uitkomst van deze studie zijn door de Rekenkamer gebruikt voor de rapportage Energiebesparing: ambities en resultaten, die 5 oktober is aangeboden aan de Tweede Kamer. 

CE Delft concludeert dat het besparingstempo voor de grote industrie sinds de jaren '90 is afgenomen doordat het beleid minder ambitieus is geworden. In toenemende mate is er sprake geweest van overlap van beleid. 

De ge&amp;euml;valueerde instrumenten
Directe regulering:
1.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; De Wet milieubeheer (Wm).
2.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; De Europese Directive on Integrated Pollution and Prevention Control (IPPC). 
Economische instrumenten:
3.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; De brandstoffen- en energiebelastingen (BSB en (R)EB).
4.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; Het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS).
Directe subsidies:
5.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; Het Besluit subsidies energiebesparingtechnieken WKK (BSET-WKK).
6.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; De Tenderregeling Industri&amp;euml;le Energiebesparing (TIEB).
7.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; Het CO2-reductieplan.
Hoewel officieel geen onderdeel van het overheidsbeleid hebben de distributiebedrijven in het kader van de Milieu Actieplannen (MAP-2 en MAP2000) energiebesparing in de industrie direct gestimuleerd, gefinancierd middels een toeslag op de gas- en elektriciteitsprijs. 
Indirecte subsidies (fiscale regelingen):
8.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; De Energie-investeringsaftrek (EIA).
9.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; De Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL).
Convenanten:
10.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; De 1ste en 2de generatie meerjarenafspraken (MJA1 en MJA2) en Convenant Benchmarking.

Sommige van deze regelingen zijn inmiddels be&amp;euml;indigd.]]></description>
			<pubDate>Wed, 05 Oct 2011 15:42:34 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Grenzen aan groen? Bouwstenen voor een groen belastingstelsel]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/grenzen_aan_groen_bouwstenen_voor_een_groen_belastingstelsel/1015</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/grenzen_aan_groen_bouwstenen_voor_een_groen_belastingstelsel/1015</guid>
			<description><![CDATA[In dit rapport staat de vraag centraal of een verdere groei van milieubelastingen een bijdrage kan leveren aan het realiseren van een duurzame economie. Een duurzame economie betekent in het kader van dit onderzoek dat klimaat- en uitputtingsrisico&amp;rsquo;s tot een aanvaardbaar niveau moeten zijn teruggebracht voor 2050. 
De strategie om dit te bereiken bestaat uit vier belangrijke elementen:&amp;nbsp;&amp;nbsp;

    Introductie van een nieuwe CO2-heffing als onderdeel van de Energiebelasting.
    Verbreding van de Energiebelasting naar sectoren zoals landbouw en industrie en het wegnemen van fiscale subsidies en kortingen.
    Uitbreiding met nieuwe fiscale grondslagen import/productie van natuurlijke grondstoffen (hout, vis, vlees) en ruimte.
    Europese vergroeningsagenda.

Het voorgestelde pakket aan extra vergroening bestaat uit:

    verhoging van de accijns op motorbrandstoffen in combinatie met de CO2-heffing (gemiddeld neemt heffing op motorbrandstoffen met 20% toe);
    afschaffen kortingen Energiebelasting voor bedrijven door de 2de en 3de schijf gelijk te schakelen met de 1ste schijf, in combinatie met het subsidi&amp;euml;ren van energiebesparingsmaatregelen;
    bovenop de bestaande Energiebelasting wordt een CO2-afhankelijk deel van 50% ingevoerd, enerzijds om verdere energiebesparing uit te lokken, anderzijds om differentiatie aan te brengen tussen de CO2-inhoud van de verschillende energiebronnen;
    een vleesbelasting of een belasting op veevoeders die ervoor zorgt dat de schadelijke effecten van vlees, veelal buiten Nederland, in rekening worden gebracht bij de Nederlandse consument;
    afschaffen fiscale vrijstelling zoals die voor rode diesel en EB-kortingen voor de glastuinbouw en industrie;
    een belasting op het onttrekken van open ruimte.

Opbrengsten
Met een ambitieus pakket aan Nederlandse vergroening is 20% aan groene belasting-inkomsten haalbaar, overeenkomend met 5% van het Bruto Binnenlands Product. De 5% is in lijn met wat internationale studies verwachten aan de fiscale houdbaarheid van een groen belastingstelsel. Voor deze vergroening is Europese co&amp;ouml;rdinatie niet vereist. Bij die 20% groene belastinginkomsten is rekening gehouden met het effect dat besparingen leiden tot minder belastinginkomsten. Met dit pakket kan een extra vergroening worden gerealiseerd van circa 8 miljard &amp;euro; bovenop het bestaande groene inkomsten van 19 miljard &amp;euro;. Het aandeel groene belastingen stijgt van 14 nu naar circa 20%. De opbrengsten kunnen teruggesluisd worden in de vorm van een verlaging van de belasting op winst of arbeid, waarbij als aanvullende optie gedacht kan worden aan het stimuleren van energiebesparing bij doelgroepen.]]></description>
			<pubDate>Wed, 22 Sep 2010 08:41:29 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Effecten van kilometerbeprijzing op het bbp]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/effecten_van_kilometerbeprijzing_op_het_bbp/1014</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/effecten_van_kilometerbeprijzing_op_het_bbp/1014</guid>
			<description><![CDATA[Onderzoek door SEO Economisch Onderzoek, Atlas voor Gemeenten en CE Delft naar de effecten van kilometerbeprijzing op het bruto binnenlands product (bbp). De effecten van een kilometerprijs op het bbp hebben bij eerdere onderzoeken weinig aandacht gekregen. De effecten van kilometerbeprijzing op het bbp zijn onder meer interessant, omdat - mocht zich dit voordoen - een positief effect van kilometerbeprijzing op het bbp, een positief effect op de overheidsfinanci&amp;euml;n kan hebben.]]></description>
			<pubDate>Wed, 10 Mar 2010 07:44:01 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[A Global Maritime Emissions Trading System]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/a_global_maritime_emissions_trading_system/1024</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/a_global_maritime_emissions_trading_system/1024</guid>
			<description><![CDATA[This report designs a global cap-and-trade scheme for maritime transport and assesses its impacts on the shipping sector, regions and groups of countries.
&amp;nbsp;
It shows that it is feasible to implement a cap-and-trade scheme for greenhouse gas emissions in the maritime transport sector. Such a scheme ensures that the environmental target is met, while allowing the sector to grow and ensuring that the target is met in the most cost-effective way. An emissions trading scheme would result in an increase in the costs of shipping of less than 10%, depending on the price of allowances. The increase in import values is likely to be less than 1% for most commodity groups, and the impact on consumer prices even lower. 

Using new data on emissions of ships sailing to regions and country groups, this report demonstrates that the additional costs of imports for most regions and country groups are estimated to be less than 0.2% of GDP, with a few exceptions. 

This report demonstrates that it is possible to compensate developing countries for the increased costs of imports by using approximately two thirds of the revenues of the auction. The remainder of the revenues can be used for other aims, such as R&amp;amp;D into fuel-efficiency of ships. 

The study has been written by a consortium comprising CE Delft, DLR and Fearnley Consultants.]]></description>
			<pubDate>Thu, 18 Mar 2010 16:16:01 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Second Opinion MKBA Bochtafsnijding Schie]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/second_opinion_mkba_bochtafsnijding_schie/1004</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/second_opinion_mkba_bochtafsnijding_schie/1004</guid>
			<description><![CDATA[In opdracht van de Provincie Zuid-Holland is door economisch onderzoeksbureau NEA een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) uitgevoerd van de Bochtafsnijding Schie (NEA, Maatschappelijke Kosten-Batenanalyse Bochtafsnijding Schie, 2008). De effecten van de bochtafsnijding worden hierin afgezet tegen het nulalternatief: handhaven huidige situatie en uitvoeren van groot onderhoud. Op verzoek van de (Vereniging Tegen Milieubederf (VTM) en het Overschiese Bewonersinitiatief heeft CE Delft een second opinion uitgevoerd van deze studie. Een conclusie is dat onvoldoende aangetoond is of de Hoge Brug noodzakelijk is om de schaalvergroting en groei van goederenvervoer over de Schie mogelijk te maken. 

]]></description>
			<pubDate>Wed, 10 Mar 2010 07:45:17 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Resource productivity,  competitiveness and  environmental policies ]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/resource_productivity%2C__competitiveness_and__environmental_policies_/1008</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/resource_productivity%2C__competitiveness_and__environmental_policies_/1008</guid>
			<description><![CDATA[The use and consumption of natural resources (like materials, energy and land) put an increasing burden on the environment. This recently has gained significant interest in scientific and political discussions. Resource productivity is often presented as a strategy to lower resource consumption and the environmental impacts while maintaining our wealth. 

It is often said that policies aimed at improvements of resource productivity are a win-win situation: they could both enhance the environment and the economy. The environmental improvements occur because saving on resources in the end implies less emissions and waste. The economic improvements occur because saving on resources simply would save money. Business normally tends to overlook profitable saving options, in this view, and resource productivity policies could help business in internalizing them. 

In this research we investigate the potential use of resource productivity as theme in environmental policy. We investigate various market failures that may form an argument for governmental policies. We also investigated the claim that resource productivity could enhance competitiveness of firms and thereby result in a win-win situation. We do this by referring to the literature on the Porter hypothesis and present empirical analysis on the relationship between energy productivity and income. Finally we address the use of economic instruments that can help to circumvent some of the lack of progress on increased resource productivity. ]]></description>
			<pubDate>Wed, 17 Feb 2010 10:18:17 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Impacts on Dutch industry from sharpening the EU CO2 target from -20 to -30%]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/impacts_on_dutch_industry_from_sharpening_the_eu_co2_target_from_-20_to_-30%25/1020</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/impacts_on_dutch_industry_from_sharpening_the_eu_co2_target_from_-20_to_-30%25/1020</guid>
			<description><![CDATA[This study presents an analysis into the consequences of the costs for industry in the Netherlands of moving within the EU from a CO2 reduction target of -20 to -30%. Three scenarios have been formulated with respect to the input of CDM and the associated price developments in the EU ETS market. In these scenarios the impacts of the financial crisis have been taken into account. These three scenarios have been analyzed with respect to the potential costs for industry of complying with EU ETS. We distinguished both the direct costs of complying with EU ETS and the costs of increased electricity-inputs. It appears that the highest additional cost increases occur for the cement industry, the aluminum industry and the inorganic chemicals. These sectors have little opportunities to reduce emissions or electricity demand. The aluminium and inorganic chemical industry mainly suffer from the higher electricity prices, while the cement sector will be a net buyer of allowances. Some sectors, e.g. refineries and fertilizer, may profit from the more strict emission regime as they have opportunities to reduce their emissions at lower costs and become net sellers of emission credits. The costs presented here are gross cost price increases. However, part of these costs will be passed on to the consumers - this has not been taken into account in this study. Earlier research indicated that about half of the additional costs of EU ETS may be passed on to the consumers. . 
&amp;nbsp;
The total sum of costs were estimated at 0.4 billion annually in 2020 under the -20% target (less than 0.1% of GDP). For the target of -30% and no additional use of CDM, these costs will increase to about 0.2% of GDP.&amp;nbsp; Hence additional costs of more ambitious targets are estimated to be low.]]></description>
			<pubDate>Tue, 27 Apr 2010 10:29:24 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Environmental Impact of the use of Natural Resources and Products ]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/environmental_impact_of_the_use_of_natural_resources_and_products_/989</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/environmental_impact_of_the_use_of_natural_resources_and_products_/989</guid>
			<description><![CDATA[A key issue in European policies on resources and products, is the development of an aggregated impact indicator to measure decoupling: an indicator that is expected to show the impact of environmental pressures related to resource use and economic development on the state of the environment in an aggregated manner. In this study, various indicators have been assessed and recommendations are made for the use of such an aggregated environmental impact indicator, or set of indicators, at the Eurostat Datacenter for Natural Resources. 

The indicator assessment included the following indicators: HANPP (Human Appropriation of Net Primary Production), EF (Ecological Footprint), DMC (Domestic Material Consumption), EMC (Environmentally weighed Material Consumption) and EE-IO (Environmentally Extended Input Output) derived indicators. 

To be used in a general decoupling context, the indicators should be (1) encompassing with regard to the economic system, (2) encompassing with regard to environmental impacts or pressure, and (3) include foreign impacts that are related to consumption within EU. This was tested in a number of hypothetical case studies. 

The conclusion from this exercise is, that none of the indicators appears to be the ideal decoupling indicator. All have their own strenghts and weaknesses, but also their own potential niche of useful policy supporting application. 

HANPP and EF are both rather limited in their scope and are therefore less suitable as general decoupling indicators. The other three are more encompassing. For a policy on resources, it is important to have the resources and resource flows visible in the indicator. Resource flows themselves are captured in the DMC or TMC indicator, based on MFA accounts. The EMC seems most suitable to add the environmental dimension. By using these two indicators, the &amp;quot;double decoupling&amp;quot; of the Resource Strategy can be made measurable. A combination could be considered of EMC and EF, taking strong points out of either. The EF then could supply the land use data and the EMC the emissions, including CO2. 

A product policy could benefit clearly from an EE IO approach. This may be the only way to get a perspective on all combined products in a national economy. A product policy obviously should be supplemented by product studies for priority product groups based on detailed LCAs. Without these, it would not be possible to do eco-labelling or provide guidelines for product design &amp;ndash; be it ecodesign, design for recycling or otherwise. However, the individual products are too numerous to keep track of all of them: instead of roughly a hundred materials, there are tens of thousands of different products to keep track of. A certain amount of aggregation therefore is inevitable, and to do this via EE-IO seems a sensible road to take.]]></description>
			<pubDate>Fri, 18 Dec 2009 09:43:46 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Werkgelegenheid door kernenergie ]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/werkgelegenheid_door_kernenergie_/945</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/werkgelegenheid_door_kernenergie_/945</guid>
			<description><![CDATA[Op verzoek van Greenpeace Nederland heeft CE Delft onderzocht wat de directe werkgelegenheidseffecten zijn van de bouw en het bedrijven van een nieuwe kerncentrale in Zeeland. Hoewel een onderzoek naar alleen de directe werkgelegenheid slechts een beperkt beeld geeft van de situatie, geeft het wel een indicatie van wat er te verwachten valt, indien de plannen doorgang vinden. 
Een literatuurstudie van werkgelegenheidsonderzoeken uit de VS en Europa dient als basis van dit onderzoek. Aan de hand van deze onderzoeken is een inschatting gemaakt van de werkgelegenheid die wordt gecre&amp;euml;erd bij de bouw van een 1.600 MW kerncentrale en de operatiefase daarvan. Hierbij is in kaart gebracht wat de belangrijkste aspecten van een kerncentrale zijn voor het cre&amp;euml;ren van werkgelegenheid. De literatuurstudie laat zien dat bij de bouw gemiddeld 1.500 directe arbeidsplaatsen op de bouwplaats worden gecre&amp;euml;erd gedurende vijf jaar, met piekaantallen van tussen de 2.500 tot 3.000. In de operatiefase bedraagt dit 500 per centrale. 
Aan de hand van de belangrijkste aspecten voor werkgelegenheid bij een kerncentrale (nucleaire ervaring, internationale bouwconsortia, internationale aanbesteding) en een vergelijking met huidige Nederlandse bouwprojecten in de energiesector, is een vertaling gemaakt naar de werkgelegenheid die redelijkerwijs toe te kennen is aan Nederland in het geheel en Zeeland in het bijzonder. Hierbij is onder andere gekeken naar typen functies, opleidingsniveau, locale arbeidsmarkt en de huidige mogelijkheden in Nederland. Het onderzoek concludeert dat redelijkerwijs mag worden aangenomen dat bij de bouw van een kerncentrale de ondergrens van de piek van de directe werkgelegenheid voor Zeeland zal liggen rond de 120-150 arbeidsplaatsen. Deze werkgelegenheid is van tijdelijke aard (gedurende de bouw van de centrale). Een permanente, directe werkgelegenheid wordt gecre&amp;euml;erd tijdens de operatiefase. Deze wordt ingeschat op 150 arbeidsplaatsen.]]></description>
			<pubDate>Tue, 29 Sep 2009 15:39:21 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Compensatie nertsenfokkerij]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/compensatie_nertsenfokkerij/938</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/compensatie_nertsenfokkerij/938</guid>
			<description><![CDATA[De Tweede Kamer overweegt een verbod in te stellen op de pelsdierhouderij per 17 januari 2018. Een belangrijke vraag daarbij is in hoeverre de nertsenfokkers gecompenseerd zouden moeten worden voor de schade die optreedt door dit verbod. De afgelopen maanden zijn er zowel van het LEI, CE Delft als Deloitte studies verschenen waarin de economische kosten worden geschat waarmee nertsenhouders geconfronteerd zouden worden als de Tweede Kamer besluit nertsenfokkerijen te verbieden. De opzet en resultaten van deze studies lopen nogal uiteen: 

Deze notitie gaat in op de meest relevante verschillen tussen de drie studies en geeft aan welke aannames en methoden vanuit een economisch perspectief op compensatie te rechtvaardigen zijn1. De focus ligt hierbij op hoofdthema&amp;rsquo;s uit de discussie. De opdrachtgever van deze notitie, Bont voor Dieren, hoopt hiermee ertoe bij te dragen dat de besluitvorming in de Tweede en Eerste Kamer weloverwogen kan plaatsnemen. 

De volgende vragen zijn beantwoord:

    Hoe ontstaat het verschil in economische schade tussen de drie rapporten?
    Is de bepaling van economische schade arbitrair?
    Moet compensatie worden gerelateerd aan de omvang van de economische schade?
    Hoe functioneert de nertsensector als er een overgangsperiode wordt gehanteerd?
    Wat gebeurt er met dierenwelzijn als de sector wordt afgebouwd?
    Heeft de nertsenhouder toekomstperspectief zonder zijn nertsenfarm?
    Wat zijn de gevolgen van een verbod op de pensioenvoorziening van de ondernemers?
]]></description>
			<pubDate>Fri, 28 Aug 2009 13:31:21 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Effecten en uitwerking van een Energiebesparingsfonds]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/effecten_en_uitwerking_van_een_energiebesparingsfonds/944</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/effecten_en_uitwerking_van_een_energiebesparingsfonds/944</guid>
			<description><![CDATA[Dit rapport, geschreven in opdracht van het ministerie van VROM/WWI, biedt inzicht in de opties om via een Energiebesparingsfonds investeringen in energiezuinigheid te stimuleren, specifiek voor particuliere woningeigenaren en de utiliteitsbouw. Er is gekeken naar de kosten en effecten van energiebesparende maatregelen en (financi&amp;euml;le) barri&amp;egrave;res die toepassing van deze maatregelen momenteel in de weg staan. Daarna zijn diverse stimuleringsopties ge&amp;euml;valueerd die deze belemmeringen weg zouden kunnen nemen. Het gaat daarbij om garantstelling door de overheid, een rentesubsidie, een beperkte investeringssubsidie en hybride varianten. De optie 'energielening met garantstelling' is vervolgens nader uitgewerkt.

Een van de eindconclusies van het rapport is dat de toegang tot en de betaalbaarheid van leningen een noodzakelijke, doch geen voldoende, randvoorwaarde vormt voor het realiseren van een aanzienlijke vermindering van de CO2-uitstoot en daarmee een verbetering van de woon- en leefomgeving. Het verdient daarom de aanbeveling ook op andere fronten een serieuze inspanning te leveren zodat gebrek aan kennis, urgentiegevoel en de weerstanden bij woningbezitters kunnen worden weggenomen. Starters en tweede eigenaren die tot de lagere en middeninkomens binnen het koopsegment behoren, zijn daarbij een belangrijke doelgroep.

Inmiddels is er politieke overeenstemming bereikt over de vormgeving van een garantieregeling voor energiekredieten. De regeling zal deze maand in de Staatscourant gepubliceerd worden.]]></description>
			<pubDate>Mon, 13 Jul 2009 10:58:48 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Evaluatie klimaatstandaarden]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/evaluatie_klimaatstandaarden/884</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/evaluatie_klimaatstandaarden/884</guid>
			<description><![CDATA[E&amp;eacute;n van de manieren waarop de overheid aan klimaatcompensatie kan doen is de aankoop van vrijwillige emissie reducties (VER credits). Het is daarbij van belang dat de betrouwbaarheid van deze credits gewaarborgd is. De minister van VROM heeft dan ook aan de Tweede Kamer toegezegd minimale kwaliteitseisen te zullen ontwikkelen voor toekomstige aanbestedingen op dit gebied. Het ministerie van VROM heeft aan Arcadis en CE Delft gevraagd onderzoek hiernaar te doen. 

In de VER markt zijn tal van standaarden voor de aangeboden VER credits. Er zijn twee criteria waaraan een standaard minimaal zou moeten voldoen om de geloofwaardigheid van emissiereducties te garanderen. Ten eerste moet de kwaliteit van auditors gecontroleerd worden. Deze auditors beoordelen projectvoorstellen, op basis waarvan besloten wordt of een bepaald project VER credits toegekend krijgt en, zo ja, hoeveel. Ten tweede moeten projecten getest worden op additionaliteit. Het gaat dan om de zekerstelling dat de CO2-reductie zonder extra investering in VER credits niet had plaatsgevonden. Uit een eerste (desk) inventarisatie van VER-standaarden blijkt dat alleen de Gold Standard gelijkwaardig scoort ten opzichte van CDM(1). Gold Standard controleert de validatie- (en verificatie) rapporten van auditors en de gehanteerde additionaliteitstesten zijn gelijkwaardig aan of zelfs strikter dan de toetsen van het CDM. Vooralsnog komen alleen projecten op het gebied van hernieuwbare energie en energie efficiency in aanmerking voor het predicaat Gold Standard. 

Op verzoek van het ministerie van VROM besteedt het onderzoek specifiek aandacht aan land- en bosbouwprojecten (LULUCF) en projecten waarbij de emissiereductie pas in de toekomst wordt gegenereerd (futures). De vraag is in hoeverre het wenselijk is als de rijksoverheid met publieke middelen investeert in dergelijke projecten. 

Wat betreft LULUCF-projecten, erkennen Arcadis en CE Delft enerzijds dat financi&amp;euml;le prikkels een cruciale rol spelen bij het in stand houden van bosrijke gebieden wereldwijd. De overheid zou hier, via de aankoop van VER credits, ook een bijdrage aan kunnen leveren. Door het toekennen van credits ontvangen landeigenaren een geldelijke beloning voor bebossing/herbebossing en het voorkomen van ontbossing. Anderzijds zijn er een aantal valide kanttekeningen te plaatsen bij LULUCF-projecten, zoals het risico op tijdelijke emissiereducties, koolstoflekkage en uitgifte van credits voor niet additionele projecten. Om de kwaliteit van emissiereducties te waarborgen adviseert CE Delft de rijksoverheid dan ook alleen die LULUCF-credits aan te schaffen die door de CDM Executive Board zijn gecertificeerd. Deze standaard eist dat credits op termijn vervangen worden om zo permanente CO2-reductie te garanderen. Hierbij gaat het voorlopig alleen om bebossing, want het voorkomen van ontbossing wordt nog niet internationaal geaccepteerd en niet door CDM gecertificeerd.

Tenslotte bevelen Arcadis en CE Delft de rijksoverheid aan geen futures te kopen omdat het risico bestaat dat projecten onverhoopt geen of lagere emissiereducties leveren terwijl daar al wel voor is betaald. Ook is het in de communicatie lastig uit te leggen dat de overheid aan klimaatcompensatie doet, terwijl deze compensatie op dat moment nog niet daadwerkelijk gerealiseerd is.

(1) CDM is als referentie genomen omdat dit systeem zijn grondslagen vindt in het Kyoto Protocol, inmiddels een groot marktaandeel heeft en met vele procedurele waarborgen is omgeven waarmee inmiddels veel ervaring is opgedaan.]]></description>
			<pubDate>Mon, 19 Oct 2009 15:16:20 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Peer review LEI-rapport sanering nertsenfokkerij]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/peer_review_lei-rapport_sanering_nertsenfokkerij/871</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/peer_review_lei-rapport_sanering_nertsenfokkerij/871</guid>
			<description><![CDATA[In opdracht van minister Verburg (LNV) heeft het Landbouw Economisch Instituut (LEI) een inschatting gemaakt van de financi&amp;euml;le compensatie die de sector geboden zou moeten worden wanneer er een verbod op nertsenhouderijen wordt ingesteld. Deze berekening is opgenomen in de notitie &amp;rsquo;Sanering nertsenhouderij in Nederland: een actualisatie&amp;rsquo; (LEI, 2008). Het LEI becijfert daarin de totale schade als de som van vermogensschade, inkomensschade en sloopkosten bij twee beleidsscenario&amp;rsquo;s: (1) een direct verbod en (2) een geleidelijke afbouw van de sector in tien tot vijftien jaar. Bont voor Dieren heeft aan CE Delft gevraagd om een peer review op hoofdlijnen uit te voeren. Naar onze mening overschat het LEI het bedrag dat nodig is om de sector te compenseren voor de geleden schade als gevolg van het nertsenverbod onder beide scenario&amp;rsquo;s. Bij het &amp;lsquo;directe afbouw&amp;rsquo;-scenario ligt onze kosteninschatting minimaal 23% lager dan die van het LEI: 490,8 miljoen Euro t.o.v. 638,5 miljoen Euro. Dit verschil wordt vooral veroorzaakt doordat het LEI opportuniteitskosten van arbeid negeert, de overheid onterecht ook gedeeltelijk een vergoeding laat betalen voor het ondernemingsrisico en de vermogenseffecten en sloopkosten overschat. De herberekende schadevergoeding van 490,8 miljoen Euro dient zelfs als een maximum (&amp;lsquo;worst case&amp;rsquo;)scenario te worden beschouwd. Er zijn nog een aantal cruciale parameters in verwerkt waarvan wij vermoeden dat het LEI deze te hoog heeft ingeschat. Wij beschikken echter niet over de microdata (van het LEI) om betrouwbare alternatieve waarden te presenteren. Gevoeligheidsanalyse toont aan dat als we een 10% prijsdaling in pelzen veronderstellen en een halvering van de huidige boekwaarden van de activa, de benodigde compensatie 373 miljoen Euro zou bedragen. Met name bij het &amp;lsquo;geleidelijke afbouw&amp;rsquo;-scenario zijn de verschillen tussen beide berekeningen aanzienlijk. Bij overgangstermijnen van tien en vijftien jaar komt het LEI op compensatiebedragen van 535.6 respectievelijk 508,4 miljoen Euro. Uit onze herberekening komen schadevergoedingen van 16,5 en 5,6 miljoen Euro. Dit verschil komt vooral omdat het LEI er, volgens ons, onterecht vanuit gaat dat er inkomens- en vermogenschade optreedt die gecompenseerd dient te worden. De ondernemers hebben echter ruim de tijd om hun bedrijfsvoering aan te passen aan het naderende verbod, i.e. omschakeling naar andere activiteiten/andere baan en een stop op investeringen die zich niet meer terugverdienen binnen de overgangsperiode (m.u.v. de verplichte welzijnsinvesteringen). Eventueel kan de overheid wel een omscholing- en/of investeringssubsidie geven om de ondernemers bij dit proces te helpen.]]></description>
			<pubDate>Tue, 31 Mar 2009 13:10:30 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Nader onderzoek duurzaamheidsaspecten buisleidingen]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/nader_onderzoek_duurzaamheidsaspecten_buisleidingen/933</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/nader_onderzoek_duurzaamheidsaspecten_buisleidingen/933</guid>
			<description><![CDATA[





De Rijksoverheid wil in de structuurvisie buisleidingen aangeven op welke wijze het beleid ten aanzien van buisleidingen vormgegeven moet worden en welke rol de overheid daarbij zal moeten spelen. Een van de aspecten die daarbij een rol speelt is de duurzaamheid van het transport via een buis.
In dit onderzoek wordt ingegaan op de kosten en de baten van de buisleidingen. Daarbij kijken we naar de economische en maatschappelijke kosten en baten. Het onderzoek bestond uit twee delen: een evaluatie van vier buisleidingprojecten die net wel of net niet zijn doorgegaan; een beperkte maatschappelijke kosten- batenanalyse (MKBA) uitgevoerd van de casus transport LPG van Vlissingen naar Kijfhoek. 
De directe kosten voor het aanleggen van een buisleiding voor LPG zijn zodanig veel hoger dan de kosten voor transport via het spoor, dat niet mag worden aangenomen dat een private partij deze voor zijn rekening zal nemen.
Dit betekent niet dat de overheid in veel gevallen de financiering moet ondersteunen. In het geval van LPG is maatschappelijk voordeel in de vorm van verminderde risicocontouren duidelijk te verwachten Dit zal waarschijnlijk niet vaak optreden. Wellicht zal dit bij het toekomstige transport van waterstof nog kunnen voorkomen, maar veel meer stofstromen zijn niet denkbaar.



]]></description>
			<pubDate>Tue, 01 Mar 2011 15:25:58 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Emissiehandel en normering van het brandstofverbruik in het wegverkeer, Een analyse van de voordelen van een combinatie van maatregelen]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/emissiehandel_en_normering_van_het_brandstofverbruik_in_het_wegverkeer%2C_een_analyse_van_de_voordelen_van_een_combinatie_van_maatregelen/853</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/emissiehandel_en_normering_van_het_brandstofverbruik_in_het_wegverkeer%2C_een_analyse_van_de_voordelen_van_een_combinatie_van_maatregelen/853</guid>
			<description><![CDATA[Waar andere sectoren er wel in slaagden hun CO2-uitstoot terug te brengen, zijn de emissies van het wegverkeer de afgelopen decennia alleen maar toegenomen. Reden voor het Zweedse agentschap voor bescherming van het milieu (Naturv&aring;rdsverket) om CE Delft de opdracht te geven onderzoek te doen naar een mogelijke oplossing voor dit probleem. 
CE Delft onderzocht hiervoor de voor- en nadelen van emissiehandel rond wegverkeer, en de voor- en nadelen van combinatie van dit beleidsinstrument met normering voor CO2-uitstoot van personenauto’s. Uit de resultaten, blijkt dat een gecombineerde inzet van beide methoden veel voordeel oplevert. Als de twee methoden gezamenlijk worden ingezet, heffen ze elkaars nadelen op. Zo leidt normering voor CO2-uitstoot van personenauto’s niet tot een beperking van de totale uitstoot. Wel zorgt deze maatregel voor een sterke stimulans om zuinige auto’s te kopen. Met emissiehandel komt er wel een plafond op de totale uitstoot. Als deze methodiek echter als enig instrument zou worden ingezet, blijft die prikkel om zuinige voertuigen aan te schaffen uit, terwijl hier veel winst te behalen is. 

]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Competitiveness issues for Dutch aviation from EU ETS]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/competitiveness_issues_for_dutch_aviation_from_eu_ets/926</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/competitiveness_issues_for_dutch_aviation_from_eu_ets/926</guid>
			<description><![CDATA[This report analyses the impact of aviation&amp;rsquo;s inclusion in the EU ETS on the competitiveness of EU airlines. It specifically addresses the risk of carbon leakage due to auctioning of allowances. 

The main findings are:

    Airlines are unlikely to reap windfall profits from the inclusion in the EU ETS.
    All airlines are likely to be able to pass on the costs associated with emissions trading to their customers in most markets.
    Consequently, the competitiveness of EU airlines is unlikely to change in these markets.
    However, on long haul routes where an alternative routing via a non-EU hub exists, not all the costs may be passed through.
    Consequently, on these markets EU airlines may see their competitiveness deteriorate as levels of auctioning or allowances prices increase.
    For Dutch aviation, the cost price increase of full auctioning is 2.5%.
    At least 80% of this increase can be passed through to consumers. 
    
]]></description>
			<pubDate>Tue, 07 Apr 2009 16:06:57 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Beleving en MKBA in het geluidsbeleid]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/beleving_en_mkba_in_het_geluidsbeleid/839</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/beleving_en_mkba_in_het_geluidsbeleid/839</guid>
			<description><![CDATA[Het Ministerie van Verkeer en Waterstaat bereidt nieuwe regelgeving voor, om de bescherming van burgers tegen verkeersgeluid beter te kunnen garanderen. Om een verdere toename van de geluidshinder te voorkomen zullen zogenaamde geluidsproductieplafonds worden ingevoerd. Deze dienen ervoor te zorgen dat de geluidsproductie niet ongebreideld toeneemt, bijvoorbeeld door de autonome groei van het verkeer. Daarnaast staat het ministerie van Verkeer en Waterstaat voor een grote saneringsoperatie waarbij de hoogste geluidsbelastingen zullen worden weggenomen.   Tegen de achtergrond van deze beleidsintensivering heeft het Ministerie van Verkeer en Waterstaat aan CE Delft gevraagd om te onderzoeken of de aanpak van de geluidproblematiek in het beleid optimaal is vanuit de beleving van geluidshinder &amp;eacute;n vanuit een afweging van kosten-baten.   Op basis van de resultaten kunnen we concluderen dat het voorgenomen beleid enerzijds als solide en economisch verstandig onderbouwd kan worden, en vanuit beleving een hogere waardering verdient dan het oude beleid. Anderzijds zijn er nog verschillende aandachtspunten geformuleerd, waaronder de inspraakprocedures en eenzelfde manier van aandacht en beleidsontwikkeling voor geluid veroorzaakt door binnenstedelijk verkeer.]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 11:21:46 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Maatschappelijke effecten vermindering luchtverontreiniging]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/maatschappelijke_effecten_vermindering_luchtverontreiniging/843</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/maatschappelijke_effecten_vermindering_luchtverontreiniging/843</guid>
			<description><![CDATA[De NEC-richtlijn, de Europese richtlijn waarin voor alle lidstaten een emissieplafond voor verschillende luchtverontreinigende stoffen worden gesteld, staat op het punt om aangepast te worden. In dit rapport beschrijven we de resultaten van een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) van mogelijke nieuwe NEC-doelen voor 2020. In deze studie wordt rekening gehouden met de gevolgen van het intensiveren van het Nederlandse klimaatbeleid voor de emissies van NEC-stoffen. Reeds vastgestelde beleidsmaatregelen worden in het nulalternatief meegenomen. Dit onderzoek is bedoeld als nadere input bij het bepalen van de Nederlandse positie in de onderhandelingen binnen de EU over de hoogte van de plafonds.   De contante waarde van alle geprijsde effecten bedraagt circa 1,7 miljard Euro negatief. De contante waarde van de externe effecten is 5,2 miljard Euro in het projectalternatief, waarbij de natuurbaten op PM zijn gezet. De voornaamste bijdrage aan de baten wordt gevormd door afnemende mortaliteit door blootstelling aan fijn stof. Het gaat om zowel primair fijn stof als om secundair fijn stof, hetgeen impliceert dat deze baten ook afhankelijk zijn van de emissiereducties van NH3, NOx en SO2. Ook chronische bronchitis en ziektedagen (dagen met beperkte activiteit) als gevolg van fijn stof speelt een rol van betekenis bij de MKBA. De overige effecten dragen in slechts zeer beperkte mate bij aan de resultaten van de MKBA.  Een vergelijking van de verdisconteerde kosten met de baten laat zien dat aanscherping van de NEC-doelen een effici&amp;euml;nt beleid is: de baten zijn met  3,5 miljard Euro beduidend groter dan de kosten. Deze conclusie blijft overeind als we de waardering van gezondheidseffecten door verbetering van de luchtkwaliteit lager inschatten (dan gebruikelijk is). De baten pakken nog positiever uit als ook de impacts op natuur en ecosystemen worden meegenomen. In een tentatieve analyse laten we zien dat in deze studie de natuurbaten kunnen oplopen tot ongeveer 20% van de gezondheidsbaten.   De kosten van aanscherping van de NEC-doelen zijn verdeeld over de verschillende sectoren, maar lijken maatschappelijk gedragen te kunnen worden. Voor het grootste deel kunnen de kosten uiteindelijk worden doorberekend aan de burger. De baten van de NEC-doelen slaan neer bij alle burgers die profiteren van een schonere lucht. De baten in Nederland komen voor een belangrijk deel door maatregelen in de Nederlandse landbouwsector die NH3 en tegelijkertijd primair fijn stof reduceren, alsmede de maatregelen die in het buitenland worden getroffen ter vermindering van fijn stof.]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 11:05:33 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Impacts on Competitiveness from EU ETS]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/impacts_on_competitiveness_from_eu_ets/836</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/impacts_on_competitiveness_from_eu_ets/836</guid>
			<description><![CDATA[Het Europese emissiehandelssysteem (ETS) is in 2005 gelanceerd om de CO2-emissies van grote industri&amp;euml;le installaties te maximeren. De Commissie stelt momenteel het EU ETS post-2012 systeem vast, zoals in COM(2008)16 (EC, 2008) in grote lijnen is geschetst. Nieuw in dit systeem is dat een groter deel van de rechten zal worden geveild. Het veilen van emissierechten waarborgt in zijn algemeenheid een grotere mate van efficiency dan (bepaalde vormen van) vrije allocatie, vermindert de administratieve kosten en voorkomt eventuele oneigenlijke winstvorming (windfall profits).   Het veilen van rechten kan echter ook leiden tot een potentieel verlies aan concurrentievermogen voor de industrie. Zeker als er geen mondiaal klimaatakkoord tot stand komt zijn bedrijven niet altijd in staat om hogere kosten aan hun klanten door te berekenen en kan er sprake zijn van een verlies aan rendement en de dreiging van importsubstitutie. Een verplaatsing van de productie naar landen die geen CO2-doelen kennen resulteert in een wereldwijde toename van de CO2-emissies. Dit fenomeen wordt wel een koolstoflek (carbon leakage) genoemd. Om een koolstoflek te voorkomen, heeft de Commissie voorgesteld kwetsbare sectoren vrij te stellen van de veilingplicht en hun op basis van een benchmark vrijelijk rechten toe te wijzen. Het belangrijkste criterium hierbij is een aanzienlijk verlies aan concurrentievermogen, op grond waarvan wordt besloten of bepaalde sectoren veilingplichtig zijn of in aanmerking komen voor vrije allocatie.  In deze studie is onderzocht welke sectoren binnen de Nederlandse economie bij een veilingsysteem mogelijk te maken krijgen met een verlies aan concurrentievermogen. Het concurrentievermogen wordt be&amp;iuml;nvloed door de combinatie van aanzienlijke potenti&amp;euml;le kostprijsstijgingen en wezenlijke import- en exportstromen van en naar landen zonder vergelijkbaar klimaatregime. Het lijkt erop dat vooral in de sectoren aluminium, kunstmest, ijzer en staal, anorganische en andere basischemicali&amp;euml;n, relatief hoge prijsstijgingen te verwachten zijn, die mogelijk niet volledig aan de klanten kunnen worden doorberekend. Het rendement in deze sectoren kan afnemen en de kans op koolstoflekken neemt toe.   Wat betreft de impact op de nationale economie (d.w.z. het BNP) zijn de gevolgen echter waarschijnlijk gering. De directe kosten van het voldoen aan EU ETS bedragen 0,2% van het BBP bij een CO2-prijs van &amp;euro; 20/ton. De industrie zal deze kosten gemiddeld voor ongeveer de helft kunnen doorberekenen aan de afnemers. Verslechtering van de marktpositie kan optreden in sectoren met hoge kosten en weinig mogelijkheden tot doorberekening, maar deze sectoren zijn - met uitzondering van de ijzer- en staalindustrie - relatief klein (in totaal circa 1,15% van het BNP). Daarnaast zullen, indien het internationale klimaatbeleid tot het jaar 2020 ertoe leidt dat meer landen instemmen met bindende reductietargets, de gevolgen voor het concurrentievermogen kleiner zijn dan die welke hier zijn geanalyseerd.]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 11:04:33 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Analyse progressieve BPM afhankelijk van absolute CO2]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/analyse_progressieve_bpm_afhankelijk_van_absolute_co2/808</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/analyse_progressieve_bpm_afhankelijk_van_absolute_co2/808</guid>
			<description><![CDATA[In opdracht van het ministerie van Financi&amp;euml;n is door CE Delft onderzocht wat de CO2-effecten zijn van omzetting van de BPM van de huidige cataloguswaarde naar een CO2-systematiek waarbij de CO2-toeslag progressief afhangt van de CO2-emissies van de nieuw aan te schaffen personenauto.  Deze variant is vergeleken met de effectiviteit van de twee BPM-varianten uit het onderzoek &amp;lsquo;fiscale vergroening&amp;rsquo; (differentiatie van de BPM naar absolute CO2-uitstoot en de BPM gebaseerd op CO2-grondslag) en de huidige BPM gebaseerd op energielabels (tarieven 2008).]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 11:03:11 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Fiscale vergroening]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/fiscale_vergroening/806</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/fiscale_vergroening/806</guid>
			<description><![CDATA[In opdracht van VROM heeft CE Delft in het kader van het Belastingplan 2009 onderzoek gedaan naar de milieueffectiviteit van 15 fiscale maatregelen. Het gaat daarbij om maatregelen die betrekking hebben op verkeer en vervoer (bijv. een differentiatie van de BPM naar absolute CO2-uitstoot), het energiegebruik van huishoudens en het bedrijfsleven (bijv. een verhoging van de energiebelasting) en de gebouwde omgeving (bijv. een heffingskorting in de inkomstenbelasting gebaseerd op de energiezuinigheid van woningen). Naast de milieueffectiviteit zijn deze vergroeningsmaatregelen ook beoordeeld op de gevolgen voor de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven, politieke draagvlak, gevolgen voor de koopkracht en lastenverdeling, samenhang in het betreffende milieubeleidsterrein, fiscale inpasbaarheid, uitvoeringskosten en handhaafbaarheid. De resultaten van de studie zullen worden gebruikt bij de voorbereiding van de zogenaamde &amp;lsquo;tweede tranche vergroening&amp;rsquo; van het huidige kabinet.  Het totale pakket aan maatregelen sorteert zo&amp;rsquo;n 0,74 Mton in 2010 en 1,5 Mton CO2-reductie in 2020. Dit dient gezien te worden als de ondergrens van de daadwerkelijke effecten, aangezien een deel van de effecten niet kwantificeerbaar bleken. De totale effecten van het vergroeningspakket vormen hiermee ongeveer 4 tot 7%7% van de kabinetsambitie in 2020 voor de sectoren gebouwde omgeving en verkeer.]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 11:17:12 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[The economics of Heathrow expansion]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/the_economics_of_heathrow_expansion/742</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/the_economics_of_heathrow_expansion/742</guid>
			<description><![CDATA[CE Delft heeft in opdracht van HACAN ClearSkies onderzoek gedaan naar het economische belang van uitbreiding van de luchthaven Heathrow. De belangrijkste conclusie is dat een zeer invloedrijk bestaand rapport de economische baten van uitbreiding niet goed berekend en mogelijk substantieel overschat. Het loont bovendien de moeite om de effecten van 'demand management' te onderzoeken, zoals het internaliseren van externe kosten en het beperken van slots voor korte vluchten over korte afstanden. Tot slot wordt geconcludeerd dat de internationale concurrentie tussen Europese hubs geen reden is om milieubeleid ten aanzien van lokale overlast internationaal verder te harmoniseren. Omdat een groot deel van de baten ook lokaal neerslaat, zijn lokale bestuurders het beste in staat om een goede afweging te maken.]]></description>
			<pubDate>Thu, 19 Mar 2009 15:12:39 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Environmental policy for power stations]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/environmental_policy_for_power_stations/675</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/environmental_policy_for_power_stations/675</guid>
			<description><![CDATA[Op dit moment zijn er ambitieuze klimaatdoelstelling maar worden er ook nieuwe kolencentrales in Nederland gebouwd. Deze studie geeft twee verklaringen voor deze situatie. Allereerst is het klimaatbeleid op de lange termijn zo vaag dat bedrijven er bij het nemen van investeringsbeslissingen geen rekening mee kunnen houden. Hierbij gaat het onder andere over de invulling van het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) na 2012. Verder lijkt de  Nederlandse allocatie van emissierechten onder het EU ETS kolencentrales te bevoordelen, door onderscheid te maken naar brandstoftype, en maakt het strategisch on-dernemersgedrag mogelijk.   Deze bevindingen hebben twee beleidsconsequenties. Allereerst zal de manier waarop emissierechten verdeeld worden verbetert moeten worden. Benchmarking is een optie, maar deze moet zo onafhankelijk mogelijk zijn van historisch gebruik en brandstoftype. Veiling van rechten is ook een goede optie. Het is echter onzeker welke veranderingen in het EU ETS systeem zullen plaatsvinden. Dit hangt samen met het politieke klimaat in Brussel en in andere EU landen. Daarom is het van belang om op de korte termijn ook overheidsregulering in te zetten. De overheid moet bedrijven in de goede richting leiden door de adoptie van no regret maatregelen te stimuleren.]]></description>
			<pubDate>Fri, 18 Dec 2009 10:56:31 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Price effects of incorporation of transportation into EU ETS]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/price_effects_of_incorporation_of_transportation_into_eu_ets/711</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/price_effects_of_incorporation_of_transportation_into_eu_ets/711</guid>
			<description><![CDATA[De CO2-emissies van de verkeers- en vervoerssector groeien gestaag, ondanks de diverse CO2-reductiemaatregelen die de overheid heeft ingevoerd. Deze trend kan wellicht worden omgebogen door een mogelijke nieuwe maatregel voor de verkeerssector, CO2-emissiehandel. Dit kan eventueel worden ingevoerd door de sector op te nemen in het EU emissiehandelssysteem (het EU ETS). In dit rapport worden de gevolgen van een dergelijke maartegel op het EU ETS verkend. Opdrachtgever van deze studie was de VROM-Raad, mede namens de Algemene Energieraad en de Raad voor Verkeer en Waterstaat.  Allereerst zijn de effecten van opname van de transportsector in het huidige EU ETS op de prijs van verhandelbare emissierechten ingeschat, voor twee scenario&amp;acute;s. Vervolgens gaan we in op de mogelijke gevolgen van deze effecten op de concurrentiepositie van de Europese industrie- en elektriciteitssector. De studie verschaft inzichten in de mogelijke gevolgen van opname van verkeer in het EU ETS. Gezien het verkennende karakter van de studie geven we daarnaast een aantal aanbevelingen voor verder onderzoek.]]></description>
			<pubDate>Thu, 19 Mar 2009 13:24:02 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Emissiehandel voor glastuinbouw]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/emissiehandel_voor_glastuinbouw/601</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/emissiehandel_voor_glastuinbouw/601</guid>
			<description><![CDATA[Dit rapport evalueert de effecten van de invoering van een CO2-emissiehandelssysteem in de Nederlandse tuinbouw. Het rapport beschouwt zes varianten van een dergelijk systeem, al dan niet in combinatie met een energieheffing. Het rapport concludeert dat systemen die aansluiten bij het Europese Emissiehandelssysteem (ETS) het meest effici&amp;euml;nt zijn.]]></description>
			<pubDate>Fri, 08 Oct 2010 11:38:58 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Eco-labelling: to be or not to be? : Desirability of eco-labels from an environmental and poverty perspective]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/eco-labelling%3A_to_be_or_not_to_be_%3A_desirability_of_eco-labels_from_an_environmental_and_poverty_perspective/541</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/eco-labelling%3A_to_be_or_not_to_be_%3A_desirability_of_eco-labels_from_an_environmental_and_poverty_perspective/541</guid>
			<description><![CDATA[Eco-labelling is increasingly considered as a market instrument to bring about greater sustainability of human consumption and production patterns. At the same time, however, the application of labelling is controversial. Concerns have been raised on its actual environmental effectiveness and on its impact on growth and poverty alleviation in developing countries. The fear is that eco-labels act as barriers to trade. 

Government agencies operating in the field of environmental management and poverty alleviation need to take a position in the debate on ‘eco-labelling; to be or not to be?’. This report aims to help defining this position. A theoretical framework with key indicators of labelling impacts is developed. Subsequently, two existing labelling schemes are evaluated: the Forest Stewardship Council (FSC) and Marine Stewardship Council (MSC) label. 

The main conclusion is that the desirability of eco-labelling is limited at the moment. When eco-labels grow to be successful, they are likely to become undesirable from a poverty perspective, whereas their ability to solve environmental problems remains uncertain. Therefore, the government is advised to solely support eco-labelling in its role as market participant. As a regulator it should not be heavily involved in eco-labelling; leave these initiatives to the markets. 

]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:21 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Green4sure; Het Groene Energieplan*]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/green4sure%3B_het_groene_energieplan%2A/549</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/green4sure%3B_het_groene_energieplan%2A/549</guid>
			<description><![CDATA[Op 5 juni ontving minister Cramer het eindrapport van Green4sure. Zes grote maatschappelijke organisaties (AbvaKabo, FNV, Greenpeace, Milieudefensie, Natuur&amp;Milieu, WereldNatuurfonds)hebben door CE Delft een plan laten opstellen om de CO2-emissies in 2030 te halveren. Het plan is uitgewerkt in samenwerking met diverse andere partijen en begeleid door een commissie van hoogleraren en vertegenwoordigers van de ministeries EZ en  VROM en van het Milieu en Natuur Planbureau. Belangrijkste punten in het plan zijn dat alle energiegebruikers &oacute;f individueel (industrie, elektriciteitsproductie, luchtvaart) &oacute;f collectief (gebouwde omgeveing, transport) onder een emissierechtensysteem met klimaatbudget komen te vallen. De inspanningen, en daarmee de kosten zijn gedifferentieerd om de acceptatie zo groot mogelijk te laten zijn (ETS -40%, gebouwde omgeving -60%, transport – 35%). De rechten voor de drie systemen worden geveild en niet weggegeven. Daarnaast komen er normen voor voertuigen, gebouwen (nieuw en bestaand) en apparaten. 
Omdat snelheid geboden is en het implementeren van de klimaatbudgetsystemen enkele jaren zal vergen, zijn er diverse tijdelijke instrumenten. Bijvoorbeeld een interim-wet voor elektriciteitsproductie. Vanaf heden moet elke nieuwe centrale elektriciteit met maximaal 375 g/kWh produceren. Hoe? dat is aan de producent.
De effecten van het plan zijn doorgerekend en leiden tot de gewenste halvering van de broeikasgassen, een jaarlijkse efficiencyverbetering van 2,1%. De kosten bedragen in 2030 jaarlijks ruim 4 miljard euro, maar er zijn ook forse maatschappelijke baten. De werkgelegenheid stijgt licht. De extra kosten voor een gemiddeld huishouden groeien in 25 jaar naar extra 600 euro, terwijl in diezelfde periode het nationale inkomen stijgt met 50%. Met name zuinige energiegebruikers worden beter van het plan, kwistige energiegebruikers worden geconfronteerd met hogere kosten.]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Leidraad MKBA in het milieubeleid : Versie 1.0]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/leidraad_mkba_in_het_milieubeleid_%3A_versie_1.0/540</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/leidraad_mkba_in_het_milieubeleid_%3A_versie_1.0/540</guid>
			<description><![CDATA[Steeds vaker wordt een maatschappelijke kosten-baten analyse (MKBA) gebruikt bij het formuleren van nieuwe milieubeleidsplannen. Binnen een kort tijdsbestek zijn er in Nederland MKBA’s verschenen van de uitfasering LPG, bodemsanering, afvalbeleid, windenergie op zee, etc. Europees wordt steeds meer beleid en wenselijkheid voor nieuw beleid gebaseerd op een MKBA. 

In Nederland wordt voor MKBA’s de OEI-leidraad gevolgd. Deze leidraad is evenwel geschreven voor investeringen in infrastructuur. Toepassing van een MKBA op milieubeleid vereist op onderdelen echter een andere aanpak dan de tot nu toe gangbare OEI-systematiek. Daarom is een speciale leidraad MKBA ontwikkeld voor gebruik van MKBAs in het milieubeleid. Deze leidraad volgt op hoofdlijnen de OEI-leidraad maar brengt op specifieke punten andere accenten aan. Zo wordt in deze leidraad veel aandacht besteed aan de beleidskosten, de effectiviteit van het beleid, projectgebonden risico’s, bepaling van de milieu-effecten en waardering van die milieu-effecten. 

De leidraad presenteert elf concrete stappen die doorlopen moeten worden bij het opstellen van een MBKA en gaat in op de rolverdeling tussen opdrachtgevers en onderzoekers. Relatief veel aandacht wordt besteed aan de presentatie van de resultaten omdat die een goede overdracht moeten waarborgen van de onderzoekers naar de opdrachtgevers. ]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Overwinsten bij de subsidieregeling Milieukwaliteit ElektriciteitsProductie (MEP)]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/overwinsten_bij_de_subsidieregeling_milieukwaliteit_elektriciteitsproductie_%28mep%29/538</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/overwinsten_bij_de_subsidieregeling_milieukwaliteit_elektriciteitsproductie_%28mep%29/538</guid>
			<description><![CDATA[De afgelopen jaren heeft de overheid meer subsidie betaald dan achteraf gezien nodig was om investeringen in wind op land projecten rendabel te maken. De hoogte van de subsidies zorgde er voor dat in veel gevallen de investeringen een hoger verwachte rendement opleverden dan normaliter in de markt ge&iuml;&iquest;&frac12;ist werd; ondernemers lijken behoorlijke overwinsten te hebben behaald. Een van de voornaamste oorzaken is dat de overheid de elektriciteitsprijs te laag heeft ingeschat. Dit zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek dat CE Delft voor de Algemene Rekenkamer uitvoerde. Vorig jaar werd de subsidieregeling Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie (MEP) stopgezet. Onder deze regeling ontvangen producenten van stroom uit biomassa, zonne-energie, wind- of waterkracht een vaste subsidie per kWh. De subsidie-uitgaven dreigden uit de hand te lopen. Bovendien werd ingeschat dat Nederland zou haar doelstelling om in 2010 9 % van de binnenlandse elektriciteitsproductie duurzaam op te wekken wel zou halen met reeds toegekende subsidies. Het kabinet heeft inmiddels scherpere doelen vastgesteld en een nieuwe subsidieregeling aangekondigd om de opwekking van duurzame elektriciteit te stimuleren. De uitdaging bij het vormgeven van een vernieuwde MEP blijft om de regeling even effectief te houden, maar tegen lagere uitgaven voor de overheid. Voor meer informatie kunt u naar de site gaan van de rekenkamer.]]></description>
			<pubDate>Fri, 08 Oct 2010 13:00:08 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Leuker kunnen we het niet maken, wel groener]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/leuker_kunnen_we_het_niet_maken%2C_wel_groener/479</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/leuker_kunnen_we_het_niet_maken%2C_wel_groener/479</guid>
			<description><![CDATA[Dit rapport is opgesteld in opdracht van het ministerie van VROM naar aanleiding van de motie Spies en onderzoekt fiscale en financi&amp;euml;le opties voor energiebesparing in de gebouwde omgeving. Bij het vormgeven van deze opties kan aangesloten worden bij het energieprestatiecertificaat voor gebouwen en woningen, dat naar verwachting medio 2007 beschikbaar zal zijn.  De conclusies uit deze studie zijn als volgt:

    Het huidig instrumentarium is niet voldoende om het beoogde jaarlijkse besparingstempo te realiseren (1,3% vanaf 2008 en 1,5% vanaf 2012) en laat bovendien veel potentieel voor energiebesparing in de gebouwde omgeving met een terugverdientijd van minder dan 4 tot 6 jaar liggen.
    Om tot een hoger besparingstempo te komen en weerstand en gebrek aan prioriteit te overwinnen, zijn instrumenten noodzakelijk die partijen verplichten tot het verbeteren van de energieprestatie van de gehele voorraad.
    Fiscale en financi&amp;euml;le instrumenten kunnen gericht ingezet worden om resterende belemmeringen en vormen van marktfalen aan te pakken. Dit betreft een combinatie van verschillende maatregelen specifiek gericht op de doelgroep:
    
        Koopwoningen: De effectiviteit van een korting op overdrachtsbelasting (OVB) is gunstig, voornamelijk te verklaren door de mogelijkheid aan te sluiten bij een verbouwingsmoment. Voor structurele aanpassing aan het huis, zoals isolatie of aanschaffen van energiezuinige voorzieningen, speelt een dergelijk natuurlijk moment een belangrijke rol.
        Sociale huurwoningen: het sterker meewegen van energiebesparing in het woningwaarderingstselsel is wenselijk om corporaties meer mogelijkheden te geven om voor energiezuinige woningen een hogere huur te vragen, welke met lagere energielasten door huurder kunnen worden gecompenseerd. Uit ervaringen blijkt dat bij renovatieprojecten forse CO2-reducties mogelijk zijn zonder dat de bruto-woonlasten (huur inclusief energierekening) voor de huurder toenemen.
        Utiliteit: Een energiebesparingsbedrijf kan nieuwe financieringsvormen en beheersvormen ontwikkelen, zodat eigenaren een betere kosten-batenafweging van besparingsmaatregelen kunnen maken. Een belangrijk knelpunt in de utiliteit is dat de eigenaar als investeerder geen rendement op zijn investering krijgt in de vorm van een lage energierekening of meer comfort (split-incentive).
    
    
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energieke natuur op en rond de Veluwe]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energieke_natuur_op_en_rond_de_veluwe/446</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energieke_natuur_op_en_rond_de_veluwe/446</guid>
			<description><![CDATA[Het rapport, opgesteld in opdracht van Stichting Shell Research, beschrijft een concept om meer biomassa voor energie op en rond de Veluwe te winnen zodanig dat de natuur er door wordt versterkt wordt. Zo kan biomassa een welkome bijdrage zijn aan natuurbehoud en - ontwikkeling.   De actualiteit, bijvoorbeeld recente rapporten van de Rekenkamer en het Milieu- en Natuur Planbureau, wijst uit dat het natuurbeleid niet op schema ligt; nieuwe 'motoren' achter natuurontwikkeling zijn dringend gewenst. Ook uit oogpunt van transitie naar een duurzame energiehuishouding is 'Energieke natuur' van belang. In veel energiescenario's groeit het aandeel van biomassa, maar er zijn grote zorgen dat deze ontwikkeling ten koste gaat van natuur, biodiversiteit en voedselproductie. Het concept dat in bijgaand rapport is uitgewerkt laat zien dat biomassa, mits goed georganiseerd, een positieve bijdrage kan leveren.]]></description>
			<pubDate>Fri, 12 Aug 2011 14:00:47 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energieprestatie gewaardeerd in de OZB]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energieprestatie_gewaardeerd_in_de_ozb/453</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energieprestatie_gewaardeerd_in_de_ozb/453</guid>
			<description><![CDATA[Lokale vergroening van het belastingstelsel is nog een tamelijk onontgonnen terrein. Dat is opvallend omdat het lokale belastinggebied in omvang toeneemt en lokale overheden een grote verantwoordelijkheid dragen in de uitvoering van het milieubeleid. Met name de waardering van onroerende zaken biedt kansen om het streven naar duurzaam (ver)bouwen te ondersteunen. In deze studie in opdracht van SenterNovem staat de vraag centraal of de OZB-korting naar de energieprestatie van de woning juridische haalbaar is. Met andere woorden de vraag of deze binnen de huidige relevante wetsbepalingen (Gemeentewet en wet WOZ) door gemeenten zou kunnen worden ingevoerd.]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Milieueffecten van differentiëren van parkeertarieven]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/milieueffecten_van_differenti%EBren_van_parkeertarieven/437</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/milieueffecten_van_differenti%EBren_van_parkeertarieven/437</guid>
			<description><![CDATA[Gemeenten kunnen door uitgekiende belastingheffing een belangrijke bijdrage leveren aan de verbetering van het milieu. Een van de slimme groene belastingmaatregelen betreft de differentiatie van parkeertarieven naar milieuprestatie. Diverse gemeenten (o.a. Amsterdam, Tilburg en Nijmegen en ook de VNG) hebben interesse getoond in gedifferentieerde parkeertarieven. Om gemeenten in de gelegenheid te stellen een dergelijke vergroeningsmaatregel door te voeren, zal de Gemeentewet worden aangepast. Ten behoeve van deze aanpassing is inzicht in de verwachte milieueffecten gewenst. In deze studie staan de milieueffecten van groene parkeertarieven bij vergunninghouders en parkeerbezoekers centraal. Via differentiatie in de parkeerbelasting kan het gebruik van schone auto&amp;rsquo;s in de stad worden gestimuleerd en vuile auto&amp;rsquo;s worden ontmoedigd. Uit deze CE-studie blijkt dat de onderzochte maatregel een belangrijke bijdrage kan leveren aan reductie van stedelijke emissies bij de doelgroepen vergunninghouders en bezoekers, hoewel de absolute omvang van deze reductie enigszins beperkt is.]]></description>
			<pubDate>Thu, 26 Mar 2009 16:22:05 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Is er een vruchtbare toekomst voor groene grondstoffen in Nederland?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/is_er_een_vruchtbare_toekomst_voor_groene_grondstoffen_in_nederland/470</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/is_er_een_vruchtbare_toekomst_voor_groene_grondstoffen_in_nederland/470</guid>
			<description><![CDATA[CE heeft voor het MNP die de energietransitie evaluateert de systeemoptie ‘Groene Grondstoffen’ uitgebreid bekeken. Gebruikte bronnen betroffen literatuurstudies en interviews met een zestal mensen ‘uit het veld’. In de studie is ook een globaal inzicht in de aan ‘groene grondstoffen gerelateerde productiekosten en 
milieubelasting gegenereerd, afgezet tegen de productiekosten en milieubelasting voor de concurrerende gangbare petrochemische alternatieven.

Uit de beschikbare informatie blijkt naar ons idee dat op dit moment al veel technologie beschikbaar is en in principe een aanzienlijk deel tot een zeer groot deel van de huidige grondstoffen technisch gezien zou kunnen worden geproduceerd op basis van biomassa. Belangrijkste knelpunten voor de introductie op de markt zijn met name de kostprijs en de onbekendheid met het product bij afnemers. Bij kostprijzen die soms 
2 - 3 maal hoger liggen als voor de te vervangen gangbare petrochemische producten wordt vaak alleen ge&iuml;mplementeerd wanneer het petrochemische product vanwege de milieuschade bij toepassing ervan (smeermiddelen, oplosmiddelen, inkten en verven) wordt verboden of wanneer een eindgebruiker zich als duurzaam wil profileren (bioplastics). Er zijn een beperkt aantal voorbeelden gevonden waarin productie op basis van biomassa goedkoper is als productie op basis van petrochemische grondstoffen (ethanol, 1,3 propaandiol). ,
De voordelen van groene grondstoffen qua milieubelasting bij productie betreffen vooral de lagere toxiciteit bij gebruik van bepaalde producten (smeermiddelen, oplosmiddelen, inkten en verven). 
Milieubelasting per eenheid product in de vorm van broeikasgasemissies is vaak alleen lager omdat een petrochemische grondstof - en dus de fossiele energie-inhoud en koolstof inhoud van deze grondstof - wordt uitgespaard. Maar de productieprocessen voor groene grondstoffen zijn vaak minder effici&euml;nt met energie als de petrochemische productieroutes. Mogelijke uitzondering is de productie van chemicali&euml;n waarin een stikstofatoom is opgenomen. 
 
Bovendien kan bij de teelt van met name eiwit producerende gewassen (bijvoorbeeld koolzaad) een significante emissie van broeikasgassen optreden door de benodigde gift aan stikstof meststoffen. Meerjarige olieproducerende of suikerproducerende gewassen hebben dit euvel vaak niet.
Een derde kanttekening voor specifiek de toepassing van geteelde biomassa als grondstof is dat het benodigde ruimtegebruik van dit soort grondstoffen een ernstige aanslag op het milieu kan veroorzaken wanneer natuur moet wijken voor teeltarealen. Het verdient dan ook de aanbeveling zoveel mogelijk gebruik te maken van reststromen of anders van gewassen met een zo hoog mogelijke opbrengst per hectare aan nuttige componenten in het gewas (suikerriet, suikerbiet, palmolie). 

We zien verder dat in Europa de subsidie op toepassing van biomassa voor elektriciteitproductie en voertuig brandstoffen een ongelijk speelveld heeft gecre&euml;erd waarin ontwikkeling van groene grondstoffen minder prioriteit krijgt en waarin kosten voor de grondstoffen voor de huidige groene grondstoffen stijgen omdat deze grondstoffen worden onttrokken aan de markt voor de gesubsidieerde toepassingen in elektriciteit productie en voertuig brandstoffen productie.

Onze aanbevelingen zijn - aansluitend bij het bovenstaande - dan ook:Cre&euml;er een gelijk speelveld en een overkoepelende visie op het biomassa speelveld met aandacht voor de concurrentie en mogelijke synergie tussen bio-energie, biobrandstoffen, bioproducts en voedsel.Overweeg om naast vergelijkbaar aan een kWhe biosubsidie een tijdelijke bioproducts  CO2-reductie subsidie in te voeren.Overweeg om naast overheidsdoelen voor bio-energie en biobrandstoffen een doel vast te stellen voor duurzame nieuwe bioproducten.Zorg voor een filter waarmee kansrijke opties en routes sneller kunnen worden geselecteerd en andere sneller kunnen afvallen.Concentreer de inspanningen op routes met een duidelijk onafhankelijk aangetoond milieuvoordeel met een redelijk kostenplaatje.Focus voor subsidieverlening voor R&amp;D ook op toegevoegde waarde wat betreft toxiciteit of dwing dat wettelijk af – bijvoorbeeld biosmeermiddelen in natuurgebieden.Laat de productie van bulkchemicali&euml;n en de teelt van de benodigde gewassen buiten Nederland plaatsvinden en stimuleer op dit veld hooguit de ontwikkeling van conversietechnologie.

]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Resultaat Enquęte duurzame import van biomassa]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/resultaat_enqu%EAte_duurzame_import_van_biomassa/442</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/resultaat_enqu%EAte_duurzame_import_van_biomassa/442</guid>
			<description><![CDATA[In de strijd tegen klimaatverandering wordt steeds vaker biomassa ingezet als alternatief voor fossiele brandstoffen. Van belang is dat de winst aan duurzaamheid die Nederland hierdoor kan boeken, niet ten koste gaat van duurzaamheid in de productielanden.  Daarom ontwikkelt de projectgroep ‘Duurzame import van biomassa’ onder leiding van prof Jacqueline Cramer een set aspecten aan de hand waarvan de duurzaamheid van biomassa aangetoond kan worden. Voor het toetsen van draagvlak hiervoor heeft CE een webenqu&ecirc;te uitgezet onder stakeholders. Hierop hebben 104 respondenten gereageerd. In het rapport zijn alle resultaten en conclusies gespreid over NGO\'s, bedrijfsleven, overheid en algemeen gerapporteerd. Een aantal opvallende conclusies zijn:Het merendeel van de respondenten acht een duurzaamheidstoets voor biomassa, mogelijk mits er adequate duurzaamheideisen gesteld worden (68%)Vrijwel alle respondenten vinden dat de duurzaamheidscriteria moeten gelden voor alle toepassingen van biomassa (90%)Of duurzaamheidscriteria afhankelijk moeten zijn van de productieregio wordt door de respondenten heel verschillend gezien (helft voor helft tegen)Veel NGO’s vinden dat duurzaamheidscriteria specifiek zouden moeten zijn per biomassastroom (50%), in tegenstelling tot het bedrijfsleven dat pleit voor een gelijke set aan criteria voor alle stromen.Het merendeel van de respondenten vindt dat biomassacriteria moeten gelden voor zowel projecten met als zonder subsidieWel geeft een grote meerderheid aan dat subsidie voor biomassa afhankelijk dient te zijn van de mate van duurzaamheid (72%) en dan met name ook van de  CO2-emissiereductie omdat dit als belangrijkste factor wordt gezien.Wat betreft het aspect GMO bestaat een groot verschil van mening tussen NGO’s en bedrijven. Circa 75% van de NGO’s wil dit meenemen en slechts 10% van de bedrijvenSpontaan zijn ook een aantal aspecten toegevoegd. Opvallend vaak worden aandacht voor kleinschalige gezinslandbouw en een zo hoog mogelijk opbrengst en CO2-reductie per hectare landbouwgrond genoemd. Aanbevolen wordt dit laatste punt ook mee te nemen mede om het aspect ‘voorkomen van concurrentie met voedselproductie’ praktisch vorm te geven.
Het rapport besluit met een concreet advies op basis van de enquete voor duurzaamheidsvoorwaarden voor biomassa. De commissie Cramer heeft haar rapport van augustus 2006 voor een flink deel gebaseerd op de resultaten en evaluatie van de enquete.
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Inventarisatie Nederland CSD 14]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/inventarisatie_nederland_csd_14/420</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/inventarisatie_nederland_csd_14/420</guid>
			<description><![CDATA[Aanleiding De Nederlandse beleidsinzet voor duurzame ontwikkeling is erop gericht om ervoor te zorgen dat toekomstige generaties minstens zoveel kansen op ontplooiing en ontwikkeling hebben als wij zelf. Als doelstelling van het Nederlandse duurzaamheidbeleid is dit vertaald in het streven naar absolute ontkoppeling van economische groei en de emissies van milieuverontreinigende stoffen. De Commissie voor Duurzame Ontwikkeling (Commission on Sustainable Development - CSD) van de VN is belast met de uitvoering van Agenda 21. Ter voorbereiding van 14e vergadering van de CSD is er door het CSD secretariaat gevraagd aan alle landen om een inventarisatie te leveren op de thema&amp;rsquo;s industri&amp;euml;le ontwikkeling, energie en luchtvervuiling/atmosfeer. De Nederlandse inbreng is verzorgd door CE. Stand van zaken Vergeleken met andere Europese landen, is Nederland dicht bebouwd en bevolkt, heeft een energie-intensieve industrie en heeft daardoor hogere emissies per vierkante kilometer. Nederland heeft te maken met een grote bijdrage van vervuiling uit het buitenland. Met zijn lage ligging in de rivierendelta is Nederland bovendien gevoelig voor mogelijke effecten van klimaatveranderingen. De opwarming van het wereldwijde klimaat zal de kans op weersextremen groter maken. Nederland is dan ook sterk gebaat bij verdergaande internationale maatregelen om emissies van broeikasgassen en vervuilende stoffen in te dammen. Het Nederlandse milieubeleid van de afgelopen decennia is in een aantal opzichten succesvol geweest. Op veel punten is de leefomgeving van de mens gezonder en veiliger geworden. De eco-efficiency van de Nederlandse productie (de verhouding tussen wat een sector verdient en de daarmee samenhangende emissie) is gunstiger geworden. Voor vervuilende stoffen (NOx, NH3, So2 en fijn stof) is de laatste decennia een daling zichtbaar. Nationaal en Europees beleid, dat vervolgens in Nederland is ge&amp;iuml;mplementeerd, zijn succesvol gebleken. Dit heeft geresulteerd in een verbetering van de luchtkwaliteit in Nederland, hoewel nog onvoldoende om aan internationale normen te voldoen. Hier kunnen we spreken van een absolute ontkoppeling tussen de economische groei en de milieudruk. Deze ontkoppeling is voor een zeer belangrijk deel tot stand gekomen dankzij technische maatregelen en doorgaande economische structuurveranderingen (toename dienstensector). Nederland voert dertig jaar energiebesparingsbeleid waarbij veel instrumenten zijn toegepast. Daarmee is een constante energiebesparing bereikt. Recent zijn de doelstellingen verder verhoogd. Duurzame energie kent geen lange traditie in Nederland, vooral bij gebrek aan waterkracht. Windenergie en bio-energie hebben beide een aanzienlijk potentieel. Bij de emissie van CO2 is weliswaar sprake van een afnemende groei, maar niet van een absolute ontkoppeling. Hier ligt dan ook een fundamentele uitdaging voor het Nederlandse milieubeleid. De rapportage biedt een overzicht van de voortgang, knelpunten en samenhang op de thema&amp;rsquo;s industri&amp;euml;le ontwikkeling, energie en luchtvervuiling/atmosfeer.]]></description>
			<pubDate>Thu, 26 Mar 2009 16:20:49 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Cost effectiveness of CO2 mitigation in transport]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/cost_effectiveness_of_co2_mitigation_in_transport/395</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/cost_effectiveness_of_co2_mitigation_in_transport/395</guid>
			<description><![CDATA[The ECMT is currently writing a report on carbon emission reductions in the transport sector. To support this study, CE Delft was asked to write a background report on cost effectiveness of measures to reduce CO2 emissions in the transport sector. In this report, various technical mitigation options in the transport sector are analyzed: im-proved fuel economy of cars, biofuels and hydrogen. 

The report concludes that studies on this topic are not always in agreement. Several studies find that efficiency measures in the transport sector can be more cost effective than measures in other sectors, whereas other studies, for example a recent EEA report, disagree. Regarding biofuels, the report concludes that biomass use in power stations is more favourable from a cost effectiveness point of view. New biofuels are being developed that are expected to perform better. 

It is furthermore concluded that there are only very few studies available that address the issue of cost effectiveness of measures across sectors. Even data on the cost effectiveness of measures within the transport sector is scarce.
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:21 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Materiaalverbruik en milieu-impact: data 1990-2004]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/materiaalverbruik_en_milieu-impact%3A_data_1990-2004/409</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/materiaalverbruik_en_milieu-impact%3A_data_1990-2004/409</guid>
			<description><![CDATA[Het verbruik van materialen is een vaak onderbelicht thema in het huidige milieubeleid. Toch geeft materiaalverbruik, van wieg tot graf gemeten, een behoorlijke milieuvervuiling, niet alleen in Nederland, maar ook in het buitenland. Voor het Milieu en Natuur Planbureau heeft CE ten behoeve van de Milieubalans 2006 inzicht gegeven in de ontwikkelingen in het materiaalverbruik tussen 1990 en 2004 van de 20 meest milieuvervuilende materialen. 

De in dit project verzamelde data laten zien dat het materiaalverbruik in kilogrammen is gestegen van 1990 tot 2001. Sinds 2001 is er echter sprake van een absolute ontkoppeling tussen het BBP en het materiaalgebruik in kilogrammen. Dit wordt met name veroorzaakt door de afname van het gebruik van zand en andere bouwmaterialen. Uitgedrukt in kilogrammen is zand een dominant materiaal. Maar in termen van milieuvervuiling speelt zand een ondergeschikte rol. Als we de materiaalstromen aggregeren op basis van vermeende milieu-impact (uitgedrukt in 11 LCA-impactcategorie&euml;n) blijkt dat ook na 2001 het materiaalverbruik is blijven stijgen. Door de tijd heen valt waar te nemen dat de relatief milieuvervuilende materialen harder zijn gegroeid dan de relatief schoneren materialen. 

Materiaalgebruik door de Nederlandse economie leidt tot milieuvervuiling in Nederland maar ook in het buitenland. De milieuvervuiling door materiaalgebruik in de Nederlandse productiesectoren leidt tot aanzienlijke milieuvervuiling in het buitenland, gelijk aan 40% van de totale milieuvervuiling door de keten heen. Een deel van die productie wordt echter geexporteerd naar het buitenland. Als het materiaalgebruik dat samenhangt met export en import tegen elkaar wordt afgewogen, dan blijkt dat  NL netto geen milieudruk veroorzaakt in het buitenland maar dat juist milieudruk ten behoeve van buitenlandse consumptie binnen Nederland plaatsvindt. Dit komt vooral door het relatief grote aandeel landbouw en basisindustrie in de economie in Nederland. Overigens loopt dit  beeld uiteen voor individuele milieuthema\'s. Voor landgebruik geldt bijvoorbeeld wel dat Nederland een netto importeur is van milieudruk in het buitenland veroorzaakt. 


]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Het Sloegebied onder een stolp]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/het_sloegebied_onder_een_stolp/401</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/het_sloegebied_onder_een_stolp/401</guid>
			<description><![CDATA[De Stolpbenadering is een concept waarbij een bepaald gebied, in dit geval het industrieterrein Sloegebied in Zeeland, als &amp;eacute;&amp;eacute;n geheel wordt gezien en de omgevingsbelasting van het gehele terrein (onder de stolp) het aangrijpingspunt is. Er wordt niet gekeken naar de milieubelasting van individuele bedrijven maar naar het totaal. Hierdoor biedt het stolpconcept de mogelijkheid om met alle bedrijven samen tegen minder kosten milieubelasting te reduceren dan wanneer ieder bedrijf afzonderlijk zijn keuze voor maatregelen neemt. De juridische bezwaren tegen het stolpconcept zijn in dit project bewust terzijde gelegd, het ging er vooral om de mogelijkheden van het concept te verkennen.  Gekeken is naar de emissies van SO2, NOx en fijn stof. De conclusie is dat er ten aanzien van SO2, NOx mogelijkheden zijn winst te behalen door het uitruilen van maatregelen. Door het gezamenlijk treffen van maatregelen waarbij steeds eerst de goedkopere maatregelen worden getroffen, kunnen de emissiedoelen tegen lagere kosten worden gerealiseerd dan wanneer ieder bedrijf afzonderlijk maatregelen treft. Bij fijn stof is bij de huidige doelstellingen weinig mogelijk, omdat de doelstelling zo hoog is dat alle maatregelen die mogelijk zijn, ook getroffen moeten worden. Er valt dus niets uit te ruilen. Bij een verlaging van de doelstelling met 50% wordt uitruil van maatregelen interessant.]]></description>
			<pubDate>Wed, 15 Apr 2009 10:30:40 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Effecten van een ecotax op blikjes en flesjes]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/effecten_van_een_ecotax_op_blikjes_en_flesjes/392</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/effecten_van_een_ecotax_op_blikjes_en_flesjes/392</guid>
			<description><![CDATA[Eind 2005 loopt het Convenant Verpakkingen III af. Een van de doelstellingen van dit convenant is om in 2005 de hoeveelheid flesjes en blikjes in het zwerfafval met 80% terug te brengen ten opzichte van 2001. Wanneer dit niet gehaald wordt, kan de staatsecretaris van VROM verplicht statiegeld voor drankverpakkingen worden invoeren.  Naast verplicht statiegeld is ook mogelijk een flexibel ecotax/statiegeldsysteem in te voeren. In een dergelijk systeem betalen producenten of de detailhandel een vaste heffing per drankverpakking of ze kiezen voor statiegeld. CE heeft de effecten onderzocht van twee varianten van de ecotax met een hoogte van &amp;euro; 0,10 en &amp;euro; 0,25 per blikjes of flesje. Een ecotax/statiegeldsysteem is minder verplichtend voor de industrie dan verplicht statiegeld. Het draagvlak van deze optie bij de industrie zou daarom beter kunnen zijn dan voor verplicht statiegeld.  De effecten van een ecotax zijn afhankelijk van gedragsreacties van producenten, detailhandel en consumenten. De interactie tussen deze partijen maakt het precieze effect onvoorspelbaar. Desalniettemin is in deze studie een poging gedaan om de effecten in te schatten. Een ecotax van &amp;euro; 0,10 zal naar onze inschattingen het aantal blikjes en flesjes in het zwerfafval met 20% tot 60% kunnen doen afnemen. Een ecotax van &amp;euro; 0,25 zal kunnen resulteren in een afname van 40% - 80%. Verplicht statiegeld kan een resultaat van 80% bereiken. De resultaten voor de ecotaxopties zijn sterk afhankelijk van het gedrag van betrokken actoren. Wanneer deze partijen zich strategisch gaan verzetten tegen statiegeld is een lager effect te verwachten dan bij een puur economische optimalisatie. Verplicht statiegeld is veel minder gevoelig voor strategisch gedrag.   Tot slot moet worden vermeld dat ook een algemeen zwerfafvalbeleid voor al het zwerfafval, niet specifiek voor blikjes en flesje, mogelijk is. Ook op deze manier lijkt vooruitgang te boeken. Mogelijkheden hiervoor zijn globaal aangegeven in het rapport.]]></description>
			<pubDate>Thu, 19 Mar 2009 13:21:11 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Duurzame inpassing van Gelderse bedrijven]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/duurzame_inpassing_van_gelderse_bedrijven/402</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/duurzame_inpassing_van_gelderse_bedrijven/402</guid>
			<description><![CDATA[In het kader van het programma ‘Met preventie naar Duurzaam Ondernemen’ is in de provincie Gelderland in de periode  februari - november 2005 de proeftuin ‘Duurzame inpassing Gelderse bedrijven’ uitgevoerd. Doel van deze proeftuin was te zoeken naar en experimenteren met een vernieuwende aanpak voor het oplossen van ruimtelijke inpassingsproblemen van bedrijven via het initi&euml;ren van duurzaam ondernemen. Bedrijven werden gestimuleerd aan de slag te gaan met duurzaam ondernemen om hiermee oplossingen voor hun inpassingsproblematiek te vinden. De belangrijkste ervaringen uit het project zijn:Inpassingsproblemen zijn met zoveel gevoeligheden omgeven dat een open benadering via het concept duurzaam ondernemen door zowel de bedrijven als de provincie als risicovol wordt ervaren. Het kost veel tijd draagvlak te vinden voor deze benadering, zowel bij de bedrijven als bij de verschillende betrokken afdelingen van de provincie. In de loop van het project is meer en meer duidelijk geworden wat de potentie van het traject is, waardoor er aanknopingspunten zijn voor een vervolg. 
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[CO2-opslag interessant voor klimaatbeleid, maar moet er ook subsidiegeld naar toe?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/co2-opslag_interessant_voor_klimaatbeleid%2C_maar_moet_er_ook_subsidiegeld_naar_toe/363</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/co2-opslag_interessant_voor_klimaatbeleid%2C_maar_moet_er_ook_subsidiegeld_naar_toe/363</guid>
			<description><![CDATA[In Nederland worden veel subsidies verleend met als doel het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen, zoals subsidies voor duurzame energie en energiebesparing. Op dit moment bestaat de indruk dat CO2-opslag uit fossiele brandstoffen een mogelijke concurrent wordt van duurzame energie en energiebesparing in de subsidieverlening. Daarom heeft Milieudefensie aan CE gevraagd om te onderzoeken of het vanuit maatschappelijk oogpunt wenselijk is om CO2-opslag te subsidi&euml;ren.
Het rapport concludeert dat CO2-opslag een effectieve techniek is om broeikasgassen te reduceren. Er zijn echter geen goede redenen om CO2-opslag bij energiecentrales aanvullend (op emissiehandel) te subsidi&euml;ren via exploitatiesubsidies zoals bijvoorbeeld via de MEP omdat er geen belangrijke nevendoelen zijn, zoals bij duurzame energie, die exploitatiesubsidies bovenop de emissiehandelsprijs rechtvaardigen.

]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Vrije stroom, vieze stroom, weg stroom?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/vrije_stroom%2C_vieze_stroom%2C_weg_stroom/366</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/vrije_stroom%2C_vieze_stroom%2C_weg_stroom/366</guid>
			<description><![CDATA[In de afgelopen jaren is de marktwerking in de energiesector sterk toegenomen. De sector is geliberaliseerd en de spelers bereiden zich voor op privatisering en een verdere internationalisering van de bedrijfsvoering. In opdracht van de Bezinningsgroep Energie (BG) heeft CE de (tussen)balans op gemaakt van de gevolgen voor drie pijlers van het energiebeleid:

    schoon (indicator: CO2 emissies);
    betrouwbaar (indicator: leveringszekerheid);
    betaalbaar (indicator: kosten bedrijven / tarieven klanten).

Per saldo blijkt sprake te zijn van een verschuiving van lange termijn maatschappelijke belangen naar korte termijn bedrijfseconomische doelen. Daarmee zijn de drie klassieke doelen van het energiebeleid - betaalbaar, betrouwbaar en schoon onder druk komen te staan.  De liberalisering als zodanig heeft met name voor schoon - negatieve gevolgen die slechts ten dele gecompenseerd worden door flankerende maatregelen. Op termijn geldt hetzelfde voor betrouwbaar en betaalbaar. Een structurele bijsturing door - aangescherpt - flankerend beleid is noodzakelijk om de publieke doelen veilig te stellen.]]></description>
			<pubDate>Fri, 12 Aug 2011 14:07:15 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Evaluatie doelmatigheid binnenlands klimaatbeleid]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/evaluatie_doelmatigheid_binnenlands_klimaatbeleid/362</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/evaluatie_doelmatigheid_binnenlands_klimaatbeleid/362</guid>
			<description><![CDATA[Dit onderzoek omvat een analyse van de gemaakte kosten en bereikte effecten van het binnenlandse klimaatbeleid tussen 1999 en 2003/2004. De kosten zijn uitgesplitst naar doelgroepen (overheid, maatschappij en de eindverbruikers) en sectoren (verkeer, gebouwde omgeving, landbouw, industrie en energie en overige broeikasgassen). Het binnenlandse klimaat- en energiebeleid heeft tussen 1999 en 2003 geresulteerd in een reductie van 11,4 Mton broeikasgassen. Hiervan is 1,5 Mton het gevolg van reductie van overige broeikasgassen, 8,1 Mton door energiebesparing en 1,7 Mton als gevolg van de inzet van duurzame energie. Tussen 1999 en 2003 hebben de genomen maatregelen als gevolg van het beleid een kosteneffectiviteit van &amp;euro; 40 tot 90 per ton vermeden CO2 gekend, vanuit maatschappelijk perspectief. De totale uitgaven voor de overheid in het kader van het klimaatbeleid in de periode 1999 tot 2003 hebben ruim &amp;euro; 4,6 miljard bedragen (in prijzen van 2004). De overheid heeft middels grootschalige subsidieprogramma's het leeuwendeel van de kosten van maatregelen bij de doelgroepen gedragen. Mede doordat de subsidieregelingen veel free-riders hebben gekend is het klimaatbeleid vermoedelijk duurder uitgevallen dan vooraf ingecalculeerd. De inzet van overheidsmiddelen in de sectoren waar relatief goedkope reducties te behalen vielen (verkeer en vervoer en OBG) is relatief gering geweest. Dit is een andere indicatie dat het beleid mogelijk niet kosteneffectief is geweest: een kosteneffectief beleid zou immers inzetten op emissiereducties in die sectoren waar die het goedkoopst te behalen zijn. Wel zijn er beperkte synergie-effecten geconstateerd door energiebesparing en inzet duurzame energie die in de beschouwde periode 1 tot 4% reductie hebben bewerkstelligd voor emissies van VOS, PM10, NOx en SO2. Deze synergie-effecten kunnen in mindering kunnen worden gebracht op de berekende kosteneffectiviteit van het binnenlandse klimaatbeleid. In dat geval zal de nationale kosteneffectiviteit voor binnenlandse klimaatmaatregelen met ongeveer &amp;euro; 10-15 per ton dalen en in de range van &amp;euro; 30-75 per ton terecht komen.]]></description>
			<pubDate>Fri, 12 Aug 2011 14:17:31 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Giving wings to emission trading]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/giving_wings_to_emission_trading/333</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/giving_wings_to_emission_trading/333</guid>
			<description><![CDATA[Het rapport onderzoekt de mogelijkheden om de klimaateffecten van internationaal luchtvaartverkeer in het Europese emissiehandelssysteem onder te brengen. De Commissie zal de resultaten van deze studie gebruiken voor het uitwerken van toekomstig beleid. 

Na eerdere studies naar de mogelijkheden voor een belasting op kerosine en een heffing op emissies, was dit het laatste ontbrekende deel van het onderzoek van de Commissie naar de mogelijkheden om de klimaateffecten veroorzaakt door internationale luchtvaart met behulp van economische instrumenten in te perken. Deze studie brengt in kaart hoe internationale luchtvaart onder het bestaande Europese emissiehandelssysteem voor broeikasgassen kan worden gebracht.

De belangrijkste conclusie van de studie is dat emissiehandel een beleidsoptie is die naast andere beleidsopties kan worden beschouwd om de klimaatimpact van luchtvaart te beperken. De studie laat zien dat het effect op de prijzen van tickets beperkt is. Het systeem kan zo worden vormgegeven dat ook niet-Europese luchtvaartmaatschappijen meedoen, waardoor de verstoringen tussen luchtvaartmaatschappijen minimaal zullen zijn. Het opnemen van luchtvaart in het bestaande handelssysteem zal waarschijnlijk geen struikelblokken opwerpen die groter zijn dan de problemen die al overkomen zijn voor de oprichting van het bestaande EU emissiehandelssysteem.
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:21 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Materiaalstromen door de economie en milieubeleid : een analyse naar indicatoren en beleidstoepassingen van economiebreed materialenbeleid]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/materiaalstromen_door_de_economie_en_milieubeleid_%3A_een_analyse_naar_indicatoren_en_beleidstoepassingen_van_economiebreed_materialenbeleid/335</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/materiaalstromen_door_de_economie_en_milieubeleid_%3A_een_analyse_naar_indicatoren_en_beleidstoepassingen_van_economiebreed_materialenbeleid/335</guid>
			<description><![CDATA[Onze consumptie in Europa heeft gevolgen voor het milieu buiten de EU-grenzen. Dit staat in toenemende belangstelling van beleidsmakers, zowel binnen Nederland, de EU als de OECD. Vanuit de EU en de OECD, en in het NMP4, zijn er plannen ontwikkeld om materiaalstromen te gaan monitoren om zo inzicht te verkrijgen in de omvang van de fysieke economie en de druk die daarmee gepaard gaat op het wereldwijde milieu. Deze monitoring richt zich op dit moment nog vooral op kilogrammen materiaalstroom. In een studie in opdracht van VROM heeft CE, samen met o.m. het CML, aangetoond dat het gewicht een slechte indicator is voor de milieubelasting die met materialen samenhangt. Monitoring van fysieke stromen materiaal is dus onvoldoende. Daarnaast kleven er andere nadelen aan de monitoringsvoorstellen van de EU en de OECD, zoals een grotere nadruk op import van materialen dan op export. In de studie worden alternatieven aangedragen voor een monitoringssysteem waarbij gegevens over fysieke stromen worden gekoppeld aan LCAs. Dit rapport bespreekt de voor- en nadelen van een dergelijke benadering en bekijkt het gebruik van een dergelijk monitoringssysteem in het beleid in Nederland.]]></description>
			<pubDate>Fri, 12 Aug 2011 14:03:22 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Resource productivity and policies]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/resource_productivity_and_policies/336</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/resource_productivity_and_policies/336</guid>
			<description><![CDATA[Onze consumptie van materialen en natuurlijke hulpbronnen in Europa heeft gevolgen voor het milieu buiten de EU grenzen. Dit staat in toenemende belangstelling van beleidsmakers, zowel binnen Nederland, de EU als de OECD. De EU ontwikkeld thans een \&quot;Thematic strategy on the sustainable use of natural resources\&quot;. Het streven naar een hogere materiaalproductiviteit staat hierbij centraal. Een hogere materiaalproductiviteit draagt bij aan een schoner milieu wereldwijd en aan een concurrerend bedrijfsleven. Maar het is onduidelijk hoe dat streven vertaalt dient te worden naar beleidsinitiatieven en hoe de materiaalproductiviteit kan worden gemeten. Deze discussienotitie, geschreven in overleg met beleidsmakers en het bedrijfsleven, geeft inzicht in de mogelijkheden van beleid en bediscussieert indicatoren voor beleid gericht op het verhogen van de materiaalproductiviteit.]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
			</channel>
</rss>

