<?xml version="1.0" encoding="ISO-8859-1" ?>
<rss version="2.0" xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom">
  	<channel>
    	<title>CE Delft -  Climate Policy</title>
		<copyright>Copyright (c) 2012, CE Delft</copyright>
		<link>http://www.ce.nl/ce/rapporten/114/</link>
        <atom:link href="http://www.cedelft.nlindex.php?go=home.showRapportenRSS&amp;pagenr=285" rel="self" type="application/rss+xml" />
		<language>nl</language>
		<description>CE Delft Rich Site Summary</description>
		<webMaster>webmaster@ce.nl (Webmaster)</webMaster>
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Moving towards a 30% carbon reduction target in the EUEconomic impacts in Slovakia]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/moving_towards_a_30%25_carbon_reduction_target_in_the_eu%3Cbr%3Eeconomic_impacts_in_slovakia/1189</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/moving_towards_a_30%25_carbon_reduction_target_in_the_eu%3Cbr%3Eeconomic_impacts_in_slovakia/1189</guid>
			<description><![CDATA[In deze studie wordt een kwantitatieve economische analyse gemaakt van de gevolgen voor de Slowaakse economie als de EU haar klimaatdoelstelling opvoert van een 20% reductie van broeikasgasemissies in 2020, vergeleken met 1990, tot een 30% reductie over deze periode. De studie heeft als hoofddoel een inschatting te geven van de kosten en baten voor diverse partijen in de Slowaakse economie bij invoering van een stringentere klimaatdoelstelling, met een uitsplitsing hiervan per sector. Met gebruik van statistische gegevens&amp;nbsp; (Slovstat, EU ETS Registry) en prognoses (PRIMES/GAINS) is een brede macro-economische analyse uitgevoerd om de vermoedelijke gevolgen in kaart te brengen niet alleen voor de elektriciteitssector en de industrie, maar ook voor de economie in bredere zin, waaronder overheidsinkomsten en baten die voortvloeien uit een vermindering van gelieerde milieuemissies.

Als algemene conclusie kan worden gesteld dat de doelstelling van 30% emissiereductie gehaald kan worden zonder extra directe kosten voor de Slowaakse economie. Deze directe kosten zijn ruwweg dezelfde als bij een beleidsdoel van 20% emissiereductie. De modelberekeningen van deze studie wijzen uit dat, alles bij elkaar, het beleidsdoel van -30% voor 2020 ongeveer &amp;euro; 5 miljoen goedkoper is dan het doel van -20%. De hogere reductiekosten bij een -30% scenario worden gecompenseerd door hogere besparingen op brandstof in de industrie en de elektriciteitssector, hogere overheidsinkomsten van emissierechtenveiling en een hogere waarde van het substanti&amp;euml;le aantal emissierechten die bedrijven op de bank hebben staan. Op deze wijze worden de directe kosten van de -30% scenario door de directe baten precies gecompenseerd.

Volgens deze studie brengt het -30% beleidsdoel een aantal aanzienlijke indirecte baten met zich mee. Zo kunnen de &amp;euro; 0.7 miljard extra investeringen tussen 2009 en 2020 mogelijk leiden tot een stijging van ongeveer 0.7% van het BBP in 2020. Er zijn ook andere bijkomende voordelen te verwachten, in de vorm van verbeterde luchtkwaliteit en verminderde afhankelijkheid van brandstofinvoer. Hoewel de industrie met hogere kosten zal komen te zitten, zullen deze hoogstwaarschijnlijk aan consumenten worden doorberekend. Hierdoor zal de industrie een deel van haar marktaandeel verliezen. Het lijkt erop dat het verlies in toegevoegde waarde door energie-intensieve sectoren min or meer gelijk zal zijn aan de baten die uit hogere investeringen voortvloeien.]]></description>
			<pubDate>Fri, 07 Oct 2011 14:29:29 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Marginal land use changes for varying biofuels volumes]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/marginal_land_use_changes_for_varying_biofuels_volumes/1123</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/marginal_land_use_changes_for_varying_biofuels_volumes/1123</guid>
			<description><![CDATA[Dit rapport gaat in op het door RED (*) ge&amp;euml;ntameerde biobrandstofbeleid in afzonderlijke EU-lidstaten in het licht van recente EU-studies over indirecte veranderingen in landgebruik (Engels: &amp;lsquo;ILUC&amp;rsquo;) die aan het telen van de benodigde brandstofgewassen zijn gerelateerd, en van praktische zaken zoals de beschikbaarheid van dergelijke grondstoffen en criteria met betrekking tot brandstofkwaliteit bij het bijmengen van biobrandstoffen. Er wordt geconcludeerd dat het huidige biobrandstofbeleid en ook de ambities van de lidstaten tamelijk ineffici&amp;euml;nt lijken, en bovendien&amp;nbsp; gericht op een&amp;nbsp; suboptimale bijmenging van biobrandstoffen.

Uit de Nationale Actieplannen Hernieuwbare Energie van de afzonderlijke EU-lidstaten blijkt dat de in 2020 toe te passen aanbod aan biobrandstoffen voor minstens&amp;nbsp;1/3 maar waarschijnlijk voor 1/2&amp;nbsp;uit biodiesel zal bestaan. Bio-ethanol zal ongeveer&amp;nbsp;1/4 van de totale mix uitmaken, en op afval gebaseerde biobrandstoffen en groene stroom de rest. Dit wijkt substantieel af van het 50/50 bio-ethanol/biodiesel-mix die besproken wordt in de IFPRI-studie die momenteel door de Europese Commissie wordt gebruikt als hoofdbron van informatie over het optreden van ILUC als gevolg van het Europese biobrandstofbeleid.

Op basis van RED en recente studies over ILUC zal de verwachte biobrandstofmix leiden tot een reductie in broeikasgasemissies van naar schatting 6-17 Mt CO2-eq./a, vooral door gebruik van uit afval gewonnen brandstoffen en groene stroom, en in mindere mate door gebruik van bio-ethanol uit suikergewassen. In afwijking van het algehele beeld zal het gebruik van biodiesel uit oliezaden echter vermoedelijk tot een netto-toename van broeikasgasemissies leiden, als gevolg van ILUC-gerelateerde emissies van deze gassen. Het is bovendien onzeker of er op de internationale oliezaadmarkt voldoende koolzaad voorhanden is om de hoeveelheid biodiesel te produceren die volgens berekeningen nodig is om in de vraag naar eerstegeneratie-biobrandstoffen te voorzien. 

Bovenstaande conclusie kan wellicht dienen als uitgangspunt voor het bijstellen van het Europese biobrandstofbeleid en voor de verdere invulling van de betreffende criteria en voorschriften. Wat dit betreft zou de EU wellicht dezelfde strategie kunnen volgen als in bijvoorbeeld Zweden, waar het beleid gericht is op het gebruik van biogas, bio-ethanol en uit reststoffen van de chemische pulpindustrie gewonnen dieselvervangers. Als Europese alternatief voor tropische suikerriet zou &amp;ldquo;land-extensieve&amp;rdquo; suikerbiet kunnen dienen.

(*) RED = Renewable Energy Directive = EU-richtlijn Hernieuwbare Energie]]></description>
			<pubDate>Wed, 12 Jan 2011 10:51:59 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Economische wetenschap en handelingsperspectieven: meer dan een energieheffing!]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/economische_wetenschap_en_handelingsperspectieven%3A_meer_dan_een_energieheffing%21/1095</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/economische_wetenschap_en_handelingsperspectieven%3A_meer_dan_een_energieheffing%21/1095</guid>
			<description><![CDATA[De Matrix is een meerjarig transdisciplinair project van het Bsik-programma &amp;lsquo;Klimaat voor Ruimte&amp;rsquo; en is gericht op het ontwikkelen van handelingsperspectieven voor de klimaatcrisis in een samenwerkingsverband tussen klimaatwetenschappen, economie, ruimtelijke planning en sociale wetenschappen. CE Delft heeft in dit project de economische component voor haar rekening genomen. In dit essay schetst Sander de Bruyn over de raakvlakken tussen de economische wetenschappen en het klimaatvraagstuk.&amp;nbsp;
&amp;nbsp;
Voor het klimaat zijn de economische wetenschappen enerzijds leverancier van zienswijzen (klimaatverandering als onbetaalde schade) en leverancier van (beleid)instrumenten (handel in emissierechten), maar anderzijds ook leverancier van twijfel en verwarring over de noodzaak om in te grijpen in het marktproces en zo de aarde te behoeden voor de onvermijdelijke opwarming. Veel van die verwarring ontstaat doordat economen zich bezighouden met de wenselijkheid van het voeren van een klimaatbeleid, waarbij de vraag centraal staat of de kosten van ingrijpen in het marktproces kleiner zullen zijn dan de baten van verminderde opwarming. Die vraag is echter niet volledig zuiver te beantwoorden binnen de economische wetenschap omdat klimaatverandering op de (zeer) lange termijn en economie bij uitstek een wetenschap is die ex-post maatschappelijke fenomenen kan verklaren maar ze moeilijk kan voorspellen. Een kosten-baten analyse van klimaatverandering gaat voorbij aan de grote mate van onzekerheid over, bijvoorbeeld, prijs- en inkomensontwikkelingen van regio&amp;rsquo;s in de wereld over een periode van meer dan 100 jaar.

Als we de economische wetenschap loslaten als beschrijvende wetenschap op de klimaatproblematiek valt op dat de kosten van mitigatie thans waarschijnlijk worden onderschat. De klimaatproblematiek is technisch oplosbaar tegen zeer aanvaardbare kosten is de algemene stelling van ondermeer de Stern Review. In de praktijk is de klimaatproblematiek echter geen technisch maar een sociaal probleem met een grote mate van complexiteit. Naast het traditionele marktfalen, waardoor klimaatschade niet (voldoende) geprijsd is, bestaat er ook overheidsfalen in de klimaatproblematiek op twee niveaus. Allereerst leiden de internationale onderhandelingen niet tot gewenste uitkomsten zolang de onevenwichtigheid bestaat dat de rijkere landen vooral moeten betalen voor mitigatie, terwijl armere landen vooral schade ondervinden van de klimaatverandering. Ten tweede resulteert de internationale verwevenheid van handel en kapitaal tot veel beperkingen voor nationale overheden in rijkere landen om klimaatbeleid te voeren.

Gegeven deze beperkingen zou de economische wetenschap zich moeten richten op het ontwerpen van instituties die zowel het markt- als overheidsfalen tot een minimum beperken.. Het essay sluit af met een drietal handelingsperspectieven&amp;nbsp;- in feite drie niet-traditionele richtingen waarbij er potentie aanwezig is om het markt- en overheidsfalen te minimaliseren. Internationaal, bijvoorbeeld in Europees verband, zou men overeenstemming kunnen verkrijgen over het instellen van een Bruto Toegevoegde Koolstofbelasting (BTK) die analoog aan de Bruto Toegevoegde Waarde (BTW) de consumptie gaat belasten voor het gebruik van koolstof, in plaats van in het huidige beleid de productie. Dit voorkomt dat productie zich verplaatst naar landen buiten Europa en zo geen bijdrage levert aan de mondiale reductie van broeikasgassen. Nationaal, zoals binnen Nederland, zou men na kunnen gaan denken over het verder uitbouwen van klimaatcompensatie. Indien klimaatcompensatie steeds meer als geldende norm wordt geaccepteerd, bijvoorbeeld binnen bedrijven of voor burgers, en als de methoden voor klimaatcompensatie worden verbreed (bijvoorbeeld met geo-engineering opties) en verbeterd, dan zou dit een manier zijn om van onderop de samenleving in een duurzame, klimaatneutrale, richting te sturen. Ten derde zou men lokaal moeten nadenken over sociaal wenselijk ontwerp, bijvoorbeeld bij woonwijken of bedrijventerreinen. Automobiliteit en energie-intensief gedrag kan op die manier onaantrekkelijk worden gemaakt zonder dat de overheid met het opgeheven vingertje hoeft te zwaaien.]]></description>
			<pubDate>Fri, 04 Mar 2011 15:13:26 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[BUBE: Better Use of Biomass for EnergyAchtergrondrapport bij de Position Paper van IEA REDT en IEA Bioenergy]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/bube%3A_better_use_of_biomass_for_energy%3Cbr%3Eachtergrondrapport_bij_de_position_paper_van_iea_redt_en_iea_bioenergy/1114</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/bube%3A_better_use_of_biomass_for_energy%3Cbr%3Eachtergrondrapport_bij_de_position_paper_van_iea_redt_en_iea_bioenergy/1114</guid>
			<description><![CDATA[Dit rapport is geschreven om ondersteuning te bieden inzake het beleid van OECD-landen met betrekking tot het gebruik van biomassa voor energiedoeleinden. Hoe kan dit gebruik worden verbeterd, teneinde het duurzame biomassapotentieel beter te benutten en de positieve effecten te vergroten en de negatieve te temperen?

De eerste stap in de biomassa-naar-energie-keten is productie en levering van de biomassa. Deze processen kunnen op verscheidene manieren worden verbeterd, vooral door opvoering van binnenlandse aanvoer en handel en vermindering van de milieugevolgen van biomassaproductie. Landgebruik voor het telen van bioenergiegewassen en eventuele daarmee samenhangende veranderingen in landgebruik elders zijn van cruciaal belang voor de milieuprestaties van bioenergie, de sociaaleconomische gevolgen ervan en de concurrentie met voedsel en dierenvoer. De tweede stap omvat verwerking en gebruik. De belangrijkste elementen van het verbeteren van deze stappen in de biomassa-naar-energie-keten zijn verbetering van de effici&amp;euml;ntie van verwerking en gebruik, en toepassing van koolstofarme hulpenergiebronnen bij de betreffende processen. Om beleidsmakers te ondersteunen in hun streven verbetering te brengen in het beleid ten aanzien van biomassa-voor-energie bevat dit rapport ook een reeks criteria voor duurzamer gebruik van biomassa voor dit doel.

Deze studie is uitgevoerd in gezamenlijke opdracht van IEA RETD en IEA Bioenergy. De belangrijkste conclusies en boodschappen van dit project zijn gepubliceerd in een gezamenlijke Position Paper van IEA RETD en IEA Bioenergy en gepresenteerd bij de in december 2009 gehouden COP15-vergadering. Deze paper kan hier en op www.iea-retd.org worden gedownload.]]></description>
			<pubDate>Tue, 21 Dec 2010 15:25:23 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Technologische ontwikkelingen in EuropaEen langetermijnvisie op CO2-effici&#235;nte productie in de Europese regio]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/technologische_ontwikkelingen_in_europa%3Cbr%3Eeen_langetermijnvisie_op_co2-effici+en+%23235%3Bnte_productie_in_de_europese_regio/1115</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/technologische_ontwikkelingen_in_europa%3Cbr%3Eeen_langetermijnvisie_op_co2-effici+en+%23235%3Bnte_productie_in_de_europese_regio/1115</guid>
			<description><![CDATA[Technologische innovatie is een onmisbaar onderdeel van inspanningen om een significante vermindering van CO2-emissies te bereiken. In deze ori&amp;euml;nterende studie in opdracht van CAN Europe wordt door CE Delft geanalyseerd in hoeverre het waarschijnlijk is dat nu in ontwikkeling zijnde innovaties in de Europese staal-, cement- en papierindustrie zullen leiden tot een reductie van 80-95% van CO2-emissies in 2050: de Europese klimaatdoelstelling voor de lange termijn. Het rapport gaat in op maatregelen die verband houden met energieverbruik, wijzigingen aan productieprocessen en gebruik van CCS, het afvangen en opslaan van CO2.

Op basis van de beschikbare informatie zijn in deze sectoren een aantal technologie&amp;euml;n ge&amp;iuml;dentificeerd die met betrekking tot CO2-effici&amp;euml;ntie veelbelovend zijn. Naar het er uitziet, kunnen deze potentieel leiden tot significant lagere CO2-emissies per eenheid product, vergeleken met de huidige gemiddelde Europese productie-eenheid.

De meeste van deze technologie&amp;euml;n zijn momenteel in een vroege, experimentele fase van ontwikkeling en zullen waarschijnlijk pas tussen 2020 en 2030 commercieel beschikbaar worden. In de toekomst kunnen ook andere veelbelovende technologie&amp;euml;n naar voren komen die op het ogenblik niet serieus worden ontwikkeld, zoals elektrolyse in de staalsector en innovatieve droogtechnieken in de papierindustrie. Geslaagde invoering van de aangewezen technologie&amp;euml;n vereist van beleidsmakers dat ze:&amp;nbsp;

    De verdere technische ontwikkeling ondersteunen, bijvoorbeeld door het beschikbaar stellen van aanvullende fondsen voor O&amp;amp;O&amp;nbsp;
    Voor CO2-arme technologie&amp;euml;n gunstige marktvoorwaarden scheppen, onder andere door een meer geschikte opzet van het EU ETS

De meeste van deze technologie&amp;euml;n steunen tenslotte zwaar op CCS, hetgeen leidt tot een prioriteitsprobleem. Omdat de CO2-opslagcapaciteit die aan veiligheidsvereisten voldoet beperkt lijkt te zijn, rijst de vraag of deze voor de industrie gereserveerd zou moeten worden in plaats van voor de energiesector (kolen), waar alternatieve maatregelen om CO2-emissies te verminderen voorhanden lijken te zijn.&amp;nbsp;&amp;nbsp;]]></description>
			<pubDate>Tue, 04 Jan 2011 21:04:26 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Does the energy intensive industry obtain windfall profits through the EU ETS?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/does_the_energy_intensive_industry_obtain_windfall_profits_through_the_eu_ets/1038</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/does_the_energy_intensive_industry_obtain_windfall_profits_through_the_eu_ets/1038</guid>
			<description><![CDATA[Emission trading schemes belong to the most efficient and effective policy options to achieve a given emission reduction target. In an emission trading system, each source of pollution gets a certain amount allowances that give the &amp;lsquo;right&amp;rsquo; to emit one unit of pollution. By reducing the amount of allowances issued, the system can achieve emission reductions among its participants. By allowing the allowances to be traded on an organized exchange, the market assures that these reductions are achieved at the least possible cost for participants.

In theory, the efficiency of the system is achieved regardless of the initial allocation method. Allocation methods most often considered are auctioning and free allocation. Because free allocation impacts less on the costs for companies, it is believed to be a better system in the context of unilateral climate policies. Through free allocation, companies face less cost disadvantages compared to producers that do not fall under a climate policy regime. Free allocation would therefore have less distortive impacts on trade and economic growth - allowing EU producers to compete at lower price levels than would be possible under an auctioning regime.

However, this belief in the benefits of free allocation crucially hinges on the assumption that companies do not pass through the opportunity costs of their freely obtained allowances in the product prices. If they would pass through the market value of the freely obtained allowances, product prices would rise and the impacts on trade and competitiveness of a system of free allocation would be similar to that of auctioning. The only effect of free allocation would then be that companies gain windfall profits through the emission trading system and income from citizens will be transferred to business. This would be a particularly unfavourable outcome in the European context, where free allocation is presented as a solution towards carbon leakage. 

Economic theory tells us that companies will pass through the costs of the freely obtained allowances in most circumstances &amp;ndash; even if this will bring them a competitive disadvantage to producers not due to climate policies. According to economic theory, companies are profit-maximizing institutions that prefer profitability on invested capital over maintaining market shares. If passing through the opportunity costs in product prices can enhance their profitability, they will do so even if this would bring them some harm in terms of loss of market shares, as long as the additional profits do outweigh the additional costs. How much the firms will be able to pass the costs on depends on market structure and on elasticity of demand and supply. Theoretical analysis shows that typically, assuming linear demand and supply curves, the firms will be able to pass from 50% of increase in marginal costs due to the EU ETS (under the monopoly) to a 100% (under perfect competition). How much the increase in marginal costs reflects the carbon price depends on elasticity of supply and demand. Assuming non-linear demand and supply curves implies different rules and a possibility to pass on more than a 100% of additional costs due to the EU ETS. 

We have tested the hypothesis that energy intensive companies did not pass through the costs of their freely obtained allowances during Phase 1 and Phase 2 of the European emission trading system the EU ETS. The EU emissions trading scheme (EU ETS) was launched in 2005 to cap CO2 emissions from large industrial facilities and electricity producers. Covering over 10,000 installations, it is the largest international emission trading system in the world. During Phase 1 (from 2005-2007) and Phase 2 (from 2008 till 2012), allowances were issued for free to the energy intensive industries in all member countries. The question is whether the value of these free allowances have been forwarded in the price of EU products, signalling windfall profits, or that EU producers did not do that. 

This is investigated using econometric methods stemming from the concept of co-integration and market integration. The idea is that several dependencies exist between EU and non-EU markets through the prices of inputs in production processes and the prices of outputs on the various markets. If, for instance, prices of iron ores increase in Asia, they are likely to start to increase in Europe as well. This will put an upward pressure on the price of steel in both Europe and Asia. If Asian steel prices increase due to local shortages, this will also put an upward pressure on European steel prices as a larger portion of European steel will be shipped to Asia. In this system of market dependencies, it can then be investigated if the price of an emission allowance at the European ETS market is a significant variable for the variation in prices between EU and non-EU products over time. 

A standardized estimation procedure was developed (co-developed and reviewed by three independent econometricians) in order to come up with robust outcomes (and preventing data mining and spurious outcomes). This estimation procedure was subsequently applied to a few selected products from the iron and steel, refineries and (petro)-chemical industries. For these products, prices were compared between the EU and the US and it was investigated to what extent European prices were influenced by price developments on the EU ETS markets. 

The outcomes of the econometric analyses show that for most products a significant influence of the EUA prices on the European product prices can be found. For products from the refineries sectors (gasoil, diesel and gasoline) a quite direct influence can be found. Within two weeks are higher prices on the EU ETS markets translated into higher prices on the German markets for diesel and gasoline. For gasoil traded in Rotterdam an immediate price increasing effect from CO2 prices can be found. For the products of the iron and steel sectors (hot and cold rolled coil), a significant influence of CO2 prices can be found after one month, while for polyethylene, polystyrene and polyvinylchloride a delayed influence from 3-8 weeks can be found. 

The cost-pass-through rates from the econometric estimations show that for products of the refineries sector full cost-pass-through rates are likely. The econometric results even suggest that more than 100% of the costs were passed through, but this cannot be stated with certainty. For both steel varieties, the cost-pass-through was close to 100%. The same value was found for polyvinylchloride and polyethylene. For polystyrene the cost-pass-through rate was significant but much lower at 33%. 

These results cannot be directly interpreted in amount of windfall profits, as we have no information on the individual emissions stemming from producing these products. However, if the full cost-pass-through rates would prevail for all products in the refineries and iron and steel sectors, it can be calculated that the total amount of windfall profits would equal &amp;euro; 14 billion between 2005 and 2008. This implies a substantial transfer of money from consumers to the energy intensive industry. 

This research hence results in the conclusion that there is ample evidence that the energy intensive industry has passed through the prices of their freely obtained allowances during Phase 1 and Phase 2 of the EU ETS. This has generated windfall profits in these sectors. The cost price increase is identical as it would have been under an auctioning regime but without the possibility that governments would have to compensate consumers by recycling auction revenues. Politicians seem to have underestimated the potential of windfall profits in exposed sectors and have believed overall the claims of industry that additional costs cannot be passed through. The higher prices on the EU markets may have stimulated imports from non-EU producers but this was not quantitatively assessed in this study. The results, however, do point at the suggestion that free allocation falls short of its intentional goals: to prevent carbon leakage. Under free allocation both windfall profits and carbon leakage may be stimulated.]]></description>
			<pubDate>Mon, 17 May 2010 11:47:02 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Trade Exposure of Energy Intensive Sectors]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/trade_exposure_of_energy_intensive_sectors/1030</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/trade_exposure_of_energy_intensive_sectors/1030</guid>
			<description><![CDATA[In dit rapport worden de oorsprong en bestemming van handelsstromen tussen EU- en niet-EU-landen voor acht industri&amp;euml;le sectoren geanalyseerd. Door deze inzichten te combineren met een analyse van de tijdens de recente Kopenhagen-onderhandelingen gedane politieke toezeggingen, wordt een beeld verkregen van het risico van koolstoflekkage als gevolg van EU klimaatbeleid. Onze analyse laat zien dat er veel handel plaatsvindt tussen de EU en landen die klimaatbeleid reeds hebben ingevoerd. Omdat deze belangrijke handelspartners naar alle waarschijnlijkheid vergelijkbaar klimaatbeleid zullen invoeren als in de EU, zal CO2 wellicht ook in deze markten een prijs krijgen, zodat het risico van koolstoflekkage wordt verminderd of mogelijk voorkomen. Hiervoor moeten de handelsintensiteiten worden gecorrigeerd.

Wanneer de EU tot een emissiereductiedoelstelling van 30% besluit, zal handel met Australi&amp;euml;, Nieuw Zeeland, Japan, Zwitserland, Brazili&amp;euml; en Mexico moeten worden uitgesloten van de berekening van handelsintensiteiten, omdat deze landen dan vergelijkbaar klimaatbeleid zullen invoeren. In dat geval zullen de handelsintensiteiten met gemiddeld -3% moeten worden gecorrigeerd. Als de EU uiteindelijk tot een emissiereductiedoelstelling van 20% besluit, zullen de handelsstromen met Rusland, Canada en de VS ook moeten worden uitgesloten, omdat deze landen dan vergelijkbaar streng klimaatbeleid zullen gaan voeren. De gemiddelde correctie op de handelsintensiteiten zal in dat geval -8,5% zijn.

Deze resultaten hebben direct gevolg voor het toewijzingsmechanisme voor bepaalde sectoren, die dan geen gratis emissierechten meer zullen krijgen omdat ze dan niet meer worden geacht aan internationale concurrentie te zijn &amp;lsquo;blootgesteld&amp;rsquo;. Een lijst van de betreffende sectoren is in het rapport opgenomen. Tegelijkertijd zullen sectoren die als gevolg van het EU ETS vermoedelijk met grote kostenstijgingen (&amp;gt;5%) te maken krijgen nog altijd gratis emissierechten krijgen toegewezen.]]></description>
			<pubDate>Thu, 15 Apr 2010 16:28:43 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Kostentoedeling EU ETS]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/kostentoedeling_eu_ets/1062</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/kostentoedeling_eu_ets/1062</guid>
			<description><![CDATA[Na 2012 gaat de derde Fase van het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) in die tot 2020 duurt. Nieuw in deze Fase is de Europees geharmoniseerde uitgifte van rechten waarbij per sector de rechten en de uitgiftebasis wordt vastgesteld. Ook zal een aanzienlijk groter deel van de rechten worden geveild. 

Voor Nederland betekent de derde Fase van het EU ETS dat de emissies van bedrijven die onder het EU ETS vallen in 2020 met 21% moeten zijn afgenomen ten opzichte van 2005. Dat brengt kosten voor deze bedrijven met zich mee, zoals de aankoop van rechten of het nemen van technische en organisatorische maatregelen om CO2-emissies te reduceren. Ook nemen de kosten van inputs, zoals elektriciteit, voor bedrijven toe.
Deze studie, in opdracht van het ministerie van Financi&amp;euml;n, geeft inzicht op de omvang van deze kosten en beantwoordt de vraag door wie deze kosten uiteindelijk betaald worden. Het onderzoek geeft de totale inkomenseffecten weer voor het bedrijfsleven, consumenten en de overheid. Daarbij wordt vooral naar de directe kosten en effecten gekeken. Eventuele indirecte effecten zoals veranderingen in bijvoorbeeld de afzet, de werkgelegenheid of inkomsten uit belastingen, zijn niet meegenomen in deze studie.]]></description>
			<pubDate>Thu, 04 Nov 2010 12:59:07 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energietransitie Amsterdam 2040]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energietransitie_amsterdam_2040/1070</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energietransitie_amsterdam_2040/1070</guid>
			<description><![CDATA[Amsterdam wil met de Energiestrategie 2040 de omslag maken naar een duurzame energievoorziening. 

In de Energiestrategie staat beschreven langs welke hoofdlijnen dat doel voor elke sector bereikt kan worden. Het document levert daarmee input voor de Structuurvisie Amsterdam 2040.

De Energiestrategie is uitgedrukt in termen van CO2-emissiereducties, mede omdat klimaatbeleid een belangrijke pijler is onder de strategie, maar zeker niet de enige. Andere belangrijke pijlers zijn sociaal- en economisch beleid. Inzetten op energiebesparing en op duurzame energieopwekking betekent immers ook inzetten op acceptabele variabele woonlasten en op voorzieningszekerheid. Daarnaast levert de inzet op gebouwisolatie, op effici&amp;euml;nte gebouwinstallaties en op duurzame energiebronnen zoals zonnecellen en windmolens belangrijke werkgelegenheid in de regio op en ook aantrekkingskracht op innovatieve bedrijvigheid. 

De Energiestrategie 2040 is daarmee ook een verstandig sociaal en economisch beleid. Amsterdam kiest daarbij de rol van koploper; een partij die laat zien wat er kan en d&amp;agrave;t het kan, daarbij een beroep doend op burgers, bedrijven en andere overheden om dat voorbeeld te volgen. De gemeentelijke organisatie geeft zelf het goede voorbeeld door in 2015 geheel klimaatneutraal te zijn.&amp;nbsp;
&amp;nbsp;]]></description>
			<pubDate>Fri, 09 Jul 2010 10:41:14 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Better Use of Biomass for Energy]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/better_use_of_biomass_for_energy/1057</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/better_use_of_biomass_for_energy/1057</guid>
			<description><![CDATA[Welke kansen liggen er om met bio-energie zoveel mogelijk broeikasgasreductie te bereiken? Met welk beleid kunnen de kansen die bio-energie biedt op een duurzame manier optimaal worden benut? Dit waren de belangrijkste vragen bij een studie waarvan de resultaten tijdens de klimaattop in Kopenhagen zijn gepresenteerd. De conclusie van het onderzoek is dat er een groot aantal mogelijkheden is om het gebruik van biomassa voor energie te verbeteren, zowel aan de aanbodkant en productie van biomassa als ook bij conversie naar een eindproduct (elektriciteit, warmte, transportbrandstof, etc.). 

Opdrachtgevers van deze studie waren de International Energy Agency (IEA) Renewable Energy Technology Deployment (RETD) en IEA Bio-energy. 

Het onderzoek werd uitgevoerd in samenwerking met het &amp;Ouml;ko Institut, Aidenvironment en het Clingendael International Energy Programme. Binnenkort wordt het achtergronddocument gepubliceerd. U kunt de position Paper en de Presentatie die in Kopenhagen is gegeven hierboven&amp;nbsp;downloaden.]]></description>
			<pubDate>Wed, 16 Jun 2010 14:22:59 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Klimaatneutraal worden doe je zo!]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/klimaatneutraal_worden_doe_je_zo%21/994</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/klimaatneutraal_worden_doe_je_zo%21/994</guid>
			<description><![CDATA[Steeds meer organisaties willen klimaatneutraal worden, maar worstelen daarbij met hun aanpak; hoe pak je dat aan en hoe voorkom je dat je wordt beschuldigd van &amp;ldquo;greenwashing&amp;rdquo;? Iedere organisatie vindt het wiel opnieuw uit, is een veelgehoorde kreet op dit vlak. De handreiking &amp;ldquo;Klimaatneutraal worden doe je zo!&amp;rdquo; helpt bedrijven en gemeenten op weg.

Stichting Stimular, CE Delft en Stichting Natuur en Milieu hebben de handreiking opgesteld, na discussie met een brede groep stakeholders over het begrip klimaatneutraal. De handreiking maakt onderscheid tussen verschillende soorten initiatieven. Een klimaatneutraal product is immers iets heel anders dan een klimaatneutrale organisatie. De handreiking beschrijft de emissies die meegenomen kunnen worden en de maatregelen die zinvol zijn om klimaatneutraal te worden. Dat zijn ten eerste energiebesparing en duurzame energie. De CO2-uitstoot die daarna (eventueel) nog overblijft kan worden gecompenseerd via aankoop van CO2-credits. De handreiking geeft informatie over de verschillende vormen van CO2- compensatie en beschrijft de voor- en nadelen van de verschillende systemen. Compenseren is altijd de laatste stap, na energiebesparing en duurzame energie.

Klimaatneutraal Gold
De handreiking geeft inzicht in welke emissies bij een klimaatneutraal initiatief gereduceerd dan wel gecompenseerd moeten worden, wil het geloofwaardig zijn. Omdat een organisatie niet van vandaag op morgen klimaatneutraal kan worden introduceren we verder het hogere ambitieniveau &amp;ldquo;Klimaatneutraal Gold&amp;rdquo;. Na verloop van tijd kan een organisatie nog een stap verder gaan in het terugdringen van emissies, door bijvoorbeeld ook de emissies bij toeleveranciers of kopers van zijn product mee te nemen. Bijvoorbeeld een auto die &amp;ldquo;Klimaatneutraal Gold&amp;rdquo; is, is niet alleen klimaatneutraal geproduceerd in de fabriek, maar rijdt ook klimaatneutraal.

Transparant en geloofwaardig
Klimaatneutraal moet geen vlag zijn op een modderschuit. Een oliemaatschappij die op grote schaal olie wint uit teerzand ten koste van natuur en milieu, maar wel &amp;eacute;&amp;eacute;n soort klimaatneutrale benzine verkoopt, is niet erg geloofwaardig. Klimaatneutraal moet passen bij de bredere filosofie van de organisatie. De handreiking wijst op het belang om consistent te zijn en helder te communiceren over de gekozen aanpak &amp;ndash;waarom juist dit product, waarom neem ik deze emissies mee, waarom pas ik compensatie toe?- en de vervolgstappen. Organisaties die klimaatneutraliteit willen gebruiken om de aandacht van vervuilende activiteiten af te leiden, zullen door publiek en media terecht van &amp;lsquo;greenwashen&amp;rsquo; beschuldigd worden.]]></description>
			<pubDate>Tue, 16 Feb 2010 13:16:01 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Impacts on Dutch industry from sharpening the EU CO2 target from -20 to -30%]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/impacts_on_dutch_industry_from_sharpening_the_eu_co2_target_from_-20_to_-30%25/1020</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/impacts_on_dutch_industry_from_sharpening_the_eu_co2_target_from_-20_to_-30%25/1020</guid>
			<description><![CDATA[This study presents an analysis into the consequences of the costs for industry in the Netherlands of moving within the EU from a CO2 reduction target of -20 to -30%. Three scenarios have been formulated with respect to the input of CDM and the associated price developments in the EU ETS market. In these scenarios the impacts of the financial crisis have been taken into account. These three scenarios have been analyzed with respect to the potential costs for industry of complying with EU ETS. We distinguished both the direct costs of complying with EU ETS and the costs of increased electricity-inputs. It appears that the highest additional cost increases occur for the cement industry, the aluminum industry and the inorganic chemicals. These sectors have little opportunities to reduce emissions or electricity demand. The aluminium and inorganic chemical industry mainly suffer from the higher electricity prices, while the cement sector will be a net buyer of allowances. Some sectors, e.g. refineries and fertilizer, may profit from the more strict emission regime as they have opportunities to reduce their emissions at lower costs and become net sellers of emission credits. The costs presented here are gross cost price increases. However, part of these costs will be passed on to the consumers - this has not been taken into account in this study. Earlier research indicated that about half of the additional costs of EU ETS may be passed on to the consumers. . 
&amp;nbsp;
The total sum of costs were estimated at 0.4 billion annually in 2020 under the -20% target (less than 0.1% of GDP). For the target of -30% and no additional use of CDM, these costs will increase to about 0.2% of GDP.&amp;nbsp; Hence additional costs of more ambitious targets are estimated to be low.]]></description>
			<pubDate>Tue, 27 Apr 2010 10:29:24 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Zonne-energie (CSP) in Noord-Afrika]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/zonne-energie_%28csp%29_in_noord-afrika/977</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/zonne-energie_%28csp%29_in_noord-afrika/977</guid>
			<description><![CDATA[CE Delft heeft onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor de ontwikkeling van zonne-energie (Concentrating Solar Power = CSP) in Noord-Afrika. CE Delft heeft ook gekeken naar de mogelijkheden om vanuit Noord-Afrika duurzame zonne-energie te leveren aan de EU. 

De uitkomst is, dat CSP in technische zin een bewezen techniek is en dat 
Noord-Afrika een zeer geschikt gebied is om CSP te ontwikkelen. Er zijn voldoende mogelijkheden om vanuit Noord-Afrika duurzame energie te leveren aan de EU.
De Nederlandse overheid richt zich echter voorlopig op de ontwikkeling van duurzame energie binnen de Nederlandse landsgrenzen (zoals windenergie op land en water, zonnecellen). 
Nederlandse bedrijven richten zich bij de ontwikkeling van CSP echter voorlopig liever op Zuid-Europa dan op Noord-Afrika. 

Inmiddels hebben twaalf grote Europese bedrijven de intentie uitgesproken om ongeveer 400 miljard &amp;euro; te investeren in het aanleggen van de infrastructuur en de capaciteit om zonne-energie in Noord-Afrika op te wekken. CE Delft ziet kansen voor Nederland - overheid, kennisinstellingen en bedrijfsleven - om in te spelen op deze ontwikkeling en bij te dragen aan een duurzame ontwikkeling van Noord-Afrikaanse staten, gebruik makend van de mogelijkheden die CSP in dit gebied met zich meebrengt.]]></description>
			<pubDate>Fri, 13 Nov 2009 11:31:00 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Second IMO GHG Study 2009]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/second_imo_ghg_study_2009/941</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/second_imo_ghg_study_2009/941</guid>
			<description><![CDATA[Shipping currently accounts for 3.2% of anthropogenic CO2 emissions and its emissions are forecasted to increase 2-3 fold until 2050. While a significant potential exists to increase the efficiency of ships and thus reduce emissions, much of this potential is left untapped because of a lack of adequate incentives. The introduction of a global emissions trading scheme for shipping or a global emissions levy would provide the right incentive to make shipping contribute to the solution of the climate problem.

This report provides a full overview of climate issues for maritime transport. It shows:
- Past, current and future CO2 emissions of shipping.
- Current and future climate impact of shipping.
- A comprehensive list of technical and operational measures to reduce emissions.
- The costs and abatement potential of these options.
- An assessment of policies to reduce the climate impact of shipping.

The report has been written by a consortium led by MARINTEK for the IMO. CE Delft was responsible for assessing costs and potential of technical and operational options to reduce emissions and for the policy evaluation.]]></description>
			<pubDate>Wed, 26 Aug 2009 16:15:12 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Nieuwe energie voor de visserij]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/nieuwe_energie_voor_de_visserij/940</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/nieuwe_energie_voor_de_visserij/940</guid>
			<description><![CDATA[Aanleiding
Visserijschepen, met name de grote Noordzeekotters die op schol en tong vissen, zijn grootverbruikers van gasolie. &amp;Eacute;&amp;eacute;n van de potenti&amp;euml;le opties om het brandstofverbruik terug te dringen, uit economische overwegingen of uit oogpunt van energietransitie en klimaat, is om gebruik te maken van alternatieve energiebronnen. 

Dit rapport, dat is geschreven in opdracht van het InnovatieNetwerk, bevat een verkenning van de mogelijkheden om verschillende vormen van energie aan boord te winnen. Het resultaat is een aantal kansrijke opties die verder ontwikkeld zouden kunnen worden. Uiteraard zijn er ook andere opties om brandstofverbruik te verminderen, zoals bijvoorbeeld verandering van vistechniek, maar deze zijn in dit onderzoek niet verder onderzocht. 

Wind
Tot de komst van stoomschepen en gemotoriseerde vaartuigen was wind de voornaamste energiebron in de visserij. Huidige vistechnieken zijn echter aangepast aan de hoge vermogens die door de motoren van nu worden gegenereerd, zodat niet zonder meer kan worden teruggevallen op de traditionele zeilschepen. 

Technieken om windenergie te benutten zijn, naast traditionele zeilen, de vlieger, de Flettnerrotor en de windturbine. Op de middellange termijn lijkt de vlieger de meest kansrijke optie , en wellicht ook zeilen. Op de langere termijn wordt de Flettnerrotor misschien ook interessant. Met name voor toepassing van vliegers en Flettnerrotors zijn waarschijnlijk slechts beperkte aanpassingen aan het scheepsontwerp nodig. Alle drie de opties kunnen in principe een significante bijdrage leveren aan de voortstuwing van het schip. 

Zon
Zonne-energie kan benut worden door zonnepanelen. Dit is een reeds bekende techniek die steeds verder wordt ontwikkeld. Op schepen wordt zij op zeer kleine schaal toegepast. Omdat de kosten op dit moment echter nog hoog zijn en het potentieel laag lijkt deze techniek niet direct geschikt. Een andere optie voor het benutten van zonne-energie is Concentrated Solar Power, waarbij spiegels zonlicht concentreren. De voortdurende beweging van het schip maakt toepassing van deze technologie aan boord echter vooralsnog onmogelijk. 
&amp;nbsp;
Water
Energie kan ook worden gewonnen uit water, bijvoorbeeld uit getijden en golfslag (1) . Er zijn verschillende idee&amp;euml;n voor het benutten van de beweging van het water aan boord van schepen, maar deze technieken staan nog in de kinderschoenen. Het zijn lange termijn opties en verder onderzoek is nodig om hun potentieel te kunnen kwantificeren en om de technieken verder te ontwikkelen. 

Overige energiebronnen
Twee technieken die niet onder &amp;eacute;&amp;eacute;n van de hierboven genoemde kopjes vallen zijn energie uit zwaartekracht en energie uit spuiwater. Bij energie uit zwaartekracht wordt de energie die vrijkomt bij het laten zakken van de netten opgeslagen. Bij energie uit spuiwater worden kleine molentjes geplaatst in de afvoerkanalen voor het spuiwater. Het potentieel van beide technieken is klein, voordeel is echter dat zij slechts om kleine ingrepen aan boord van de vissersschepen vragen. 

Welke opties worden aanbevolen?
Alle technologie&amp;euml;n zijn getoetst aan twee criteria, namelijk:
1.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; Kan zij een significante hoeveelheid energie leveren?
2.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; Is zij praktisch toepasbaar aan boord van een boomkorkotter?
Daarnaast is bekeken op welke termijn de technieken beschikbaar zouden kunnen komen voor de visserij. Een aantal technieken zijn al direct toepasbaar, een aantal zijn in ontwikkeling en bij een aantal staat de ontwikkeling nog in de kinderschoenen.

We concluderen dat de volgende opties een bijdrage zouden kunnen leveren aan significante brandstofbesparing, en daarmee aan de doelstelling van het InnovatieNetwerk: 
&amp;bull;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; Zeilen (middellange tot lange termijn).
&amp;bull;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; De vlieger (middellange termijn).
&amp;bull;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; De Flettnerrotor (lange termijn).

De vlieger biedt waarschijnlijk de beste kansen op de middellange termijn, het is dan ook aan te bevelen om deze optie verder te onderzoeken, en te kijken of hiervoor een proefproject kan worden uitgevoerd. Ook de andere opties, met name zeilen, lijken kansrijk voor de langere termijn, zodat verder onderzoek aan te bevelen is. 

Bij de volgende opties is het potentieel waarschijnlijk vrij beperkt, maar zijn de onzekerheden over potentieel en toepasbaarheid nog groot:
&amp;bull;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; Energie uit beweging van het water (lange termijn).
&amp;bull;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; Energie uit beweging van het schip (lange termijn). 

Daarnaast zijn een aantal andere opties ge&amp;iuml;dentificeerd die praktisch haalbaar lijken maar slechts een (zeer) beperkt potentieel hebben: windturbines, zonnepanelen, energie uit zwaartekracht en energie uit spuiwater. Uit een kosten-batenanalyse zal moeten blijken of toepassing van deze technieken zinvol is.]]></description>
			<pubDate>Tue, 01 Mar 2011 15:12:21 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[GHG reduction in transport: an expensive option?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/ghg_reduction_in_transport%3A_an_expensive_option/999</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/ghg_reduction_in_transport%3A_an_expensive_option/999</guid>
			<description><![CDATA[On behalf of the Joint Transport Research Centre Working Group on Greenhouse Gas Reduction Strategies for the Transport Sector (which is part of OECD&amp;rsquo;s International Transport Forum), CE Delft has examined abatement costs for measures in the transport sector compared to costs in other sectors. 
A series of large studies on GHG abatement costs has been investigated, especially in the EU, the USA and on a global level. These show that, compared to other sectors, the transport sector has a significant reduction potential available at negative abatement costs. Especially for the longer term (2030) the total reduction potential with GHG abatement costs below e.g. 20 or 40 &amp;euro;/ton CO2 eq. is not only a significant share of the total emissions of the transport sector, but also substantial in absolute terms compared to reduction potentials available in the same cost range in other sectors. Compared to other sectors technical measures in the transport sector do tend to require relatively large up-front capital investments per tonne of GHG reduction.
The review presented in this report has also provided a range of insights regarding methodological and other aspects that influence the outcome and comparability of GHG abatement cost estimates. Given the inherent uncertainties in (ex ante) technology cost estimates and the impact of parameter variations, abatement cost figures should not be expected to have much more than a single digit accuracy. This means that only the order of magnitude (is it -10, 0, 10, 25 or 100 &amp;euro;/tonne) can be considered significant or meaningful.]]></description>
			<pubDate>Tue, 01 Mar 2011 15:17:49 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Visie op instrumentarium Gebouwde Omgeving]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/visie_op_instrumentarium_gebouwde_omgeving/1022</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/visie_op_instrumentarium_gebouwde_omgeving/1022</guid>
			<description><![CDATA[Gezamenlijk voorstel van energiebedrijven, milieuorganisaties en vakbonden 
EnergieNed, Natuur &amp;amp; Milieu en AbvaKabo FNV constateren dat er verdere stappen nodig zijn om de klimaatdoelstelling voor de gebouwde omgeving en de economie als geheel in 2020 te halen. De essentie is als volgt: Om een succesvolle en ambitieuze energiebesparing in de gebouwde omgeving te bereiken wordt een beleidspakket voorgesteld dat bestaat uit de volgende hoofdcomponenten:

    Cre&amp;euml;ren van kwalitatief en kwantitatief goed aanbod 
    Het aanpakken van grote aantallen woningen kan alleen als er een goed aanbod is aan energiebesparende maatregelen en dienstverleners die zulke maatregelen in woningen kunnen installeren. Die kant van de markt moet ontwikkeld worden. Het programma &amp;lsquo;Meer met Minder&amp;rsquo; kan daarvoor de basis leggen.
    Cre&amp;euml;ren van voldoende vraag naar energiebesparing/schone energie 
    Een verleidingsaanpak, met subsidies en premies, kan koplopers onder burgers en bedrijven in beweging brengen en zo de vraag naar besparing en schone energie op gang helpen. Daarmee wordt het voor aanbieders ook interessant om dienstverlening in de markt te zetten.
    Zorgen dat iedereen gaat meedoen 
    Niet iedereen zal zich echter door subsidies en premies laten verleiden tot investeringen in besparing. Zorgen dat iedereen meedoet is dan ook nodig om een forse besparing te bereiken. Dat kan door ook voor bestaande woningen een norm voor de energieprestatie in te voeren. Het succes van die aanpak heeft zich inmiddels bewezen voor alle nieuwbouw in Nederland. Ook is het nodig dat het kabinet zorgt dat een unieke kans op energiebesparing benut wordt door ambitieuze energienormen voor elektrische apparaten in Brussel af te spreken. In de komende maanden worden besluiten genomen over nieuwe Europese energienormen voor een reeks van elektrische apparaten (Ecodesign-richtlijn).
    Gebruik en gedrag sterker be&amp;iuml;nvloeden
    Meer isolatie en betere installaties leggen de basis voor zuiniger omgaan met energie. Het uiteindelijke resultaat zal echter afhangen van gebruik en gedrag door de bewoner. Door een prijs- of budgetinstrument voor de gebouwde omgeving in te richten kan daar sterker in gestuurd worden.
]]></description>
			<pubDate>Tue, 20 Jul 2010 11:08:56 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Evaluatie klimaatstandaarden]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/evaluatie_klimaatstandaarden/884</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/evaluatie_klimaatstandaarden/884</guid>
			<description><![CDATA[E&amp;eacute;n van de manieren waarop de overheid aan klimaatcompensatie kan doen is de aankoop van vrijwillige emissie reducties (VER credits). Het is daarbij van belang dat de betrouwbaarheid van deze credits gewaarborgd is. De minister van VROM heeft dan ook aan de Tweede Kamer toegezegd minimale kwaliteitseisen te zullen ontwikkelen voor toekomstige aanbestedingen op dit gebied. Het ministerie van VROM heeft aan Arcadis en CE Delft gevraagd onderzoek hiernaar te doen. 

In de VER markt zijn tal van standaarden voor de aangeboden VER credits. Er zijn twee criteria waaraan een standaard minimaal zou moeten voldoen om de geloofwaardigheid van emissiereducties te garanderen. Ten eerste moet de kwaliteit van auditors gecontroleerd worden. Deze auditors beoordelen projectvoorstellen, op basis waarvan besloten wordt of een bepaald project VER credits toegekend krijgt en, zo ja, hoeveel. Ten tweede moeten projecten getest worden op additionaliteit. Het gaat dan om de zekerstelling dat de CO2-reductie zonder extra investering in VER credits niet had plaatsgevonden. Uit een eerste (desk) inventarisatie van VER-standaarden blijkt dat alleen de Gold Standard gelijkwaardig scoort ten opzichte van CDM(1). Gold Standard controleert de validatie- (en verificatie) rapporten van auditors en de gehanteerde additionaliteitstesten zijn gelijkwaardig aan of zelfs strikter dan de toetsen van het CDM. Vooralsnog komen alleen projecten op het gebied van hernieuwbare energie en energie efficiency in aanmerking voor het predicaat Gold Standard. 

Op verzoek van het ministerie van VROM besteedt het onderzoek specifiek aandacht aan land- en bosbouwprojecten (LULUCF) en projecten waarbij de emissiereductie pas in de toekomst wordt gegenereerd (futures). De vraag is in hoeverre het wenselijk is als de rijksoverheid met publieke middelen investeert in dergelijke projecten. 

Wat betreft LULUCF-projecten, erkennen Arcadis en CE Delft enerzijds dat financi&amp;euml;le prikkels een cruciale rol spelen bij het in stand houden van bosrijke gebieden wereldwijd. De overheid zou hier, via de aankoop van VER credits, ook een bijdrage aan kunnen leveren. Door het toekennen van credits ontvangen landeigenaren een geldelijke beloning voor bebossing/herbebossing en het voorkomen van ontbossing. Anderzijds zijn er een aantal valide kanttekeningen te plaatsen bij LULUCF-projecten, zoals het risico op tijdelijke emissiereducties, koolstoflekkage en uitgifte van credits voor niet additionele projecten. Om de kwaliteit van emissiereducties te waarborgen adviseert CE Delft de rijksoverheid dan ook alleen die LULUCF-credits aan te schaffen die door de CDM Executive Board zijn gecertificeerd. Deze standaard eist dat credits op termijn vervangen worden om zo permanente CO2-reductie te garanderen. Hierbij gaat het voorlopig alleen om bebossing, want het voorkomen van ontbossing wordt nog niet internationaal geaccepteerd en niet door CDM gecertificeerd.

Tenslotte bevelen Arcadis en CE Delft de rijksoverheid aan geen futures te kopen omdat het risico bestaat dat projecten onverhoopt geen of lagere emissiereducties leveren terwijl daar al wel voor is betaald. Ook is het in de communicatie lastig uit te leggen dat de overheid aan klimaatcompensatie doet, terwijl deze compensatie op dat moment nog niet daadwerkelijk gerealiseerd is.

(1) CDM is als referentie genomen omdat dit systeem zijn grondslagen vindt in het Kyoto Protocol, inmiddels een groot marktaandeel heeft en met vele procedurele waarborgen is omgeven waarmee inmiddels veel ervaring is opgedaan.]]></description>
			<pubDate>Mon, 19 Oct 2009 15:16:20 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Peer review LEI-rapport sanering nertsenfokkerij]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/peer_review_lei-rapport_sanering_nertsenfokkerij/871</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/peer_review_lei-rapport_sanering_nertsenfokkerij/871</guid>
			<description><![CDATA[In opdracht van minister Verburg (LNV) heeft het Landbouw Economisch Instituut (LEI) een inschatting gemaakt van de financi&amp;euml;le compensatie die de sector geboden zou moeten worden wanneer er een verbod op nertsenhouderijen wordt ingesteld. Deze berekening is opgenomen in de notitie &amp;rsquo;Sanering nertsenhouderij in Nederland: een actualisatie&amp;rsquo; (LEI, 2008). Het LEI becijfert daarin de totale schade als de som van vermogensschade, inkomensschade en sloopkosten bij twee beleidsscenario&amp;rsquo;s: (1) een direct verbod en (2) een geleidelijke afbouw van de sector in tien tot vijftien jaar. Bont voor Dieren heeft aan CE Delft gevraagd om een peer review op hoofdlijnen uit te voeren. Naar onze mening overschat het LEI het bedrag dat nodig is om de sector te compenseren voor de geleden schade als gevolg van het nertsenverbod onder beide scenario&amp;rsquo;s. Bij het &amp;lsquo;directe afbouw&amp;rsquo;-scenario ligt onze kosteninschatting minimaal 23% lager dan die van het LEI: 490,8 miljoen Euro t.o.v. 638,5 miljoen Euro. Dit verschil wordt vooral veroorzaakt doordat het LEI opportuniteitskosten van arbeid negeert, de overheid onterecht ook gedeeltelijk een vergoeding laat betalen voor het ondernemingsrisico en de vermogenseffecten en sloopkosten overschat. De herberekende schadevergoeding van 490,8 miljoen Euro dient zelfs als een maximum (&amp;lsquo;worst case&amp;rsquo;)scenario te worden beschouwd. Er zijn nog een aantal cruciale parameters in verwerkt waarvan wij vermoeden dat het LEI deze te hoog heeft ingeschat. Wij beschikken echter niet over de microdata (van het LEI) om betrouwbare alternatieve waarden te presenteren. Gevoeligheidsanalyse toont aan dat als we een 10% prijsdaling in pelzen veronderstellen en een halvering van de huidige boekwaarden van de activa, de benodigde compensatie 373 miljoen Euro zou bedragen. Met name bij het &amp;lsquo;geleidelijke afbouw&amp;rsquo;-scenario zijn de verschillen tussen beide berekeningen aanzienlijk. Bij overgangstermijnen van tien en vijftien jaar komt het LEI op compensatiebedragen van 535.6 respectievelijk 508,4 miljoen Euro. Uit onze herberekening komen schadevergoedingen van 16,5 en 5,6 miljoen Euro. Dit verschil komt vooral omdat het LEI er, volgens ons, onterecht vanuit gaat dat er inkomens- en vermogenschade optreedt die gecompenseerd dient te worden. De ondernemers hebben echter ruim de tijd om hun bedrijfsvoering aan te passen aan het naderende verbod, i.e. omschakeling naar andere activiteiten/andere baan en een stop op investeringen die zich niet meer terugverdienen binnen de overgangsperiode (m.u.v. de verplichte welzijnsinvesteringen). Eventueel kan de overheid wel een omscholing- en/of investeringssubsidie geven om de ondernemers bij dit proces te helpen.]]></description>
			<pubDate>Tue, 31 Mar 2009 13:10:30 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Examples of climate laws. The UK Climate Change Bill]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/examples_of_climate_laws._the_uk_climate_change_bill/869</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/examples_of_climate_laws._the_uk_climate_change_bill/869</guid>
			<description><![CDATA[In november van dit jaar is in Engeland de &amp;lsquo;Climate Change Bill&amp;rsquo; ingevoerd. Juridisch staat zo&amp;rsquo;n klimaatwet sterker dan het huidige Nederlandse klimaatbeleid. Een klimaatwet dwingt elke regering om beleidsplannen te maken, aan de hand van het advies van een onafhankelijke organisatie (in Engeland de &amp;lsquo;Committee on Climate Change&amp;rsquo;). Op deze manier worden veel meer politieke mogelijkheden gecre&amp;euml;erd om (soms impopulaire) klimaatmaatregelen te treffen. Dit zijn de conclusies van een recent CE-rapport in opdracht van Milieudefensie. Ook in andere landen zijn &amp;lsquo;goede&amp;rsquo; voorbeelden van klimaatwetgeving te vinden. In Duitsland bijvoorbeeld heeft het feed-in tarief een sterke impuls gegeven aan duurzaam opgewekte elektriciteit. In Nederland wordt gewerkt met een feed-in subsidie dat uit het nationale budget wordt betaald, zonder het &amp;lsquo;pollutor pays&amp;rsquo; (vervuiler betaald) principe toe te passen. Verder zijn in Duitsland netbeheerders verplicht duurzame energie met voorrang af te nemen. Sinds de invoering in 2000 is in Duitsland het aandeel duurzaam in de totale elektriciteitsopwekking verdubbeld.]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 11:30:46 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Examples of climate laws]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/examples_of_climate_laws/870</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/examples_of_climate_laws/870</guid>
			<description><![CDATA[In november van dit jaar is in Engeland de &amp;lsquo;Climate Change Bill&amp;rsquo; ingevoerd. Juridisch staat zo&amp;rsquo;n klimaatwet sterker dan het huidige Nederlandse klimaatbeleid. Een klimaatwet dwingt elke regering om beleidsplannen te maken, aan de hand van het advies van een onafhankelijke organisatie (in Engeland de &amp;lsquo;Committee on Climate Change&amp;rsquo;). Op deze manier worden veel meer politieke mogelijkheden gecre&amp;euml;erd om (soms impopulaire) klimaatmaatregelen te treffen. Dit zijn de conclusies van een recent CE-rapport in opdracht van Milieudefensie. Ook in andere landen zijn &amp;lsquo;goede&amp;rsquo; voorbeelden van klimaatwetgeving te vinden. In Duitsland bijvoorbeeld heeft het feed-in tarief een sterke impuls gegeven aan duurzaam opgewekte elektriciteit. In Nederland wordt gewerkt met een feed-in subsidie dat uit het nationale budget wordt betaald, zonder het &amp;lsquo;pollutor pays&amp;rsquo; (vervuiler betaald) principe toe te passen. Verder zijn in Duitsland netbeheerders verplicht duurzame energie met voorrang af te nemen. Sinds de invoering in 2000 is in Duitsland het aandeel duurzaam in de totale elektriciteitsopwekking verdubbeld.]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 11:30:58 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Minder emissies door investeren in infrastructuur]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/minder_emissies_door_investeren_in_infrastructuur/857</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/minder_emissies_door_investeren_in_infrastructuur/857</guid>
			<description><![CDATA[Naast technologische innovaties aan voertuigen en brandstoffen, kunnen ook aanpassingen aan infrastructuur een bijdrage leveren aan het halen van klimaatdoelstellingen. Om inzicht in te verkrijgen in het potentieel van deze maatregelen heeft KNV, in samenwerking met VolkerWessels en met financi&amp;euml;le ondersteuning van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, een verkenning laten uitvoeren door CE Delft. Deze verkenning geeft inzicht in welke infrastructurele maatregelen kunnen leiden tot CO2-reducties in de verkeersector. Er zijn in totaal bijna dertig maatregelen onderzocht, in verschillende categorie&amp;euml;n:

    maatregelen ter bevordering van de doorstroming van verkeer;
    maatregelen ter bevordering van modal shift;
    maatregelen ter reductie van het energiegebruik van voertuigen;
    overige maatregelen.

Zes maatregelen zijn in meer detail zijn onderzocht op onder meer de mate waarin ze bij kunnen dragen aan reductie van de CO2-emissies van transport. Het besparingspotentieel van deze maatregelen is beperkt. De belangrijkste kansen liggen op het vlak van fietsinfrastructuur en elektriciteitsopwekking bij infrastructuur. Infrastructurele maatregelen die de doorstroming verbeteren blijken geen effectieve maatregel om CO2-emissies te reduceren.]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 10:17:40 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Transitiestrategie Elektriciteit en Warmte]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/transitiestrategie_elektriciteit_en_warmte/859</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/transitiestrategie_elektriciteit_en_warmte/859</guid>
			<description><![CDATA[Het Regieorgaan Energietransitie heeft een strategie uitgedacht voor de verduurzaming van elektriciteit en warmte/koude. De strategie behelst: a Maximaal besparen. b Voorrang voor hernieuwbaar vermogen en energiezuinige warmtekracht. c Daardoor neemt de ruimte voor nieuwe basislast (&amp;lsquo;must-run&amp;rsquo;-vermogen) af. d En neemt de behoefte aan snel regelbaar flexibel gasvermogen toe. e &amp;lsquo;Gas&amp;rsquo; kan aanvankelijk aardgas zijn, in toenemende mate kan kolengas en biogas worden gebruikt. CE Delft en Jan Paul van Soest Advies voor Duurzaamheid (JPvS) hebben in het rapport deze strategie nader onderbouwd en getoetst op robuustheid. Daarbij is tevens gebruik gemaakt van een reeks simulatieberekeningen van de TU Delft. Uit die berekeningen blijkt dat must-run basislastvermogen en hernieuwbaar vermogen elkaar in de weg zitten in het Noordwest Europese elektriciteitssysteem. Bij volledig uitrollen van het kabinetsplan Schoon en Zuinig is de ruimte voor (nieuw) basislastvermogen zeer gering. Het wisselende aanbod van hernieuwbare energie, in het bijzonder windenergie, is goed in het elektriciteitssysteem in te passen via snel regelbaar gasgestookt vermogen. Op relatief korte termijn (tot ca 2020-2025) is dit de enige re&amp;euml;le route voor inpassing van wind.]]></description>
			<pubDate>Wed, 16 Feb 2011 15:03:29 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Emissiehandel en normering van het brandstofverbruik in het wegverkeer, Een analyse van de voordelen van een combinatie van maatregelen]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/emissiehandel_en_normering_van_het_brandstofverbruik_in_het_wegverkeer%2C_een_analyse_van_de_voordelen_van_een_combinatie_van_maatregelen/853</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/emissiehandel_en_normering_van_het_brandstofverbruik_in_het_wegverkeer%2C_een_analyse_van_de_voordelen_van_een_combinatie_van_maatregelen/853</guid>
			<description><![CDATA[Waar andere sectoren er wel in slaagden hun CO2-uitstoot terug te brengen, zijn de emissies van het wegverkeer de afgelopen decennia alleen maar toegenomen. Reden voor het Zweedse agentschap voor bescherming van het milieu (Naturv&aring;rdsverket) om CE Delft de opdracht te geven onderzoek te doen naar een mogelijke oplossing voor dit probleem. 
CE Delft onderzocht hiervoor de voor- en nadelen van emissiehandel rond wegverkeer, en de voor- en nadelen van combinatie van dit beleidsinstrument met normering voor CO2-uitstoot van personenauto’s. Uit de resultaten, blijkt dat een gecombineerde inzet van beide methoden veel voordeel oplevert. Als de twee methoden gezamenlijk worden ingezet, heffen ze elkaars nadelen op. Zo leidt normering voor CO2-uitstoot van personenauto’s niet tot een beperking van de totale uitstoot. Wel zorgt deze maatregel voor een sterke stimulans om zuinige auto’s te kopen. Met emissiehandel komt er wel een plafond op de totale uitstoot. Als deze methodiek echter als enig instrument zou worden ingezet, blijft die prikkel om zuinige voertuigen aan te schaffen uit, terwijl hier veel winst te behalen is. 

]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Relatie tussen adaptatie en mitigatie op gebouwniveau]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/relatie_tussen_adaptatie_en_mitigatie_op_gebouwniveau/898</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/relatie_tussen_adaptatie_en_mitigatie_op_gebouwniveau/898</guid>
			<description><![CDATA[Door klimaatverandering zullen we in Nederland vaker last krijgen van hete dagen, van heftige regenval en van droogte. Daarnaast zal het risico op overstromingen toenemen.&amp;nbsp;Nederland zal zich daaraan moeten aanpassen (adaptatie) en tegelijkertijd klimaatverandering moeten voorkomen (mitigatie). Maar wat is&amp;nbsp;eigenlijk de relatie&amp;nbsp; tussen adaptatie en mitigatie?&amp;nbsp;In deze studie is daar onderzoek naar gedaan voor de gebouwde omgeving.&amp;nbsp; 

De analyse in dit onderzoek laat zien dat er veel adaptatiemaatregelen op gebouwniveau zijn, die een positief effect hebben op mitigatie en andersom. Er is dus veel sprake van synergie. Ook is er een groot aantal mitigatiemaatregelen die een neutraal effect hebben op adaptatie en omgekeerd. Het aantal adaptatiemaatregelen dat een negatief effect heeft op mitigatie is beperkt. Het gebruik van ventilatoren en de airconditioning zijn de meest belangrijke. Voor actieve koeling van de woning is&amp;nbsp;namelijk energie nodig en dat leidt tot CO2-emissie, tenzij het met duurzame koude (of energie) wordt gedaan.&amp;nbsp;De stakeholders (woningbouwcorporaties, architecten, projectontwikkelaars, gemeenten etc.) zijn zich nog weinig bewust van het feit dat een deel van de energievraag zich gaat verplaatsen van de winter naar de zomer, omdat het warmer gaat worden in Nederland. Via voorlichting kan het bewustzijn hiervan worden vergroot bij de relevante doelgroepen.&amp;nbsp;Met maatregelen op het gebied van passieve koeling (beschaduwing, zuidgericht bouwen en goede mogelijkheden voor nachtventilatie, kan het namelijk nog jarenlang comfortabel blijven in de woning. Daarnaast is&amp;nbsp;het zaak om het energiegebruik voor actieve koeling van de woning goed mee te wegen in de Energie Prestatie Gebouwen (EPG).]]></description>
			<pubDate>Tue, 24 Mar 2009 15:35:28 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Visie op realisering groot aandeel duurzame elektriciteit]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/visie_op_realisering_groot_aandeel_duurzame_elektriciteit/856</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/visie_op_realisering_groot_aandeel_duurzame_elektriciteit/856</guid>
			<description><![CDATA[De rapportage bevat het gezamenlijk voorstel van milieuorganisaties, vakbonden en energiebedrijven voor het toekomstig stimuleringsbeleid voor hernieuwbare elektriciteit. Inzet van alle partijen is om een groot aandeel hernieuwbare elektriciteit te bereiken in 2020. Het voorstel is afkomstig van Stichting Natuur en Milieu, EnergieNed, Nuon, Esent, Eneco, Greenchoice, Greenpeace, de DE-koepel en ABVAKABO FNV, en gefaciliteerd door CE Delft. Dit voorstel vormt de brug tussen Green4sure - het energieplan van de milieuorganisaties en vakbonden - en de Energieagenda 2030 van de energiesector. De partijen pleiten voor een stabiel marktinstrumentarium waarbij het kostprijsverschil tussen hernieuwbare en conventionele stroom structureel overbrugd wordt. Hernieuwba-re technieken zijn nog altijd duurder dan conventionele technieken in 2020. De huidige SDE-regeling vormt een goed instrument om dit kostprijsverschil (de zogenoemde onren-dabele top) de komende jaren te overbruggen. De SDE dient echter op twee belangrijke punten verbeterd te worden. Allereerst is het noodzakelijk dat er een langdurig politiek commitment wordt vastgelegd voor de investeringen die samenhangen met het bereiken van de doelen. Als tweede verbeterpunt pleiten de partijen er tevens voor om de financiering van de SDE via de elektriciteitsprijs te laten verlopen in plaats van via de begroting. Voor stimulering van duurzame energieproductie vanaf 2015 pleit de werkgroep voor invoering van een EU-verplichting in een koplopergroep mogelijk met Verenigd Koninkrijk, Polen, Zweden en Belgi&amp;euml;. Dit betreft een jaarlijks oplopend verplicht aandeel hernieuwbaar van de consumptie van elektriciteit. Aan introductie van een verplichtingensysteem verbinden de deelnemende partijen harde voorwaarden, o.a. een goed werkend systeem van groencertificaten tussen de deelnemende landen.]]></description>
			<pubDate>Fri, 10 Apr 2009 12:03:36 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Impacts on Competitiveness from EU ETS]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/impacts_on_competitiveness_from_eu_ets/836</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/impacts_on_competitiveness_from_eu_ets/836</guid>
			<description><![CDATA[Het Europese emissiehandelssysteem (ETS) is in 2005 gelanceerd om de CO2-emissies van grote industri&amp;euml;le installaties te maximeren. De Commissie stelt momenteel het EU ETS post-2012 systeem vast, zoals in COM(2008)16 (EC, 2008) in grote lijnen is geschetst. Nieuw in dit systeem is dat een groter deel van de rechten zal worden geveild. Het veilen van emissierechten waarborgt in zijn algemeenheid een grotere mate van efficiency dan (bepaalde vormen van) vrije allocatie, vermindert de administratieve kosten en voorkomt eventuele oneigenlijke winstvorming (windfall profits).   Het veilen van rechten kan echter ook leiden tot een potentieel verlies aan concurrentievermogen voor de industrie. Zeker als er geen mondiaal klimaatakkoord tot stand komt zijn bedrijven niet altijd in staat om hogere kosten aan hun klanten door te berekenen en kan er sprake zijn van een verlies aan rendement en de dreiging van importsubstitutie. Een verplaatsing van de productie naar landen die geen CO2-doelen kennen resulteert in een wereldwijde toename van de CO2-emissies. Dit fenomeen wordt wel een koolstoflek (carbon leakage) genoemd. Om een koolstoflek te voorkomen, heeft de Commissie voorgesteld kwetsbare sectoren vrij te stellen van de veilingplicht en hun op basis van een benchmark vrijelijk rechten toe te wijzen. Het belangrijkste criterium hierbij is een aanzienlijk verlies aan concurrentievermogen, op grond waarvan wordt besloten of bepaalde sectoren veilingplichtig zijn of in aanmerking komen voor vrije allocatie.  In deze studie is onderzocht welke sectoren binnen de Nederlandse economie bij een veilingsysteem mogelijk te maken krijgen met een verlies aan concurrentievermogen. Het concurrentievermogen wordt be&amp;iuml;nvloed door de combinatie van aanzienlijke potenti&amp;euml;le kostprijsstijgingen en wezenlijke import- en exportstromen van en naar landen zonder vergelijkbaar klimaatregime. Het lijkt erop dat vooral in de sectoren aluminium, kunstmest, ijzer en staal, anorganische en andere basischemicali&amp;euml;n, relatief hoge prijsstijgingen te verwachten zijn, die mogelijk niet volledig aan de klanten kunnen worden doorberekend. Het rendement in deze sectoren kan afnemen en de kans op koolstoflekken neemt toe.   Wat betreft de impact op de nationale economie (d.w.z. het BNP) zijn de gevolgen echter waarschijnlijk gering. De directe kosten van het voldoen aan EU ETS bedragen 0,2% van het BBP bij een CO2-prijs van &amp;euro; 20/ton. De industrie zal deze kosten gemiddeld voor ongeveer de helft kunnen doorberekenen aan de afnemers. Verslechtering van de marktpositie kan optreden in sectoren met hoge kosten en weinig mogelijkheden tot doorberekening, maar deze sectoren zijn - met uitzondering van de ijzer- en staalindustrie - relatief klein (in totaal circa 1,15% van het BNP). Daarnaast zullen, indien het internationale klimaatbeleid tot het jaar 2020 ertoe leidt dat meer landen instemmen met bindende reductietargets, de gevolgen voor het concurrentievermogen kleiner zijn dan die welke hier zijn geanalyseerd.]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 11:04:33 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Analyse progressieve BPM afhankelijk van absolute CO2]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/analyse_progressieve_bpm_afhankelijk_van_absolute_co2/808</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/analyse_progressieve_bpm_afhankelijk_van_absolute_co2/808</guid>
			<description><![CDATA[In opdracht van het ministerie van Financi&amp;euml;n is door CE Delft onderzocht wat de CO2-effecten zijn van omzetting van de BPM van de huidige cataloguswaarde naar een CO2-systematiek waarbij de CO2-toeslag progressief afhangt van de CO2-emissies van de nieuw aan te schaffen personenauto.  Deze variant is vergeleken met de effectiviteit van de twee BPM-varianten uit het onderzoek &amp;lsquo;fiscale vergroening&amp;rsquo; (differentiatie van de BPM naar absolute CO2-uitstoot en de BPM gebaseerd op CO2-grondslag) en de huidige BPM gebaseerd op energielabels (tarieven 2008).]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 11:03:11 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Effect op de luchtkwaliteit van de maatregelen uit het Energie- en Klimaatprogramma Apeldoorn]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/effect_op_de_luchtkwaliteit_van_de_maatregelen_uit_het_energie-_en_klimaatprogramma_apeldoorn/852</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/effect_op_de_luchtkwaliteit_van_de_maatregelen_uit_het_energie-_en_klimaatprogramma_apeldoorn/852</guid>
			<description><![CDATA[De gemeente Apeldoorn heeft CE Delft laten nagaan of het energiebeleid dat zij voert, effecten heeft op de luchtkwaliteit en zo dit effecten heeft, wat die effecten zijn. Daarnaast wilde Apeldoorn weten of de herstructurering van het gebied Kanaal Noord, alsmede de komst van biomassa centrales ook van invloed zijn op de luchtkwaliteit. De beoordeelde maatregelen hebben veelal betrekking op energiebesparing en op het inzetten van duurzame energie. Dit heeft beide een gunstig effect op de emissies van stikstofoxiden en daarmee op de concentraties van NO2. Dit gebeurt zowel op lokale als op landelijke schaal. De omvang van de daling in de concentraties zal echter gering zijn omdat de belangrijkste bronnen voor NO2 het verkeer en de industrie zijn. Voor fijn stof hebben deze maatregelen geen effect. Het (bij) stoken van hout in met name houtkachels en open haarden zal een verhoging van de emissies van fijn stof en daaraan gerelateerde schadelijke stoffen zoals Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen. Een groter gebruik van houtkachels of open haarden zal daarom nadelig zijn voor de luchtkwaliteit en de gezondheid van de mens. De herstructurering van het bedrijventerrein Kanaal Noord zal vanwege de toename van het wegverkeer een nadelig effect hebben op de luchtkwaliteit. Gelet op de uitgestrektheid van het gebied betekent dit overigens niet dat er grote problemen zijn te verwachten. Uit onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit van de vestiging en in gebruik name van biomassa centrales blijkt dat de luchtkwaliteit zal worden be&amp;iuml;nvloed door de toekomstige centrales, maar dat er van grenswaarde overschrijding geen sprake zal zijn. Gelet op het gunstige effect van de inzet van energiebesparing en duurzame energie verdient het de aanbeveling hiermee door te gaan. Daarbij moet worden bedacht dat het inzetten van biomassa of hout als duurzame energie er wel nadelige effecten kunnen optreden voor de luchtkwaliteit en dat daar dus extra emissiebeperkende maatregelen nodig zijn. Voor de verdere herstructurering van bedrijventerreinen zal steeds een gunstige inpassing van de toename van de verkeersstromen gezocht moeten worden. Dit kan door voldoende ontsluitingswegen en door goed openbaar vervoer in de startfase van de plannen al te realiseren.]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 11:08:52 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Gas4sure - Aardgas als transitiebrandstof]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/gas4sure_-_aardgas_als_transitiebrandstof/842</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/gas4sure_-_aardgas_als_transitiebrandstof/842</guid>
			<description><![CDATA[Gas4sure is een beschrijving van de rol van aardgas in de transitie naar een duurzame energievoorziening. Aardgas kan als schoonste fossiele brandstof een relatief belangrijke rol gaan spelen in de omschakeling van een hoofdzakelijk op fossiele brandstoffen gebaseerde energievoorziening, naar een energie-voorziening gebaseerd op effici&amp;euml;nte installaties en hernieuwbare energiebronnen. Gas4sure is een vervolg op Green4sure, het groene energieplan dat CE Delft heeft opgesteld voor de milieu- en vakbeweging. Green4sure maakt duidelijk dat een energievoorziening met halvering van de CO2-emissie in een periode van 25 jaar mogelijk is en welke rollen de verschillende partijen daarvoor moeten spelen om dat mogelijk te maken. In Gas4sure is gebruik van aardgas geen doel op zich, maar gegeven de sterke veranderingen in condities voor de milieu-effecten van de energievoorziening, een schets van de rol van aardgas onder die condities.]]></description>
			<pubDate>Wed, 13 Apr 2011 09:42:14 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Configuraties en optimalisaties van het warmtenet in Amsterdam]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/configuraties_en_optimalisaties_van_het_warmtenet_in_amsterdam/809</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/configuraties_en_optimalisaties_van_het_warmtenet_in_amsterdam/809</guid>
			<description><![CDATA[Amsterdam heeft onlangs ambitieuze klimaatdoelstellingen gesteld en een belangrijk speerpunt om deze doelstellingen te realiseren is stadsverwarming. Strategisch overleg over de toepassing van warmte tussen de gemeente en de marktpartijen vindt regelmatig plaats, met name als er grootschalige nieuwbouw en herstructureringsprojecten op de rol staan. De gemeente heeft behoefte aan inhoudelijke ondersteuning op het gebied van warmte en heeft in dat kader CE Delft gevraagd achtergronddocumentatie daarvoor op te stellen. Dit rapport is daar het resultaat van; daarin wordt ingegaan op de kenmerken van de huidige stadsverwarming, op de CO2-reductie, op de voordelen van een hoefijzernet en op de innovatiemogelijkheden om de milieuwinst te verbeteren. Het rapport eindigt ten slotte met een managementsamenvatting, waarin de visie van CE Delft op stadsverwarming in Amsterdam is geformuleerd.]]></description>
			<pubDate>Wed, 16 Feb 2011 15:06:52 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[CO2-emissie Amsterdamse Stadsdelen]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/co2-emissie_amsterdamse_stadsdelen/713</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/co2-emissie_amsterdamse_stadsdelen/713</guid>
			<description><![CDATA[Dit korte rapport bevat de bepaling van de CO2-emissie per Amsterdams Stadsdeel, voor de sectoren huishoudens en bedrijven. Het betreft onderzoeksresultaten uit het rapport &amp;lsquo;Bouwstenen voor CO2-reductieprogramma Amsterdam&amp;rsquo; (verder genoemd: &amp;lsquo;het hoofdrapport&amp;rsquo;). De energieverbruiken en bijbehorende CO2-emissies per stadsdeel staan in dit rapport handzaam bijeen gebracht voor de milieubeleidsco&amp;ouml;rdinatoren van de Stadsdelen. Het rapport heeft daarmee het karakter van een uittreksel van het hoofdrapport, en niet van een zelfstandig onderzoeksresultaat.]]></description>
			<pubDate>Thu, 19 Mar 2009 10:50:32 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Doeltreffend gemeentelijk klimaatbeleid]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/doeltreffend_gemeentelijk_klimaatbeleid/685</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/doeltreffend_gemeentelijk_klimaatbeleid/685</guid>
			<description><![CDATA[De VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) heeft de ambitie om de rol van gemeenten effectief bij te dragen aan het klimaatbeleid. 
VNG heeft aan CE Delft gevraagd om hier een onderbouwing voor te geven vanuit drie invalshoeken: mogelijke reducties (wat valt er te halen?), kosten-effectiviteit (is het betaalbaar?) en rol gemeente. Langs die lijnen zijn vijf sectoren doorgelicht: gebouwde omgeving, bedrijven, verkeer en vervoer, duurzame energie en de eigen organisatie. 
Het blijkt dat gemeenten invloed hebben op een fors deel van de landelijke emissie: ca. 60 Mton CO2 op een totaal van 200 Mton. In enkele sectoren liggen er directe bevoegdheden (eigen organisatie, bedrijven). In de meeste andere gevallen gaat het vooral om faciliteren (bijv. zorgen dat er afspraken komen met corporaties over energiebesparing in bestaande bouw). Daarnaast spelen gemeenten een belangrijke rol bij innovatieve projecten (nieuwbouw), en als aanspreekpunt voor bedrijven en burgers. 
In het project is ook gekeken naar “adaptatie”: het voorbereid zijn op klimaatverandering. Dit haakt sterk aan op ruimtelijke ordening en daarmee op het takenpakket van gemeenten. Op dit vlak is nog veel kennisopbouw nodig. 
De resultaten zijn gebruikt in het Klimaatakkoord dat de Wim Deetman (vz. VNG) op 17 november 2007 sloot met minister Jacqueline Cramer.  Individuele gemeenten kunnen het rapport gebruiken bij het maken van keuzes voor een eigen effectief gemeentelijk klimaatbeleid.
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Op weg naar groener zakenverkeer]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/op_weg_naar_groener_zakenverkeer/686</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/op_weg_naar_groener_zakenverkeer/686</guid>
			<description><![CDATA[Steeds vaker stellen organisaties milieueisen aan de bedrijfs- en leaseauto&amp;rsquo;s die worden gebruikt voor zakelijke reizen. De zakelijk gebruikte priv&amp;eacute;auto blijft bij al deze initiatieven tot nu toe buiten schot. In opdracht van Mobility Mixx heeft CE Delft een inschatting gemaakt van de huidige milieubelasting van de zakelijke kilometers afgelegd in de priv&amp;eacute;auto. Daarnaast is gekeken naar de emissiereducties die bereikt kunnen worden door middel van de inzet van twee specifieke maatregelen:

- Differentiatie van de onbelaste kilometervergoeding naar zuinigheid van de auto.
- Toepassen van de diensten van Mobility Mixx op alle zakelijke kilometers.

De huidige milieubelasting De priv&amp;eacute;auto neemt een belangrijk deel van het zakelijk verkeer in Nederland voor haar rekening (ca. 58%). Haar aandeel in de milieubelasting is dan ook aanzienlijk: ca. 48% van de PM10 emissies, 61% van de NOx emissies en 58% van de CO2 emissies. Dit komt overeen met ongeveer 8% van de emissies van het totale personenautoverkeer in Nederland. Twee specifieke maatregelen De eerste maatregel is een differentiatie van de onbelaste kilometervergoeding, waarbij de vergoeding voor zeer zuinige auto&amp;rsquo;s met &amp;euro; 0,11 wordt verhoogd naar &amp;euro; 0,30 per kilometer en voor de overige auto&amp;rsquo;s met &amp;euro; 0,04 wordt verlaagd naar &amp;euro; 0,15 per kilometer. Deze maatregel levert een emissiereductie op van ca. 2%. De tweede maatregel is toepassing van de diensten van Mobility Mixx op alle zakelijke kilometers in Nederland, wat concreet betekent dat het gebruik van de priv&amp;eacute;auto wordt vervangen door het gebruik van (zuinige en schone) poolauto&amp;rsquo;s en/of de trein. In totaal levert dit een emissiereductie op van maximaal 70 tot 80%. Hierbij is geen rekening gehouden met eventueel voor- en natransport bij de treinreizen. Conclusie De inzet van specifieke maatregelen kan een aanzienlijke emissiereductie bij het zakelijk gebruik van de priv&amp;eacute;auto tot stand brengen. Hierbij is een sleutelrol weggelegd voor individuele organisaties. Zij kunnen werknemers zeer direct be&amp;iuml;nvloeden, bijvoorbeeld via de reiskosten die ze vergoeden. Bovendien kunnen ze werknemers goede alternatieven bieden, waardoor zij sneller de eigen auto zullen laten staan.]]></description>
			<pubDate>Fri, 18 Dec 2009 10:52:26 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Bouwstenen voor CO2-reductieprogramma Amsterdam]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/bouwstenen_voor_co2-reductieprogramma_amsterdam/677</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/bouwstenen_voor_co2-reductieprogramma_amsterdam/677</guid>
			<description><![CDATA[De gemeente Amsterdam heeft zich als doel gesteld om als stad in 2025 de jaarlijkse uitstoot van kooldioxide met veertig procent te verminderen ten opzichte van 1990, en om in 2015 als gemeentelijke organisatie CO2-neutraal te opereren. Deze ambitieuze doelstellingen vragen om een daadkrachtige en effici&amp;euml;nte aanpak. CE Delft heeft voor de gemeente de CO2-uitstoot van 1990 en 2006 in kaart gebracht, alsook de prognose voor 2025, zowel totaal als per sector. Er is ook een uitgebreid overzicht opgesteld, de zogenaamde &amp;lsquo;long list&amp;rsquo;, van de mogelijke maatregelen, met hun potenti&amp;euml;le bijdrage aan de doelstelling, en hun realisatietijd en kosteneffectiviteit. Op basis daarvan is geconcludeerd dat de ambitie haalbaar is, maar dat daarvoor wel alles op alles moet worden gezet. De realisatie is mede afhankelijk van het welslagen van Rijks- en EU-klimaatbeleid, en participatie is nodig van bedrijven en burgers in de stad. Niet de gehele ambitie kan nu al in concrete maatregelen worden gegoten, maar dat is gezien de looptijd van de ambitie ook nog niet nodig; er vinden immers nog innovaties plaats. Het is belangrijk dat nu zo snel mogelijk concrete stappen worden gezet om de groei van de CO2-emissie van de afgelopen periode om te buigen naar een substanti&amp;euml;le daling. Tot slot zijn aanbevelingen gedaan voor een monitoringsaanpak voor het CO2-reductieprogramma, zodat tussentijds de voortgang kan worden bewaakt en acties zo nodig kunnen worden bijgesteld.]]></description>
			<pubDate>Wed, 28 Apr 2010 13:04:07 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Price effects of incorporation of transportation into EU ETS]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/price_effects_of_incorporation_of_transportation_into_eu_ets/711</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/price_effects_of_incorporation_of_transportation_into_eu_ets/711</guid>
			<description><![CDATA[De CO2-emissies van de verkeers- en vervoerssector groeien gestaag, ondanks de diverse CO2-reductiemaatregelen die de overheid heeft ingevoerd. Deze trend kan wellicht worden omgebogen door een mogelijke nieuwe maatregel voor de verkeerssector, CO2-emissiehandel. Dit kan eventueel worden ingevoerd door de sector op te nemen in het EU emissiehandelssysteem (het EU ETS). In dit rapport worden de gevolgen van een dergelijke maartegel op het EU ETS verkend. Opdrachtgever van deze studie was de VROM-Raad, mede namens de Algemene Energieraad en de Raad voor Verkeer en Waterstaat.  Allereerst zijn de effecten van opname van de transportsector in het huidige EU ETS op de prijs van verhandelbare emissierechten ingeschat, voor twee scenario&amp;acute;s. Vervolgens gaan we in op de mogelijke gevolgen van deze effecten op de concurrentiepositie van de Europese industrie- en elektriciteitssector. De studie verschaft inzichten in de mogelijke gevolgen van opname van verkeer in het EU ETS. Gezien het verkennende karakter van de studie geven we daarnaast een aantal aanbevelingen voor verder onderzoek.]]></description>
			<pubDate>Thu, 19 Mar 2009 13:24:02 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Emissiehandel voor glastuinbouw]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/emissiehandel_voor_glastuinbouw/601</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/emissiehandel_voor_glastuinbouw/601</guid>
			<description><![CDATA[Dit rapport evalueert de effecten van de invoering van een CO2-emissiehandelssysteem in de Nederlandse tuinbouw. Het rapport beschouwt zes varianten van een dergelijk systeem, al dan niet in combinatie met een energieheffing. Het rapport concludeert dat systemen die aansluiten bij het Europese Emissiehandelssysteem (ETS) het meest effici&amp;euml;nt zijn.]]></description>
			<pubDate>Fri, 08 Oct 2010 11:38:58 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Green4sure; Het Groene Energieplan*]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/green4sure%3B_het_groene_energieplan%2A/549</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/green4sure%3B_het_groene_energieplan%2A/549</guid>
			<description><![CDATA[Op 5 juni ontving minister Cramer het eindrapport van Green4sure. Zes grote maatschappelijke organisaties (AbvaKabo, FNV, Greenpeace, Milieudefensie, Natuur&amp;Milieu, WereldNatuurfonds)hebben door CE Delft een plan laten opstellen om de CO2-emissies in 2030 te halveren. Het plan is uitgewerkt in samenwerking met diverse andere partijen en begeleid door een commissie van hoogleraren en vertegenwoordigers van de ministeries EZ en  VROM en van het Milieu en Natuur Planbureau. Belangrijkste punten in het plan zijn dat alle energiegebruikers &oacute;f individueel (industrie, elektriciteitsproductie, luchtvaart) &oacute;f collectief (gebouwde omgeveing, transport) onder een emissierechtensysteem met klimaatbudget komen te vallen. De inspanningen, en daarmee de kosten zijn gedifferentieerd om de acceptatie zo groot mogelijk te laten zijn (ETS -40%, gebouwde omgeving -60%, transport – 35%). De rechten voor de drie systemen worden geveild en niet weggegeven. Daarnaast komen er normen voor voertuigen, gebouwen (nieuw en bestaand) en apparaten. 
Omdat snelheid geboden is en het implementeren van de klimaatbudgetsystemen enkele jaren zal vergen, zijn er diverse tijdelijke instrumenten. Bijvoorbeeld een interim-wet voor elektriciteitsproductie. Vanaf heden moet elke nieuwe centrale elektriciteit met maximaal 375 g/kWh produceren. Hoe? dat is aan de producent.
De effecten van het plan zijn doorgerekend en leiden tot de gewenste halvering van de broeikasgassen, een jaarlijkse efficiencyverbetering van 2,1%. De kosten bedragen in 2030 jaarlijks ruim 4 miljard euro, maar er zijn ook forse maatschappelijke baten. De werkgelegenheid stijgt licht. De extra kosten voor een gemiddeld huishouden groeien in 25 jaar naar extra 600 euro, terwijl in diezelfde periode het nationale inkomen stijgt met 50%. Met name zuinige energiegebruikers worden beter van het plan, kwistige energiegebruikers worden geconfronteerd met hogere kosten.]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Overwinsten bij de subsidieregeling Milieukwaliteit ElektriciteitsProductie (MEP)]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/overwinsten_bij_de_subsidieregeling_milieukwaliteit_elektriciteitsproductie_%28mep%29/538</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/overwinsten_bij_de_subsidieregeling_milieukwaliteit_elektriciteitsproductie_%28mep%29/538</guid>
			<description><![CDATA[De afgelopen jaren heeft de overheid meer subsidie betaald dan achteraf gezien nodig was om investeringen in wind op land projecten rendabel te maken. De hoogte van de subsidies zorgde er voor dat in veel gevallen de investeringen een hoger verwachte rendement opleverden dan normaliter in de markt ge&iuml;&iquest;&frac12;ist werd; ondernemers lijken behoorlijke overwinsten te hebben behaald. Een van de voornaamste oorzaken is dat de overheid de elektriciteitsprijs te laag heeft ingeschat. Dit zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek dat CE Delft voor de Algemene Rekenkamer uitvoerde. Vorig jaar werd de subsidieregeling Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie (MEP) stopgezet. Onder deze regeling ontvangen producenten van stroom uit biomassa, zonne-energie, wind- of waterkracht een vaste subsidie per kWh. De subsidie-uitgaven dreigden uit de hand te lopen. Bovendien werd ingeschat dat Nederland zou haar doelstelling om in 2010 9 % van de binnenlandse elektriciteitsproductie duurzaam op te wekken wel zou halen met reeds toegekende subsidies. Het kabinet heeft inmiddels scherpere doelen vastgesteld en een nieuwe subsidieregeling aangekondigd om de opwekking van duurzame elektriciteit te stimuleren. De uitdaging bij het vormgeven van een vernieuwde MEP blijft om de regeling even effectief te houden, maar tegen lagere uitgaven voor de overheid. Voor meer informatie kunt u naar de site gaan van de rekenkamer.]]></description>
			<pubDate>Fri, 08 Oct 2010 13:00:08 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Hoe werken beleidsinstrumenten voor ambitieuze doelen?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/hoe_werken_beleidsinstrumenten_voor_ambitieuze_doelen/603</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/hoe_werken_beleidsinstrumenten_voor_ambitieuze_doelen/603</guid>
			<description><![CDATA[De Nederlandse energietransitie streeft ernaar de CO2-uitstoot van de gebouwde omgeving te halveren in 2030 ten opzichte van 1990. Dit rapport gaat over het simuleren van beleid om dit doel te halen. Beleidssimulaties bieden op een indringende manier inzicht in de problematiek. Zij stellen de gebruikers bovendien in staat om op zoek te gaan naar oplossingen.
Onderzoek van de Nederlandse planbureaus toont aan dat het huidige beleidsinstrumentarium niet voldoende is om de emissiedoelen te halen: in het gunstigste geval wordt hiermee namelijk slechts 10% reductie bewerkstelligd. In plaats hiervan zijn meer ingrijpende instrumenten noodzakelijk. Dit kunnen verdere intensiveringen zijn van huidige instrumenten, maar vooral strengere en nieuwe verplichtingen, een systeem van fossiele energierechten of een verdere verhoging van de ecotax. Die kunnen ervoor zorgen dat met meer schone energie, zuinigere gebouwen/installaties/apparaten en zuiniger gebruik daarvan, de doelen worden gerealiseerd.
Beleidssimulaties vormen een innovatieve aanvulling op het bestaande beleidsonderzoek en kunnen inzicht verschaffen in de hierboven genoemde instrumenten. Een beleidssimulatie laat de betrokken professionals in korte tijd ervaren wat de consequenties zijn van nieuw beleid. Verschillende beleidsalternatieven kunnen door simulatie op een eenduidige manier worden vergeleken. Zo worden de effecten van de alternatieven op milieu en samenleving op een indringende manier voor het voetlicht gebracht. Bovendien begrijpen de deelnemende partijen beter welke rollen zij spelen in het voorgestelde beleid. 

]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Duurzame kansen in de nieuwe grondexploitatiewet]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/duurzame_kansen_in_de_nieuwe_grondexploitatiewet/887</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/duurzame_kansen_in_de_nieuwe_grondexploitatiewet/887</guid>
			<description><![CDATA[De nieuwe Grondexploitatiewet (Grex), onderdeel van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening, biedt gemeenten betere mogelijkheden tot verhaal van kosten die moeten worden gemaakt om een locatie geschikt te maken voor bebouwing. In deze notitie wordt de vraag beantwoord of de Grex handvaten biedt tot het realiseren van duurzame ambities bij de aanleg van gebieden. De conclusies zijn besproken in een workshop met VROM (opstellers van de wet) en gemeenten.]]></description>
			<pubDate>Thu, 19 Mar 2009 13:11:16 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Aviation and maritime transport in a post-2012 climate policy regime]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/aviation_and_maritime_transport_in_a_post-2012_climate_policy_regime/500</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/aviation_and_maritime_transport_in_a_post-2012_climate_policy_regime/500</guid>
			<description><![CDATA[This study reports on possible ways to bypass the current deadlock in negotiations on international climate policies for aviation and maritime emissions. It concludes that a number of viable ways do indeed exist. 

The main line of reasoning that this report takes is that:In order to be acceptable to a large number of countries, commitments in any climate policy regime need to be differentiated with regard to economic development: rich countries should do more than poor countries.The Multi-Stage Approach is a good way to achieve intercountry differentiation: countries gradually take on more stringent commitments as their economies become more developed.The main economic benefit that countries derive from transport is their access to other economies. It is therefore logical to differentiate commitments on a route basis. All other types of differentiation would suffer from serious distortions of competitive markets, which would reduce the environmental effectiveness.This differentiation can be achieved either by allocating emissions to countries or by means of sectoral, open emissions trading with differentiated treatment of routes.Stacked policies and measures are a good way to balance the demands for global policy regimes for these global industries with the need for differentiation of commitments.

Ever since the emergence of a global climate policy regime,  incorporation of the greenhouse gas emissions of international transport has posed a problem. As a result, emissions from aviation and maritime transport have not been included in the targets under the Kyoto protocol. Instead, the protocol urges developed countries to reduce these emissions through the UN bodies ICAO and IMO. However, in the decade that has elapsed since the protocol was drafted, hardly any progress has been made.

Following the above line of reasoning, three viable routes for international climate policy regimes for international transport have been derived. First, a regime could be based on the current Kyoto architecture with allocation of responsibility to countries. Second, a sectoral approach could be applied. Third, regional policies could be designed such as to effectively reduce the greenhouse gas emissions of international transport without gravely distorting the competitive market. ]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:21 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Strategie voor klimaatneutrale brandstoffen]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/strategie_voor_klimaatneutrale_brandstoffen/418</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/strategie_voor_klimaatneutrale_brandstoffen/418</guid>
			<description><![CDATA[Dit rapport bevat een advies aan het Ministerie van VROM ten aanzien van een robuuste middellange strategie voor klimaatneutrale brandstoffen. We concluderen hierin dat een effectief beleid van de overheid om klimaatneutrale brandstoffen te stimuleren goed mogelijk is. Wanneer de overheid een markt voor klimaatneutrale brandstoffen cre&euml;ert, biedt dat het bedrijfsleven de mogelijkheid om te investeren in de meest veelbelovende klimaatneutrale opties, zodat de techniek verder wordt ontwikkeld. Stabiel en betrouwbaar beleid dat gedurende een langere termijn zekerheid biedt is daarvoor essentieel. 
Het rapport bevat allereerst een beschrijving van het kader waarbinnen het beleid moet worden vormgegeven. Vervolgens geven we de hoofdlijnen van de strategie. Op basis hiervan zijn een aantal beleidsscenario’s geanalyseerd waarmee de overheid deze strategie handen en voeten zou kunnen geven. 
Opdrachtgevers van deze studie waren het GAVE programma van SenterNovem en het Ministerie van VROM.

]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Inventarisatie Nederland CSD 14]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/inventarisatie_nederland_csd_14/420</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/inventarisatie_nederland_csd_14/420</guid>
			<description><![CDATA[Aanleiding De Nederlandse beleidsinzet voor duurzame ontwikkeling is erop gericht om ervoor te zorgen dat toekomstige generaties minstens zoveel kansen op ontplooiing en ontwikkeling hebben als wij zelf. Als doelstelling van het Nederlandse duurzaamheidbeleid is dit vertaald in het streven naar absolute ontkoppeling van economische groei en de emissies van milieuverontreinigende stoffen. De Commissie voor Duurzame Ontwikkeling (Commission on Sustainable Development - CSD) van de VN is belast met de uitvoering van Agenda 21. Ter voorbereiding van 14e vergadering van de CSD is er door het CSD secretariaat gevraagd aan alle landen om een inventarisatie te leveren op de thema&amp;rsquo;s industri&amp;euml;le ontwikkeling, energie en luchtvervuiling/atmosfeer. De Nederlandse inbreng is verzorgd door CE. Stand van zaken Vergeleken met andere Europese landen, is Nederland dicht bebouwd en bevolkt, heeft een energie-intensieve industrie en heeft daardoor hogere emissies per vierkante kilometer. Nederland heeft te maken met een grote bijdrage van vervuiling uit het buitenland. Met zijn lage ligging in de rivierendelta is Nederland bovendien gevoelig voor mogelijke effecten van klimaatveranderingen. De opwarming van het wereldwijde klimaat zal de kans op weersextremen groter maken. Nederland is dan ook sterk gebaat bij verdergaande internationale maatregelen om emissies van broeikasgassen en vervuilende stoffen in te dammen. Het Nederlandse milieubeleid van de afgelopen decennia is in een aantal opzichten succesvol geweest. Op veel punten is de leefomgeving van de mens gezonder en veiliger geworden. De eco-efficiency van de Nederlandse productie (de verhouding tussen wat een sector verdient en de daarmee samenhangende emissie) is gunstiger geworden. Voor vervuilende stoffen (NOx, NH3, So2 en fijn stof) is de laatste decennia een daling zichtbaar. Nationaal en Europees beleid, dat vervolgens in Nederland is ge&amp;iuml;mplementeerd, zijn succesvol gebleken. Dit heeft geresulteerd in een verbetering van de luchtkwaliteit in Nederland, hoewel nog onvoldoende om aan internationale normen te voldoen. Hier kunnen we spreken van een absolute ontkoppeling tussen de economische groei en de milieudruk. Deze ontkoppeling is voor een zeer belangrijk deel tot stand gekomen dankzij technische maatregelen en doorgaande economische structuurveranderingen (toename dienstensector). Nederland voert dertig jaar energiebesparingsbeleid waarbij veel instrumenten zijn toegepast. Daarmee is een constante energiebesparing bereikt. Recent zijn de doelstellingen verder verhoogd. Duurzame energie kent geen lange traditie in Nederland, vooral bij gebrek aan waterkracht. Windenergie en bio-energie hebben beide een aanzienlijk potentieel. Bij de emissie van CO2 is weliswaar sprake van een afnemende groei, maar niet van een absolute ontkoppeling. Hier ligt dan ook een fundamentele uitdaging voor het Nederlandse milieubeleid. De rapportage biedt een overzicht van de voortgang, knelpunten en samenhang op de thema&amp;rsquo;s industri&amp;euml;le ontwikkeling, energie en luchtvervuiling/atmosfeer.]]></description>
			<pubDate>Thu, 26 Mar 2009 16:20:49 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Cost effectiveness of CO2 mitigation in transport]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/cost_effectiveness_of_co2_mitigation_in_transport/395</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/cost_effectiveness_of_co2_mitigation_in_transport/395</guid>
			<description><![CDATA[The ECMT is currently writing a report on carbon emission reductions in the transport sector. To support this study, CE Delft was asked to write a background report on cost effectiveness of measures to reduce CO2 emissions in the transport sector. In this report, various technical mitigation options in the transport sector are analyzed: im-proved fuel economy of cars, biofuels and hydrogen. 

The report concludes that studies on this topic are not always in agreement. Several studies find that efficiency measures in the transport sector can be more cost effective than measures in other sectors, whereas other studies, for example a recent EEA report, disagree. Regarding biofuels, the report concludes that biomass use in power stations is more favourable from a cost effectiveness point of view. New biofuels are being developed that are expected to perform better. 

It is furthermore concluded that there are only very few studies available that address the issue of cost effectiveness of measures across sectors. Even data on the cost effectiveness of measures within the transport sector is scarce.
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:21 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Dealing with Transport Emissions]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/dealing_with_transport_emissions/387</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/dealing_with_transport_emissions/387</guid>
			<description><![CDATA[Het Europese verkeer is de afgelopen jaren sterk gegroeid. Dit leidt tot een grotere uitstoot van milieubelastende stoffen, waaronder ook het broeikasgas CO2. In opdracht van het Zweedse Environmental Protection Agency (EPA) heeft CE een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden, voor- en nadelen van een systeem van verhandelbare CO2-emissierechten voor het verkeer. Momenteel bestaat er al een emissiehandelssysteem voor de energie-intensieve industrie in Europa (ETS).

Diverse varianten van een emissiehandelssysteem (cap&amp;trade versus baseline&amp;credit, upstream versus downstream) zijn in kaart gebracht. Daarbij is een nader onderscheid gemaakt naar systemen voor de gehele transportsector respectievelijk voor specifieke subsectoren zoals wegtransport, railvervoer, luchtvaart en zeevaart. Tevens is bezien of voor transport een afzonderlijk of een aan het huidige Europese ETS gelinkt emissiehandelssysteem zinvol is. Vervolgens zijn de verschillende varianten beoordeeld op onder meer milieueffect, kosteneffectiviteit en de gevolgen voor de concurrentiepositie van de betreffende sectoren.
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energiebesparing in de Nederlandse aardgasketen]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energiebesparing_in_de_nederlandse_aardgasketen/373</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energiebesparing_in_de_nederlandse_aardgasketen/373</guid>
			<description><![CDATA[De aardgasketen vertegenwoordigt met 37 PJ ongeveer vijf procent van het Nederlandse industri&euml;le energieverbruik. In deze studie is het potentieel voor energiebesparing in deze keten in kaart gebracht. Daarbij is de gehele keten bekeken: van gaswinning uit de reservoirs, gasbehandeling, droging en menging van het gas, transportcompressor- en gasontvangststations, tot aan de gasmeter bij eindgebruikers.Voorwaarde voor de energiebesparing is dat de bedrijven in de aardgasketen met elkaar samenwerken.Aan deze verkenning werkten alle onderdelen van de aardgasketen mee: vertegenwoordigd waren de gasproducenten, verenigd in de brancheorganisatie NOGEPA (Netherlands Oil and Gas Exploration and Production Association), Gasunie en Essent Energie. De studie werd gefaciliteerd door SenterNovem.
De besparingsopties hebben betrekking op de vier factoren die van invloed zijn op het energieverbruik: de gewenste kwaliteit van het gas, de druk van het gas, de fluctuaties in de gasstroom (debiet) en de afstand waarover het gas moet worden getransporteerd. Er zijn drie kansrijke maatregelen geselecteerd: spreiding van de gaskwaliteit, lokaal opwekken van elektriciteit en de druk verlagen op het hoofdtransportleidingennet in de zomer.
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[CO2-opslag interessant voor klimaatbeleid, maar moet er ook subsidiegeld naar toe?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/co2-opslag_interessant_voor_klimaatbeleid%2C_maar_moet_er_ook_subsidiegeld_naar_toe/363</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/co2-opslag_interessant_voor_klimaatbeleid%2C_maar_moet_er_ook_subsidiegeld_naar_toe/363</guid>
			<description><![CDATA[In Nederland worden veel subsidies verleend met als doel het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen, zoals subsidies voor duurzame energie en energiebesparing. Op dit moment bestaat de indruk dat CO2-opslag uit fossiele brandstoffen een mogelijke concurrent wordt van duurzame energie en energiebesparing in de subsidieverlening. Daarom heeft Milieudefensie aan CE gevraagd om te onderzoeken of het vanuit maatschappelijk oogpunt wenselijk is om CO2-opslag te subsidi&euml;ren.
Het rapport concludeert dat CO2-opslag een effectieve techniek is om broeikasgassen te reduceren. Er zijn echter geen goede redenen om CO2-opslag bij energiecentrales aanvullend (op emissiehandel) te subsidi&euml;ren via exploitatiesubsidies zoals bijvoorbeeld via de MEP omdat er geen belangrijke nevendoelen zijn, zoals bij duurzame energie, die exploitatiesubsidies bovenop de emissiehandelsprijs rechtvaardigen.

]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Biologische landbouw en koolstofvastlegging]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/biologische_landbouw_en_koolstofvastlegging/356</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/biologische_landbouw_en_koolstofvastlegging/356</guid>
			<description><![CDATA[In dit rapport worden de claims van een langlopend veldonderzoek op het gebied van biologische landbouw in de Verenigde Staten onderzocht. Het Amerikaanse Rodale Instituut claimt dat met biologische landbouw \&quot;up to 1,000 pounds of carbon per acrefoot\&quot; kunnen worden vastgelegd. Dit komt overeen met ca. 1100 kg koolstof per hectare in Nederlandse termen. Hoewel de hoogte van deze getallen niet exact kon worden geverifieerd, bevestigen literatuuronderzoek en onafhankelijke experts dat een 2 tot 4 keer zo hoge koolstofvastlegging door biologische landbouw in vergelijking tot conventionele landbouw mogelijk is. Dit betekent dat tot 1% van de Nederlandse klimaatdoelstelling kan worden gerealiseerd wanneer de Nederlandse doelstelling van 10% biologisch landbouwareaal in 2010 wordt gerealiseerd. ]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
			</channel>
</rss>

