<?xml version="1.0" encoding="ISO-8859-1" ?>
<rss version="2.0" xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom">
  	<channel>
    	<title>CE Delft - Energievoorziening en infra</title>
		<copyright>Copyright (c) 2012, CE Delft</copyright>
		<link>http://www.ce.nl/ce/rapporten/114/</link>
        <atom:link href="http://www.cedelft.nlindex.php?go=home.showRapportenRSS&amp;pagenr=561" rel="self" type="application/rss+xml" />
		<language>nl</language>
		<description>CE Delft Rich Site Summary</description>
		<webMaster>webmaster@ce.nl (Webmaster)</webMaster>
		        
		<item>
			<title><![CDATA[A critical examination of the investment proposals for Unit 6 of the Sostanj Power Plant]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/a_critical_examination_of_the_investment_proposals_for_unit_6_of_the_sostanj_power_plant/1210</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/a_critical_examination_of_the_investment_proposals_for_unit_6_of_the_sostanj_power_plant/1210</guid>
			<description><![CDATA[Holding Slovenske Elektrarne (HSE), eigenaar van de Termoelektrarna &amp;Scaron;o&amp;scaron;tanj elektriciteitscentrale (&amp;Scaron;TPP) in Sloveni&amp;euml;, heeft een plan opgesteld voor de bouw van een nieuwe eenheid bij deze centrale. Deze geplande Eenheid 6 zal de eenheden 4 en 5 vervangen en worden gestookt met bruinkool van de nabijgelegen Velenje-mijn. Het eerste investeringsplan werd in 2005 ingediend en is in 2006 en 2009 bijgesteld om in aanmerking te komen voor leningen van de Europese Investeringsbank (EIB) en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD). In 2011 werd een vierde herziening van het investeringsplan opgesteld, die vereist was omdat de EIB een staatsgarantie had gevraagd. Sloveense wetgeving met betrekking tot &amp;ldquo;uniforme methodologie voor opstelling en behandeling van investeringsdocumentatie in de context van &amp;nbsp;openbare financi&amp;euml;n&amp;rdquo; vereist dat bepaalde regels worden toegepast bij dit soort staatsgarantie. E&amp;eacute;n van deze specifieke regels betreft het verwachte rendement op investering, dat boven de 7% moet zijn.&amp;nbsp;

Zoals bij ieder investeringsplan zijn de berekeningen vooral afhankelijk van de aannames die gemaakt worden met betrekking tot de toekomstige ontwikkeling van kosten en baten. Het CEE Bankwatch Network en de vereniging voor duurzame ontwikkeling Focus verzochten CE Delft het investeringsplan voor de nieuwe bruinkoolgestookte eenheid van de &amp;Scaron;o&amp;scaron;tanj-centrale onder de loep te nemen en te beoordelen of de belangrijkste variabelen goed zijn ingeschat. In dit rapport wordt het investeringsplan geanalyseerd en de onderliggende aannames met betrekking tot de toekomst kritisch ge&amp;euml;valueerd.]]></description>
			<pubDate>Wed, 04 Jan 2012 09:04:47 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Aardgas en biomassa als brandstof voor RWE Eemshaven kolencentrale]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/aardgas_en_biomassa_als_brandstof_voor_rwe_eemshaven_kolencentrale/1190</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/aardgas_en_biomassa_als_brandstof_voor_rwe_eemshaven_kolencentrale/1190</guid>
			<description><![CDATA[In de Eemshaven werkt RWE/Essent aan een 2 x 780 MWe kolencentrale. De centrale is inmiddels in aanbouw. RWE wil deze in 2013 in gebruik nemen. De centrale zou jaarlijks ongeveer 8,4 Mton CO2 gaan uitstoten.
Greenpeace heeft aan CE Delft gevraagd welke mogelijkheden er grofweg zijn om de in aanbouw zijnde centrale met andere brandstoffen te stoken en wat daarvan de invloed kan zijn op milieubelasting en rendabiliteit.&amp;nbsp; 
CE Delft heeft een globale analyse uitgevoerd op basis van eigen expertise en openbare stukken. De gepresenteerde cijfers betreffen in lijn daarmee steeds een indicatie van de mogelijkheden zonder een waardeoordeel van de zijde van CE Delft.]]></description>
			<pubDate>Wed, 12 Oct 2011 08:35:06 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Nuclear energy: The difference between costs and prices]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/nuclear_energy%3A_the_difference_between_costs_and_prices/1202</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/nuclear_energy%3A_the_difference_between_costs_and_prices/1202</guid>
			<description><![CDATA[Voor WNF is in kaart gebracht hoe de directe en indirecte kosten van kernenergie zich verhouden tot die van andere vormen van elektriciteitsopwekking. Daarmee is gekeken of claims houdbaar zijn dat kernenergie goedkoop is en zonder overheidssteun een significante bijdrage kan leveren aan de Nederlandse energievoorziening. Uit deze studie blijkt dat, ondanks de zeer lage marginale kosten, kernenergie duurder is dan de meeste andere vormen van elektriciteitsopwekking wanneer bouwkosten (onder geliberaliseerde marktomstandigheden), veiligheid, aansprakelijkheid en milieueffecten worden meegenomen. Een belangrijke kostenpost die in deze studie is meegenomen, zijn de kosten van de ongelukken met kernenergie die tot nu toe ten laste van de samenleving zijn gekomen. Als deze zouden worden toegerekend aan alle door kernenergie geproduceerde elektriciteit dan ontstaat per kWh een prijsverhoging van 2,3 Eurocent. Door de hoge bouwkosten en het aanzienlijke risico op kostenoverschrijdingen lijkt het onwaarschijnlijk dat private partijen de business case voor een nieuwe centrale rond krijgen zonder overheidssteun. Tot nu toe zijn alle bouwprojecten van kerncentrales mogelijk geweest door &amp;eacute;&amp;eacute;n of andere vorm van overheidssteun.
Alhoewel op dit moment, als alle kosten worden meegenomen, sommige hernieuwbare technieken (zoals wind op zee) nog niet kunnen concurreren met kernenergie, laten hernieuwbare technieken een sterke leercurve en dalende kostprijzen zien, waar de kosten van kernenergie de laatste decennia juist zijn toegenomen.]]></description>
			<pubDate>Sat, 19 Nov 2011 12:28:41 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Achtergrondgegevens Stroometikettering 2010]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/achtergrondgegevens_stroometikettering_2010/1136</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/achtergrondgegevens_stroometikettering_2010/1136</guid>
			<description><![CDATA[Sinds 1 januari 2005 is etikettering van de herkomst van elektriciteit verplicht in Nederland. 
CE Delft heeft de mix vastgesteld van de elektriciteit die in Nederland in 2010 geleverd is. 
De Nederlandse leveringsmix bestaat uit elektriciteit opgewekt uit aardgas (ruim 50%), kolen (16%), kernenergie (4%) en groene stroom (26%). De milieuconsequenties uitgedrukt in termen van CO2 en radioactief afval zijn respectievelijk 332 g CO2/KWh en 0,0001 g kernafval/KWh.]]></description>
			<pubDate>Wed, 16 Mar 2011 14:31:47 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Winst in de petroleumketenStudie naar verbeteringen in de energie-efficiency in de petroleumketen, buiten de raffinaderijen]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/winst_in_de_petroleumketen%3Cbr%3Estudie_naar_verbeteringen_in_de_energie-efficiency_in_de_petroleumketen%2C_buiten_de_raffinaderijen/1105</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/winst_in_de_petroleumketen%3Cbr%3Estudie_naar_verbeteringen_in_de_energie-efficiency_in_de_petroleumketen%2C_buiten_de_raffinaderijen/1105</guid>
			<description><![CDATA[In deze studie brengen we in kaart op welke wijze de energie-efficiency in de keten van de petroleumindustrie kan worden verbeterd, buiten de raffinaderijen en binnen Nederland. Dit onderzoek is uitgevoerd in het kader van de Meerjarenafspraak Energie Effici&amp;euml;ntie ETS-ondernemingen (MEE-convenant), in opdracht van de VNPI en met ondersteuning van Agentschap NL.

Hiervoor zijn de mogelijkheden voor energiebesparing in kaart gebracht bij op- en overslag en transport van de ruwe olie en petroleumproducten. Daarnaast is gekeken naar mogelijkheden voor opwekking van duurzame energie op de tank- en opslaglocaties, naar warmte- en CO2-levering vanuit de raffinaderij en naar de inzet van biomassa in de raffinaderij.

Het grootste reductiepotentieel is gevonden bij CO2- en warmtelevering van de raffinaderij en bij inzet van biomassa in de raffinageprocessen. In de overige stappen kan het besparingspotentieel oplopen tot enkele tientallen procenten van het energiegebruik van de ketenstap, over de hele keten gezien zijn deze besparingen echter beperkt. Het verdient nu aanbeveling om de Top-3 maatregelen verder te ontwikkelen, en de mogelijkheden voor realisatie in meer detail te onderzoeken.]]></description>
			<pubDate>Tue, 09 Nov 2010 12:41:44 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energie in vergunningverlening en handhaving]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energie_in_vergunningverlening_en_handhaving/1084</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energie_in_vergunningverlening_en_handhaving/1084</guid>
			<description><![CDATA[CE Delft heeft in 2009 met de VROM Inspectie onderzocht hoe gemeenten het onderwerp &amp;lsquo;energiebesparing&amp;rsquo; meenemen bij de uitvoering van de Wet milieubeheer. Het onderzoek richtte zich op de bedrijven die vallen onder een convenant voor energiebesparing, maar daar niet actief aan deelnemen. De vraag was of die bedrijven tenminste vergelijkbare eisen krijgen opgelegd, als waar bedrijven aan voldoen die actief deelnemen aan het convenant. 
In totaal zijn bij 30 gemeenten dossiers doorgelicht van in totaal 121 bedrijven. Het onderzoek toont aan dat de meeste van deze gemeenten niet voldoende aandacht geven aan het onderwerp. Op basis van het onderzoek zijn aanbevelingen opgesteld. Deze geven Rijk en gemeenten een handvat om energiebesparing via de Wet milieubeheer effectiever uit te gaan voeren.]]></description>
			<pubDate>Tue, 01 Mar 2011 13:42:25 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Net voor de Toekomst]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/net_voor_de_toekomst/1192</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/net_voor_de_toekomst/1192</guid>
			<description><![CDATA[Gas- en elektriciteitsnetten zijn een belangrijke randvoorwaarde voor verduurzaming en energiebesparing. Om de verduurzaming in goede banen te leiden hebben de netbeheerders daarom in het rapport &amp;lsquo;Net voor de Toekomst&amp;rsquo; de op stapel staande veranderingen en de impact daarvan op de netten in kaart gebracht. Uit het rapport blijkt vooral dat onzekerheid rond het tempo en de vorm waarin de verduurzaming plaats vindt, het lastig maakt om toekomstbestendig te investeren. Netbeheer Nederland pleit daarom voor een ketenbenadering in de energievoorziening waarbij netbeheerders in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken zijn bij de ontwikkeling van nieuwbouwgebieden om zo energieoptimale oplossingen aan te kunnen bieden. Daarnaast kunnen netbeheerders met hun ervaring en expertise een belangrijke rol vervullen als aanjager van nieuwe ontwikkelingen en door innovatieve projecten het gas- en elektriciteitsnet zo optimaal mogelijk in te richten en af te stemmen op de toekomstige energievoorziening in Nederland.

Hoe en in welk tempo de verduurzaming vorm gaat krijgen staat nog allerminst vast. Welke rol in onze toekomstige Nederlandse energievoorziening krijgt duurzame productie met windturbines, zonnepanelen, inzet van biomassa en groen gas en energiebesparende technieken als warmtepompen, elektrisch vervoer en thuiscentrales die zowel warmte als elektriciteit produceren?&amp;nbsp;

Een net dat wordt aangelegd gaat wel voor enkele tientallen jaren in de grond. Om de juiste investeringsbeslissingen bij de aanleg en vervanging voor de netten te kunnen nemen willen netbeheerders meer duidelijkheid proberen te krijgen. Verkeerde beslissingen kunnen er toe leiden dat het net een beperkende factor van de verduurzaming wordt omdat het bepaalde ontwikkelingen niet aan kan. Maar ongebreideld investeren in netten om alle denkbare ontwikkelingen mogelijk te maken is uit kostenoverwegingen eveneens maatschappelijk ongewenst.&amp;nbsp;

Netbeheer Nederland heeft daarom samen met CE Delft de impact van de verduurzaming op de netten in kaart gebracht in het rapport &amp;lsquo;Net voor de Toekomst&amp;rsquo;. Hierin wordt een overzicht gegeven welke ontwikkelingen tot 2050 zijn te verwachten, welke zekerheden en onzekerheden hiermee voor de netten gepaard gaan.&amp;nbsp;]]></description>
			<pubDate>Wed, 02 Nov 2011 11:24:10 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Hernieuwbare elektriciteit; subsidi&euml;ren of verplichten?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/hernieuwbare_elektriciteit%3B_subsidi+en+euml%3Bren_of_verplichten/1083</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/hernieuwbare_elektriciteit%3B_subsidi+en+euml%3Bren_of_verplichten/1083</guid>
			<description><![CDATA[Om investeringen in hernieuwbare elektriciteit te stimuleren, hanteren Europese landen verschillende stimuleringsregimes. Grofweg kunnen deze instrumenten in twee hoofdcategorie&amp;euml;n worden verdeeld: (1) subsidieregelingen en (2) systemen waarbij leveranciers van elektriciteit verplicht zijn een minimaal aandeel van de door hen geleverde elektriciteit te verduurzamen (leveringsverplichting). In Nederland wordt hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd via de Stimuleringsregeling Duurzame energie (SDE), een subsidieregeling. In dit rapport is onderzocht of een leveringsverplichting voor hernieuwbare elektriciteit:

    Effectiever en doelmatiger is in het realiseren van de doelstelling voor hernieuwbare elektriciteit op de korte termijn (tot 2020).
    Beter in staat is om een stabiel investeringsklimaat te cre&amp;euml;ren zodat een structurele markt voor hernieuwbare elektriciteit ontstaat met het oog op de lange termijn energietransitie, ook na 2020.

Om antwoord te geven op deze vraag is gekeken naar de stimuleringsregimes voor hernieuwbare elektriciteit in Nederland, Denemarken, Duitsland en Spanje (alle subsidieregelingen) en Belgi&amp;euml;, Polen, het Verenigd Koninkrijk en Zweden (alle leveringsverplichtingen).

Het rapport komt tot de conclusie dat er op dit moment geen duidelijke aanwijzingen zijn dat een leveringsverplichting een (kosten)effectiever instrument is dan een subsidie zolang het aandeel hernieuwbare elektriciteit nog beperkt is (tot 2020). Echter, ter ondersteuning van de langere termijn energietransitie, zal vanaf 2015 de geleidelijke invoering van een leveringsverplichting nodig zijn. Op deze manier kan het tijdig ombuigen van investeringen van conventionele naar hernieuwbare bronnen, nodig voor de energietransitie, worden gerealiseerd. De wijze waarop in Nederland een leveringsverplichting het beste kan worden ingevoerd, vereist nader onderzoek. 

Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Nederlandse Vereniging voor Marktwerking in Energie (VME).]]></description>
			<pubDate>Wed, 11 Aug 2010 14:02:20 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Handboek Schaduwprijzen : Waardering en weging van emissies en milieueffecten]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/handboek_schaduwprijzen_%3A_waardering_en_weging_van_emissies_en_milieueffecten/1027</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/handboek_schaduwprijzen_%3A_waardering_en_weging_van_emissies_en_milieueffecten/1027</guid>
			<description><![CDATA[In het Handboek Schaduwprijzen wordt uitgebreid ingegaan op de berekeningsmethodiek en toepassing van schaduwprijzen en de daarvan afgeleide weegfactoren voor individuele milieuthema&amp;rsquo;s. Daarmee is dit Handboek een nuttig wetenschappelijke achtergronddocument, waarin relevante factoren, methodologische keuzes en te hanteren aannames voor het bepalen van schaduwprijzen en weegfactoren expliciet worden benoemd. 

Tevens worden twee datasets gepresenteerd; &amp;eacute;&amp;eacute;n op basis van preventiekosten en &amp;eacute;&amp;eacute;n op basis van schadekosten. Deze cijfers kunnen worden toegepast in tal van economische en milieukundige analyses, mits in ogenschouw wordt genomen dat het om Nederlandse gemiddelden gaat. 

Het unieke aan dit onderzoek is dat de meest recente milieukundige ontwikkelingen rondom karakterisatiefactoren en economische inzichten in waardering zijn gecombineerd tot een methodologisch consistent geheel. Hierdoor wordt zowel een bijdrage geleverd aan de literatuur rondom waardering van externe effecten, als aan de milieukundige literatuur die weegfactoren probeert te ontwikkelen.

Er is tevens een Engelstalig exemplaar van het handboek beschikbaar.]]></description>
			<pubDate>Tue, 20 Apr 2010 14:28:23 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Achtergrondgegevens Stroometikettering 2009]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/achtergrondgegevens_stroometikettering_2009/1076</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/achtergrondgegevens_stroometikettering_2009/1076</guid>
			<description><![CDATA[Sinds 1 januari 2005 is etikettering van de herkomst van elektriciteit verplicht in Nederland. CE Delft heeft de mix van de elektriciteit die in Nederland in 2009 geleverd is vastgesteld. De Nederlandse leveringsmix bestaat uit elektriciteit opgewekt uit aardgas (ruim 50%), kolen (18%), kernenergie (5%) en groene stroom (21%). De milieuconsequenties uitgedrukt in termen van CO2 en radioactief afval zijn respectievelijk 364 g CO2/KWh en 0,00014 g kernafval/KWh.]]></description>
			<pubDate>Wed, 04 Aug 2010 12:23:48 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Evaluatie energiebesparingsbeleid in de industrie]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/evaluatie_energiebesparingsbeleid_in_de_industrie/1186</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/evaluatie_energiebesparingsbeleid_in_de_industrie/1186</guid>
			<description><![CDATA[In opdracht van de Algemene Rekenkamer zijn door CE Delft diverse overheidsinstrumenten ge&amp;euml;valueerd voor bevordering van energiebesparing. Het gaat om beleid tussen 1995 en 2008 voor de Nederlandse industrie en energiesector. Onderzocht is wat de inzet van de instrumenten heeft gekost in financi&amp;euml;le termen en opgeleverd aan energiebesparing. Daarnaast is onderzocht of een andere vormgeving van de instrumenten een gunstigere verhouding tussen kosten en effecten zou hebben opgeleverd. Uitkomst van deze studie zijn door de Rekenkamer gebruikt voor de rapportage Energiebesparing: ambities en resultaten, die 5 oktober is aangeboden aan de Tweede Kamer. 

CE Delft concludeert dat het besparingstempo voor de grote industrie sinds de jaren '90 is afgenomen doordat het beleid minder ambitieus is geworden. In toenemende mate is er sprake geweest van overlap van beleid. 

De ge&amp;euml;valueerde instrumenten
Directe regulering:
1.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; De Wet milieubeheer (Wm).
2.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; De Europese Directive on Integrated Pollution and Prevention Control (IPPC). 
Economische instrumenten:
3.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; De brandstoffen- en energiebelastingen (BSB en (R)EB).
4.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; Het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS).
Directe subsidies:
5.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; Het Besluit subsidies energiebesparingtechnieken WKK (BSET-WKK).
6.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; De Tenderregeling Industri&amp;euml;le Energiebesparing (TIEB).
7.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; Het CO2-reductieplan.
Hoewel officieel geen onderdeel van het overheidsbeleid hebben de distributiebedrijven in het kader van de Milieu Actieplannen (MAP-2 en MAP2000) energiebesparing in de industrie direct gestimuleerd, gefinancierd middels een toeslag op de gas- en elektriciteitsprijs. 
Indirecte subsidies (fiscale regelingen):
8.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; De Energie-investeringsaftrek (EIA).
9.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; De Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL).
Convenanten:
10.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; De 1ste en 2de generatie meerjarenafspraken (MJA1 en MJA2) en Convenant Benchmarking.

Sommige van deze regelingen zijn inmiddels be&amp;euml;indigd.]]></description>
			<pubDate>Wed, 05 Oct 2011 15:42:34 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energietransitie Amsterdam 2040]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energietransitie_amsterdam_2040/1070</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energietransitie_amsterdam_2040/1070</guid>
			<description><![CDATA[Amsterdam wil met de Energiestrategie 2040 de omslag maken naar een duurzame energievoorziening. 

In de Energiestrategie staat beschreven langs welke hoofdlijnen dat doel voor elke sector bereikt kan worden. Het document levert daarmee input voor de Structuurvisie Amsterdam 2040.

De Energiestrategie is uitgedrukt in termen van CO2-emissiereducties, mede omdat klimaatbeleid een belangrijke pijler is onder de strategie, maar zeker niet de enige. Andere belangrijke pijlers zijn sociaal- en economisch beleid. Inzetten op energiebesparing en op duurzame energieopwekking betekent immers ook inzetten op acceptabele variabele woonlasten en op voorzieningszekerheid. Daarnaast levert de inzet op gebouwisolatie, op effici&amp;euml;nte gebouwinstallaties en op duurzame energiebronnen zoals zonnecellen en windmolens belangrijke werkgelegenheid in de regio op en ook aantrekkingskracht op innovatieve bedrijvigheid. 

De Energiestrategie 2040 is daarmee ook een verstandig sociaal en economisch beleid. Amsterdam kiest daarbij de rol van koploper; een partij die laat zien wat er kan en d&amp;agrave;t het kan, daarbij een beroep doend op burgers, bedrijven en andere overheden om dat voorbeeld te volgen. De gemeentelijke organisatie geeft zelf het goede voorbeeld door in 2015 geheel klimaatneutraal te zijn.&amp;nbsp;
&amp;nbsp;]]></description>
			<pubDate>Fri, 09 Jul 2010 10:41:14 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[VME Energy Transition Strategy. External Costs and Benefits of Electricity Generation]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/vme_energy_transition_strategy._external_costs_and_benefits_of_electricity_generation/1082</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/vme_energy_transition_strategy._external_costs_and_benefits_of_electricity_generation/1082</guid>
			<description><![CDATA[Investeringsbeslissingen voor nieuw elektrisch productievermogen worden nog steeds gebaseerd op de directie productiekosten die met de diverse opwektechnieken gepaard gaan. Hierdoor komt kolen vaak als goedkoopste optie uit de bus. Wanneer echter ook de zogenoemde externe kosten van elektriciteitsopwekking worden meegewogen in de investeringsbeslissing, verandert het beeld. Het gaat dan bijvoorbeeld om indirecte kosten gerelateerd aan de uitstoot van broeikasgassen, luchtvervuiling en ongevallen bij elektriciteitscentrales bij de winning en het transport van grondstoffen en de opwekking van elektriciteit. Ook de kosten voor inpassing van een fluctuerende bron als windenergie in het elektriciteitsnet zijn van belang. In het rapport wordt bestudeerd of de relatieve kostenposities van verschillende opwekmethoden voor elektriciteit veranderen als niet enkel de directe maar ook de indirecte kosten worden meegenomen. Zodra elektriciteitsproducenten geconfronteerd worden met deze totale kosten, zullen investeringsbeslissingen anders uitpakken.

Het rapport komt tot de conclusie dat kosten geassocieerd met CO2 substantieel zijn en 70 tot 85% uitmaken van de totale milieukosten van kolencentrales. Voor elektriciteitscentrales die (deels) op biomassa worden gestookt, zijn de externe kosten die kunnen worden toegeschreven aan landgebruik eveneens substantieel. De geschatte externe kosten die kunnen worden toegeschreven aan de inpassing van windenergie in het elektriciteitsnet kunnen oplopen tot 120 &amp;euro; per MWh.

Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Nederlandse Vereniging voor Marktwerking in Energie (VME).]]></description>
			<pubDate>Mon, 13 Sep 2010 18:48:58 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Biodebat Zeeland: biomassakansen voor versterking Zeeuwse economie en vermindering milieubelasting?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/biodebat_zeeland%3A_biomassakansen_voor_versterking_zeeuwse_economie_en_vermindering_milieubelasting/1023</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/biodebat_zeeland%3A_biomassakansen_voor_versterking_zeeuwse_economie_en_vermindering_milieubelasting/1023</guid>
			<description><![CDATA[In drie biodebatten hebben vertegenwoordigers van de Zeeuwse industrie, agrarische sector, ZMF, onderzoeksinstellingen en overheden van gedachten gewisseld over kansen voor duurzame inzet van biomassa in Zeeland. Gericht op versterking van de Zeeuwse economie &amp;egrave;n vermindering van milieubelasting. 

Het 'eerste biodebat' werd gevoerd op 22 januari 2009 in Goes. 
Basis was een achtergrondnotitie van CE Delft met kansen voor duurzame inzet van biomassa in de Zeeuwse economie. Uit het debat kwam naar voren dat er op korte termijn er in Zeeland vooral kansen liggen om reststromen van biomassa, CO2 en warmte uit industrie en landbouw (hoogwaardiger) te gaan hergebruiken. 
Op langere termijn zijn er kansen om via innovatieve processen biomassa in te zetten in de petrochemische industrie. Bijvoorbeeld door toepassing van HTU-technologie waarmee biomassa wordt omgezet in grondstof voor olieraffinaderijen. Economische kansen liggen er ook voor de Zeeuwse havens en de agrarische sector.
Het lijkt niet haalbaar om de hele Zeeuwse energievoorziening te dekken met biomassa: dat vraagt om een areaal vijftien maal groter dan geheel Zeeland. Bij toelevering van dergelijke massa&amp;rsquo;s is duurzaamheid een cruciaal item.
Milieu en versterking van de economie lijken redelijk gelijk op te gaan: opties die op lange termijn de economie versterken, hebben doorgaans ook een gunstige milieu-impact.
Het complete verslag is hier te vinden. Na het eerste debat volgden twee debatten gericht op industrie en landbouw. 

Vervolgdebatten biomassa: industrie en landbouw
Na het eerste biodebat volgden debatten gericht op industrie en landbouw. Afsluitend zijn aanbevelingen geformuleerd voor de provincie Zeeland.

Het 'tweede biodebat' was met de Zeeuwse industrie, op 28 mei 2009 in Oostkappelle. Voorafgaand aan het debat waren met zo&amp;rsquo;n vijftien bedrijven interviews gevoerd. Daarbij lopende initiatieven en ambities in kaart gebracht, en is gevraagd naar belemmeringen en kansen. Bij diverse bedrijven lopen initiatieven, deels met inzet van biomassa als voedingsstof voor producten, deels als energiebron. Zo wordt bij Thermphos grootschalig beendermeel en RWZI-slib in het proces ingezet.

Tijdens het debat presenteerden Thermphos, Delta en Dow hun plannen. Enkele kansrijke opties die naar voren kwamen uit de discussie:

    integratie van een energiecentrale met Thermphos;
    pilot-plants van internationale concerns (Total, Dow) naar Zeeland zien te krijgen;
    realisatie van een infrastructuur voor industri&amp;euml;le restwarmte;
    samenwerking met industri&amp;euml;le biomassa industrie in West-Brabant.

Het complete verslag is hier te vinden.
Het 'derde biodebat' richtte zich op de Zeeuwse landbouwsector. Dit werd gevoerd met zo&amp;rsquo;n 30 deelnemers in de proefboerderij van &amp;lsquo;de Rusthoeve&amp;rsquo; in Colijnsplaat. Voorafgaand aan het debat waren interviews uitgevoerd met bedrijven in de agrarische sector en verwerkende industrie.
Tijdens het debat presenteerde Gert Huisman van de Hogeschool Zeeland de resultaten van een onderzoek naar verwerking van Zeeuwse restmassastromen. Daarnaast waren er presentaties van Peter Louwman (directeur Delta Milieu), Wim Soetaert (Universiteit Gent) en Gijsbrecht Gunter (Stichting Afzetbevordering Ui).&amp;nbsp; 
Enkele conclusies:

    uit typisch &amp;lsquo;Zeeuwse&amp;rsquo; producten als bieten, uien, vlas kunnen in potentie hoogwaardige bio-producten worden gemaakt, zie de ervaringen met uien;
    reststromen van gemeenten (GFT) en waterschappen kunnen hoogwaardiger worden verwerkt, bijv. via vergisting. Hiervoor is co&amp;ouml;rdinatie vanuit de provincie gewenst.
    vereenvoudiging van procedures voor vergunningverlening is gewenst;
    een duidelijk Zeeuws biomassa-programma is gewenst, waarmee Zeeland zich kan onderscheiden van Rotterdam en Groningen.

Het complete verslag is hier te vinden.
Aanbevelingen
Op basis van de debatten heeft CE Delft aanbevelingen opgesteld voor de provincie Zeeland. Deze zijn er op gericht dat kansen worden gerealiseerd. Dit kan zowel leiden tot versterking van de economie op lange termijn als tot vermindering van milieubelasting.]]></description>
			<pubDate>Tue, 16 Mar 2010 13:41:28 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[CO2-reductie warmteopties glastuinbouw West-Brabant ]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/co2-reductie_warmteopties_glastuinbouw_west-brabant_/992</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/co2-reductie_warmteopties_glastuinbouw_west-brabant_/992</guid>
			<description><![CDATA[In Steenbergen - tussen Dinteloord en Stampersgat &amp;ndash; is een glastuinbouwlocatie gepland van circa 220 hectare netto. Milieudefensie wil graag - naast de ruimtelijke bezwaren die zij tegen deze nieuwe glastuinbouwlocatie heeft - de energiekant van dit project aan de orde stellen, zeker nu we aan de vooravond staan van de internationale klimaatbijeenkomst in 'Kopenhagen'. Milieudefensie wil graag inzicht hebben in de CO2-uitstoot die het kassencomplex zal veroorzaken. Een globale inschatting van de huidige CO2-emissie van Steenbergen geeft een emissie van 245 kton CO2. Indien de nieuwe glastuinbouwlocatie doorgang vindt, dan zal bij de referentie-uitvoering (ketel en elektriciteitsinkoop) de totale emissie van Steenbergen toenemen met 151 kton, een toename van 62%. De bandbreedte van de verschillende, semi-kwantitatief bepaalde opties, is een besparing ten opzichte van referentiesituatie van 8-51%. Echter, een aantal opties kan als onrealistisch worden bestempeld. Zo zal naar verwachting aardwarmte niet mogelijk zijn, evenals de CO2-afvang/opslag. Dat betekent dat de realistische bandbreedte, gegeven de aannames, zal liggen tussen de 8-34%. Met deze bandbreedte zal dus de totale CO2-emissie in Steenbergen toe kunnen nemen met 100 tot 140 kton, ofwel 40 tot 57%.]]></description>
			<pubDate>Tue, 21 Jun 2011 14:49:18 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[LNG cold: Opportunities for large-scale energy savings? ]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/lng_cold%3A_opportunities_for_large-scale_energy_savings_/996</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/lng_cold%3A_opportunities_for_large-scale_energy_savings_/996</guid>
			<description><![CDATA[Energiebesparing is een belangrijke optie om in industri&amp;euml;le processen CO2-emissies te reduceren &amp;eacute;n kostenbesparingen te realiseren. Behalve besparingen binnen bedrijven, zijn soms ook grote besparingen mogelijk door integratie tussen bedrijven. Een bijzonder interessante optie is het benutten van de grote hoeveelheden koude die bij de drie geplande LNG-terminals, waar LNG (vloeibaar gas) zal worden opgeslagen. Op verzoek van SenterNovem heeft CE Delft in kaart gebracht hoe deze koude benut kan worden bij twee industri&amp;euml;le processen: kolenvergassing en CO2-opslag. De uitgevoerde deskstudie en gesprekken met industri&amp;euml;le bedrijven leidden tot vier serieuze opties. In totaal bieden deze, uitgaande van een typerende 12 BCM-terminal, de potentie om ca. 1,6 PJ aan energie te besparen, ofwel het elektriciteitsgebruik van ca. 50.000 huishoudens.
Een belangrijke beperking is dat de LNG-terminals niet constant gas uit zullen zenden. Daarom zullen &amp;lsquo;back-up&amp;rsquo;-voorzieningen nodig zijn voor wanneer geen LNG-koude beschikbaar is. De resultaten zijn besproken in een workshop met bedrijven en overheden uit de Eemshaven. Link naar het verslag van deze workshop.]]></description>
			<pubDate>Wed, 24 Mar 2010 08:55:39 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Duurzame elektriciteitsmarkt? ]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/duurzame_elektriciteitsmarkt_/978</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/duurzame_elektriciteitsmarkt_/978</guid>
			<description><![CDATA[Zonder aanvullend beleid worden de duurzame energiedoelen niet gehaald

Het opgestelde vermogen in Nederland om elektriciteit op te wekken neemt, na een periode dat er nauwelijks nieuwe centrales werden gebouwd, de komende jaren flink toe. Voor een deel zullen de nieuwe gas- en kolencentrales oude exemplaren gaan vervangen, maar het gaat ook om uitbreiding van de totale productie. Het totaal opgestelde vermogen neemt per saldo met 70% toe tot 40 GW in 2020.&amp;nbsp; De elektriciteitsvraag in Nederland groeit naar verwachting van 120 TWh in 2008 naar 145 TWh in 2020 en neemt dus met 20% toe. 

De productiecapaciteit in Nederland moet worden beoordeeld in de context van de Noord-West Europese elektriciteitmarkt. Een deel van de elektriciteitsproductie zou kunnen worden ge&amp;euml;xporteerd naar de ons omringende landen. Er is nu voldoende technische capaciteit voor een export van 20% van de huidige productie. De exportcapaciteit wordt zelfs uitgebreid. Maar doordat ook in de ons omringende landen veel nieuwe centrales worden bijgebouwd en er ook daar hoge duurzame energiedoelstellingen zijn, is de kans op export beperkt door economische redenen. 

Omdat het elektrisch vermogen toeneemt met 70%, terwijl de binnenlandse vraag&amp;nbsp; maar met 20% toeneemt en de mogelijkheid voor export (buitenlandse vraag) beperkt is, zal er sprake zijn van overcapaciteit. Dit is slecht voor het investeringsklimaat voor duurzame energie. De subsidieregeling voor duurzame elektriciteit (SDE) biedt bedrijven weliswaar de mogelijkheid om duurzame elektriciteit concurrerend te produceren, maar is wel vrijblijvend. Aangezien energiebedrijven niet verantwoordelijk zijn voor de duurzame energiedoelstelling, kan niet verwacht worden dat zij bij een overcapaciteit in conventioneel vermogen ook gaan investeren in duurzame elektriciteitprojecten. Het directe belang voor energiebedrijven ontbreekt, omdat de incentives (prijzen, subsidies, verplichtingen) nog onvoldoende sturend zijn naar Schoon en Zuinig. De energiebedrijven kennen een sterker belang toe aan conventioneel vermogen dan aan duurzaam vermogen.]]></description>
			<pubDate>Tue, 29 Dec 2009 14:46:02 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Zonne-energie (CSP) in Noord-Afrika]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/zonne-energie_%28csp%29_in_noord-afrika/977</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/zonne-energie_%28csp%29_in_noord-afrika/977</guid>
			<description><![CDATA[CE Delft heeft onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor de ontwikkeling van zonne-energie (Concentrating Solar Power = CSP) in Noord-Afrika. CE Delft heeft ook gekeken naar de mogelijkheden om vanuit Noord-Afrika duurzame zonne-energie te leveren aan de EU. 

De uitkomst is, dat CSP in technische zin een bewezen techniek is en dat 
Noord-Afrika een zeer geschikt gebied is om CSP te ontwikkelen. Er zijn voldoende mogelijkheden om vanuit Noord-Afrika duurzame energie te leveren aan de EU.
De Nederlandse overheid richt zich echter voorlopig op de ontwikkeling van duurzame energie binnen de Nederlandse landsgrenzen (zoals windenergie op land en water, zonnecellen). 
Nederlandse bedrijven richten zich bij de ontwikkeling van CSP echter voorlopig liever op Zuid-Europa dan op Noord-Afrika. 

Inmiddels hebben twaalf grote Europese bedrijven de intentie uitgesproken om ongeveer 400 miljard &amp;euro; te investeren in het aanleggen van de infrastructuur en de capaciteit om zonne-energie in Noord-Afrika op te wekken. CE Delft ziet kansen voor Nederland - overheid, kennisinstellingen en bedrijfsleven - om in te spelen op deze ontwikkeling en bij te dragen aan een duurzame ontwikkeling van Noord-Afrikaanse staten, gebruik makend van de mogelijkheden die CSP in dit gebied met zich meebrengt.]]></description>
			<pubDate>Fri, 13 Nov 2009 11:31:00 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Rentabiliteit van WKK]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/rentabiliteit_van_wkk/968</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/rentabiliteit_van_wkk/968</guid>
			<description><![CDATA[Het ministerie van Economische Zaken heeft in de brief van 23 februari 2009 (28665, nr. 100) vastgesteld dat (bijna) alle vormen van nieuw te realiseren warmtekrachtkoppeling (WKK) in Nederland kunnen concurreren met andere manieren van energieopwekking en om die reden geen financi&amp;euml;le ondersteuning vanuit de overheid nodig hebben. Het ministerie gebruikt cijfers van ECN (Onrendabele Top Berekeningen voor nieuw WKK-vermogen 2009) om deze conclusie te onderbouwen. Vanuit verschillende sectoren waar warmtekrachtkoppeling wordt toegepast is geprotesteerd tegen de conclusie van het ministerie en het besluit om geen exploitatiesubsidie te verlenen aan nieuw te bouwen WKK-installaties.

De Tweede Kamer heeft op basis van de motie Vendrik/Zijlstra (31239/44), aan CE Delft de opdracht gegeven om een second opinion te geven voor het model en de cijfers die ECN heeft gehanteerd en de manier waarop het ministerie tot de conclusie is gekomen dat (vrijwel) alle categorie&amp;euml;n WKK rendabel ge&amp;euml;xploiteerd kunnen worden.]]></description>
			<pubDate>Tue, 06 Oct 2009 15:04:33 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Kansen voor duurzame biomassa in Zeeland]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/kansen_voor_duurzame_biomassa_in_zeeland/1009</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/kansen_voor_duurzame_biomassa_in_zeeland/1009</guid>
			<description><![CDATA[In een &amp;lsquo;biodebat&amp;rsquo; op 22 januari 2009 in Goes hebben industrie, landbouw, de Zeeuwse MilieuFederatie, onderzoeksinstellingen en overheden de gedachten gewisseld over kansen voor biomassa in Zeeland. De open discussie maakte duidelijk dat op veel punten de meningen gelijk oplopen en er een gemeenschappelijke ambitie is concrete projecten gerealiseerd te krijgen

Op korte termijn liggen er in Zeeland vooral kansen om reststromen van biomassa, CO2 en warmte uit industrie en landbouw (hoogwaardiger) te gaan hergebruiken. Concrete kansen lijken er voor inzet van uienschillen, vergisting van residuen uit groenbeheer en inzet van fosforrijke reststromen bij Thermphos.
Op langere termijn zijn er kansen om via innovatieve processen biomassa in te zetten in de Zeeuwse petrochemie. Bijvoorbeeld door toepassing van de door Biofuels ontwikkelde HTU-technologie.&amp;nbsp; Duidelijk is wel dat dekken van de gehele Zeeuwse behoefte aan energie veel biomassa en ruimte zou vergen: 15* het oppervlak van de provincie. Dat vraagt import van biomassa. 
De gesignaleerde korte termijn- en lange termijnkansen worden concreter uitgewerkt in een tweetal volgende debatten voor landbouw en industrie. Doel daarvan is dat duidelijk is wat van verschillende kanten in Zeeland nodig is om de aanwezige kansen daadwerkelijk tot realisatie te brengen.

Een verslag van de bijeenkomst met aanbevelingen voor verdere uitwerking van gesignaliseerde kansen is verzorgd door CE Delft.]]></description>
			<pubDate>Fri, 05 Feb 2010 10:59:41 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[IPO Routekaart Warmte]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/ipo_routekaart_warmte/925</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/ipo_routekaart_warmte/925</guid>
			<description><![CDATA[Er kan veel energie bespaard worden door het beter benutten van industri&amp;euml;le restwarmte, warmte/koudeopslag en geothermie. In het Klimaatakkoord hebben IPO (Interprovinciaal Overleg) en Rijk afspraken gemaakt om voor 2020 50 PJ van het potentieel te gaan realiseren. Het blijkt in de praktijk echter vaak complex om projecten van de grond te krijgen.

Het IPO heeft daarom CE Delft gevraagd om in beeld te brengen welke rollen provincies hierin het beste kunnen vervullen. het project hebben we als eerste alle bestaande &amp;eacute;n kansrijke locaties voor warmtelevering in kaart gebracht. Daarna hebben we door gesprekken met provincies en stakeholders knelpunten en mogelijke oplossingrichtingen ge&amp;iuml;nventariseerd.

Het blijkt dat de rol van de provincies liggen vooral in de &amp;lsquo;initiatieffase&amp;rsquo;: onder andere door systematisch kansrijke locaties in kaart te brengen, en projecten een eerste zet te geven door de relevante partijen bij elkaar te brengen. Vanuit het Rijk heeft warmtebenutting veel meer aandacht gekregen, onder andere via de oprichting van het Expertisecentrum Warmte. Aanvullend hierop het gewenst dat het Rijk regelgeving aanpast, vooral voor grondwater (waterwet), diepe ondergrond (mijnwet) en restwarmte, zodat provincies en anderen echt kunnen sturen op effectieve benutting van het warmte- en koudepotentieel.

Het IPO gebruikt de resultaten van het project bij het maken van afspraken over de uitvoering bij het Klimaatakkoord Rijk-IPO.]]></description>
			<pubDate>Wed, 16 Feb 2011 15:03:06 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Visie op instrumentarium Gebouwde Omgeving]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/visie_op_instrumentarium_gebouwde_omgeving/1022</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/visie_op_instrumentarium_gebouwde_omgeving/1022</guid>
			<description><![CDATA[Gezamenlijk voorstel van energiebedrijven, milieuorganisaties en vakbonden 
EnergieNed, Natuur &amp;amp; Milieu en AbvaKabo FNV constateren dat er verdere stappen nodig zijn om de klimaatdoelstelling voor de gebouwde omgeving en de economie als geheel in 2020 te halen. De essentie is als volgt: Om een succesvolle en ambitieuze energiebesparing in de gebouwde omgeving te bereiken wordt een beleidspakket voorgesteld dat bestaat uit de volgende hoofdcomponenten:

    Cre&amp;euml;ren van kwalitatief en kwantitatief goed aanbod 
    Het aanpakken van grote aantallen woningen kan alleen als er een goed aanbod is aan energiebesparende maatregelen en dienstverleners die zulke maatregelen in woningen kunnen installeren. Die kant van de markt moet ontwikkeld worden. Het programma &amp;lsquo;Meer met Minder&amp;rsquo; kan daarvoor de basis leggen.
    Cre&amp;euml;ren van voldoende vraag naar energiebesparing/schone energie 
    Een verleidingsaanpak, met subsidies en premies, kan koplopers onder burgers en bedrijven in beweging brengen en zo de vraag naar besparing en schone energie op gang helpen. Daarmee wordt het voor aanbieders ook interessant om dienstverlening in de markt te zetten.
    Zorgen dat iedereen gaat meedoen 
    Niet iedereen zal zich echter door subsidies en premies laten verleiden tot investeringen in besparing. Zorgen dat iedereen meedoet is dan ook nodig om een forse besparing te bereiken. Dat kan door ook voor bestaande woningen een norm voor de energieprestatie in te voeren. Het succes van die aanpak heeft zich inmiddels bewezen voor alle nieuwbouw in Nederland. Ook is het nodig dat het kabinet zorgt dat een unieke kans op energiebesparing benut wordt door ambitieuze energienormen voor elektrische apparaten in Brussel af te spreken. In de komende maanden worden besluiten genomen over nieuwe Europese energienormen voor een reeks van elektrische apparaten (Ecodesign-richtlijn).
    Gebruik en gedrag sterker be&amp;iuml;nvloeden
    Meer isolatie en betere installaties leggen de basis voor zuiniger omgaan met energie. Het uiteindelijke resultaat zal echter afhangen van gebruik en gedrag door de bewoner. Door een prijs- of budgetinstrument voor de gebouwde omgeving in te richten kan daar sterker in gestuurd worden.
]]></description>
			<pubDate>Tue, 20 Jul 2010 11:08:56 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Milieudienst Rijnmond: Ontwikkelen aanpak voor energiebesparing in controles Wet milieubeheer.]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/milieudienst_rijnmond%3A_ontwikkelen_aanpak_voor_energiebesparing_in_controles_wet_milieubeheer./986</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/milieudienst_rijnmond%3A_ontwikkelen_aanpak_voor_energiebesparing_in_controles_wet_milieubeheer./986</guid>
			<description><![CDATA[De DCMR Milieudienst Rijnmond is verantwoordelijk voor de uitvoering van milieuwetgeving bij een groot aantal bedrijven en instellingen in het Rijnmondgebied. Sinds enkele jaren krijgt ook het aspect energie prioriteit. Het kader daarvoor zijn de Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit: deze verplichten bedrijven boven een bepaald energiegebruik om maatregelen met een terugverdientijd kleiner dan vijf jaar te nemen. 

CE Delft heeft de DCMR gedurende 2008 in een detachering ondersteund om dit daadwerkelijk vorm te geven. Onder andere hebben we meegedacht over de te hanteren werkwijze en hulpmiddelen ontwikkeld voor programmering, uitvoering en monitoring. 
Kernpunt van de aanpak is dat circa 3.000 midden- en grootverbruikers worden doorgelicht aan de hand van checklists. Dit gebeurt branchegewijs, waarbij achtereenvolgens sectoren als voortgezet onderwijs, zorg, kantoren en gemeentelijke instellingen aan bod komen. Blijkt uit de doorlichting dat een instelling of bedrijf veel besparende maatregelen kan treffen, daarna moet het een planning opstellen waarin het aan geeft wanneer deze zullen worden genomen. 

Inmiddels is de aanpak met succes in uitvoering. Per 1 oktober 2009 zijn circa 800 bedrijven en instellingen doorgelicht en zijn 130 plannen ingediend. Meer dan 80% van de bedrijven en instellingen gaat besparende maatregelen nemen. Een eerste indicatie is dat met de aanpak in Rijnmond een besparing van zo&amp;rsquo;n 100 kton CO2 (ofwel 30.000 huishoudens) kan worden gerealiseerd.]]></description>
			<pubDate>Tue, 03 Nov 2009 12:47:37 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Study Visit Oxy Fuel Power Plant Vattenfall]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/study_visit_oxy_fuel_power_plant_vattenfall/923</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/study_visit_oxy_fuel_power_plant_vattenfall/923</guid>
			<description><![CDATA[CE Delft recently organised a study trip to a German pilot plant for CO2 storage being rolled out by the international energy company Vattenfall. This 30 MW demo power plant based on oxy fuel technology is one of the first power plants equipped with capture of CO2. The twenty participants from industry, government and research institutions were keen to learn more about the technology.

This study visit made clear that the oxy fuel technology has as main advantages:
&amp;middot;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; Low rest-emissions of CO2; almost 100% capture possible.
&amp;middot;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; Emissions of NOx, SO2 and particulate matter can be almost neglible. 
&amp;middot;&amp;nbsp;&amp;nbsp;&amp;nbsp; Technology fits well with existing technology on modern &amp;lsquo;conventional&amp;rsquo;, making it possible to scale up soon.

Vattenfall foresees scaling up the technology to 250 MW in 2015 and 1,000 MW in 2020. By 2030 the target is a net cost of &amp;euro; 20/ton CO2 avoided. In return, the delegation informed Vattenfall about the LNG Oxy Fuel concept and ongoing developments in the ports of Rotterdam and Eemshaven. CE Delft has prepared a report on the trip. 

The study trip was organised by CE Delft at the request of Deltalinqs, the association of industries operating at Rotterdam port. ]]></description>
			<pubDate>Wed, 01 Apr 2009 12:05:28 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[External costs of coal]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/external_costs_of_coal/878</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/external_costs_of_coal/878</guid>
			<description><![CDATA[The report estimates the global annual value of external costs related to coal combustion and mining. Three types of factors have been examined: costs for the society attributable to climate change, human health impacts that result from air pollution and fatalities due to major accidents resulting from mining. Selection of countries included in calculations is based on global ranking of CO2 emissions. Over 90% of global emissions have been taken into account in calculations. The rates of damages per tonne of pollutants which have been used in calculations are based on the results of the NEEDS project (from the ExternE series). Combining all damages, we arrive at a total annual damage figure of approximately 357 billion Euro in the year 2007. This estimate is conservative, as not all emissions have been covered and not all possible damages have been valued. The highest damages can be attributed to coal combustion - about 99% of the total value. The largest contribution is due to SO2 emissions, with 38%. The contribution of CO2 is similar - about 37%, NOx contributes 14% and fine particles 11%. The report has been prepared for Greenpeace International. Greenpeace has used its findings in launching a global campaign against excessive use of coal for power production, in order to raise global awareness about damages related to coal in different stages of its production and use.]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 11:12:56 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Transitiestrategie Elektriciteit en Warmte]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/transitiestrategie_elektriciteit_en_warmte/859</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/transitiestrategie_elektriciteit_en_warmte/859</guid>
			<description><![CDATA[Het Regieorgaan Energietransitie heeft een strategie uitgedacht voor de verduurzaming van elektriciteit en warmte/koude. De strategie behelst: a Maximaal besparen. b Voorrang voor hernieuwbaar vermogen en energiezuinige warmtekracht. c Daardoor neemt de ruimte voor nieuwe basislast (&amp;lsquo;must-run&amp;rsquo;-vermogen) af. d En neemt de behoefte aan snel regelbaar flexibel gasvermogen toe. e &amp;lsquo;Gas&amp;rsquo; kan aanvankelijk aardgas zijn, in toenemende mate kan kolengas en biogas worden gebruikt. CE Delft en Jan Paul van Soest Advies voor Duurzaamheid (JPvS) hebben in het rapport deze strategie nader onderbouwd en getoetst op robuustheid. Daarbij is tevens gebruik gemaakt van een reeks simulatieberekeningen van de TU Delft. Uit die berekeningen blijkt dat must-run basislastvermogen en hernieuwbaar vermogen elkaar in de weg zitten in het Noordwest Europese elektriciteitssysteem. Bij volledig uitrollen van het kabinetsplan Schoon en Zuinig is de ruimte voor (nieuw) basislastvermogen zeer gering. Het wisselende aanbod van hernieuwbare energie, in het bijzonder windenergie, is goed in het elektriciteitssysteem in te passen via snel regelbaar gasgestookt vermogen. Op relatief korte termijn (tot ca 2020-2025) is dit de enige re&amp;euml;le route voor inpassing van wind.]]></description>
			<pubDate>Wed, 16 Feb 2011 15:03:29 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Visie op realisering groot aandeel duurzame elektriciteit]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/visie_op_realisering_groot_aandeel_duurzame_elektriciteit/856</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/visie_op_realisering_groot_aandeel_duurzame_elektriciteit/856</guid>
			<description><![CDATA[De rapportage bevat het gezamenlijk voorstel van milieuorganisaties, vakbonden en energiebedrijven voor het toekomstig stimuleringsbeleid voor hernieuwbare elektriciteit. Inzet van alle partijen is om een groot aandeel hernieuwbare elektriciteit te bereiken in 2020. Het voorstel is afkomstig van Stichting Natuur en Milieu, EnergieNed, Nuon, Esent, Eneco, Greenchoice, Greenpeace, de DE-koepel en ABVAKABO FNV, en gefaciliteerd door CE Delft. Dit voorstel vormt de brug tussen Green4sure - het energieplan van de milieuorganisaties en vakbonden - en de Energieagenda 2030 van de energiesector. De partijen pleiten voor een stabiel marktinstrumentarium waarbij het kostprijsverschil tussen hernieuwbare en conventionele stroom structureel overbrugd wordt. Hernieuwba-re technieken zijn nog altijd duurder dan conventionele technieken in 2020. De huidige SDE-regeling vormt een goed instrument om dit kostprijsverschil (de zogenoemde onren-dabele top) de komende jaren te overbruggen. De SDE dient echter op twee belangrijke punten verbeterd te worden. Allereerst is het noodzakelijk dat er een langdurig politiek commitment wordt vastgelegd voor de investeringen die samenhangen met het bereiken van de doelen. Als tweede verbeterpunt pleiten de partijen er tevens voor om de financiering van de SDE via de elektriciteitsprijs te laten verlopen in plaats van via de begroting. Voor stimulering van duurzame energieproductie vanaf 2015 pleit de werkgroep voor invoering van een EU-verplichting in een koplopergroep mogelijk met Verenigd Koninkrijk, Polen, Zweden en Belgi&amp;euml;. Dit betreft een jaarlijks oplopend verplicht aandeel hernieuwbaar van de consumptie van elektriciteit. Aan introductie van een verplichtingensysteem verbinden de deelnemende partijen harde voorwaarden, o.a. een goed werkend systeem van groencertificaten tussen de deelnemende landen.]]></description>
			<pubDate>Fri, 10 Apr 2009 12:03:36 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Maatschappelijke effecten vermindering luchtverontreiniging]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/maatschappelijke_effecten_vermindering_luchtverontreiniging/843</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/maatschappelijke_effecten_vermindering_luchtverontreiniging/843</guid>
			<description><![CDATA[De NEC-richtlijn, de Europese richtlijn waarin voor alle lidstaten een emissieplafond voor verschillende luchtverontreinigende stoffen worden gesteld, staat op het punt om aangepast te worden. In dit rapport beschrijven we de resultaten van een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) van mogelijke nieuwe NEC-doelen voor 2020. In deze studie wordt rekening gehouden met de gevolgen van het intensiveren van het Nederlandse klimaatbeleid voor de emissies van NEC-stoffen. Reeds vastgestelde beleidsmaatregelen worden in het nulalternatief meegenomen. Dit onderzoek is bedoeld als nadere input bij het bepalen van de Nederlandse positie in de onderhandelingen binnen de EU over de hoogte van de plafonds.   De contante waarde van alle geprijsde effecten bedraagt circa 1,7 miljard Euro negatief. De contante waarde van de externe effecten is 5,2 miljard Euro in het projectalternatief, waarbij de natuurbaten op PM zijn gezet. De voornaamste bijdrage aan de baten wordt gevormd door afnemende mortaliteit door blootstelling aan fijn stof. Het gaat om zowel primair fijn stof als om secundair fijn stof, hetgeen impliceert dat deze baten ook afhankelijk zijn van de emissiereducties van NH3, NOx en SO2. Ook chronische bronchitis en ziektedagen (dagen met beperkte activiteit) als gevolg van fijn stof speelt een rol van betekenis bij de MKBA. De overige effecten dragen in slechts zeer beperkte mate bij aan de resultaten van de MKBA.  Een vergelijking van de verdisconteerde kosten met de baten laat zien dat aanscherping van de NEC-doelen een effici&amp;euml;nt beleid is: de baten zijn met  3,5 miljard Euro beduidend groter dan de kosten. Deze conclusie blijft overeind als we de waardering van gezondheidseffecten door verbetering van de luchtkwaliteit lager inschatten (dan gebruikelijk is). De baten pakken nog positiever uit als ook de impacts op natuur en ecosystemen worden meegenomen. In een tentatieve analyse laten we zien dat in deze studie de natuurbaten kunnen oplopen tot ongeveer 20% van de gezondheidsbaten.   De kosten van aanscherping van de NEC-doelen zijn verdeeld over de verschillende sectoren, maar lijken maatschappelijk gedragen te kunnen worden. Voor het grootste deel kunnen de kosten uiteindelijk worden doorberekend aan de burger. De baten van de NEC-doelen slaan neer bij alle burgers die profiteren van een schonere lucht. De baten in Nederland komen voor een belangrijk deel door maatregelen in de Nederlandse landbouwsector die NH3 en tegelijkertijd primair fijn stof reduceren, alsmede de maatregelen die in het buitenland worden getroffen ter vermindering van fijn stof.]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 11:05:33 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Impacts on Competitiveness from EU ETS]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/impacts_on_competitiveness_from_eu_ets/836</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/impacts_on_competitiveness_from_eu_ets/836</guid>
			<description><![CDATA[Het Europese emissiehandelssysteem (ETS) is in 2005 gelanceerd om de CO2-emissies van grote industri&amp;euml;le installaties te maximeren. De Commissie stelt momenteel het EU ETS post-2012 systeem vast, zoals in COM(2008)16 (EC, 2008) in grote lijnen is geschetst. Nieuw in dit systeem is dat een groter deel van de rechten zal worden geveild. Het veilen van emissierechten waarborgt in zijn algemeenheid een grotere mate van efficiency dan (bepaalde vormen van) vrije allocatie, vermindert de administratieve kosten en voorkomt eventuele oneigenlijke winstvorming (windfall profits).   Het veilen van rechten kan echter ook leiden tot een potentieel verlies aan concurrentievermogen voor de industrie. Zeker als er geen mondiaal klimaatakkoord tot stand komt zijn bedrijven niet altijd in staat om hogere kosten aan hun klanten door te berekenen en kan er sprake zijn van een verlies aan rendement en de dreiging van importsubstitutie. Een verplaatsing van de productie naar landen die geen CO2-doelen kennen resulteert in een wereldwijde toename van de CO2-emissies. Dit fenomeen wordt wel een koolstoflek (carbon leakage) genoemd. Om een koolstoflek te voorkomen, heeft de Commissie voorgesteld kwetsbare sectoren vrij te stellen van de veilingplicht en hun op basis van een benchmark vrijelijk rechten toe te wijzen. Het belangrijkste criterium hierbij is een aanzienlijk verlies aan concurrentievermogen, op grond waarvan wordt besloten of bepaalde sectoren veilingplichtig zijn of in aanmerking komen voor vrije allocatie.  In deze studie is onderzocht welke sectoren binnen de Nederlandse economie bij een veilingsysteem mogelijk te maken krijgen met een verlies aan concurrentievermogen. Het concurrentievermogen wordt be&amp;iuml;nvloed door de combinatie van aanzienlijke potenti&amp;euml;le kostprijsstijgingen en wezenlijke import- en exportstromen van en naar landen zonder vergelijkbaar klimaatregime. Het lijkt erop dat vooral in de sectoren aluminium, kunstmest, ijzer en staal, anorganische en andere basischemicali&amp;euml;n, relatief hoge prijsstijgingen te verwachten zijn, die mogelijk niet volledig aan de klanten kunnen worden doorberekend. Het rendement in deze sectoren kan afnemen en de kans op koolstoflekken neemt toe.   Wat betreft de impact op de nationale economie (d.w.z. het BNP) zijn de gevolgen echter waarschijnlijk gering. De directe kosten van het voldoen aan EU ETS bedragen 0,2% van het BBP bij een CO2-prijs van &amp;euro; 20/ton. De industrie zal deze kosten gemiddeld voor ongeveer de helft kunnen doorberekenen aan de afnemers. Verslechtering van de marktpositie kan optreden in sectoren met hoge kosten en weinig mogelijkheden tot doorberekening, maar deze sectoren zijn - met uitzondering van de ijzer- en staalindustrie - relatief klein (in totaal circa 1,15% van het BNP). Daarnaast zullen, indien het internationale klimaatbeleid tot het jaar 2020 ertoe leidt dat meer landen instemmen met bindende reductietargets, de gevolgen voor het concurrentievermogen kleiner zijn dan die welke hier zijn geanalyseerd.]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 11:04:33 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[De 'oxy-fuel' route]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/de_oxy-fuel_route/745</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/de_oxy-fuel_route/745</guid>
			<description><![CDATA[In the ports of Rotterdam and the Eemshaven both power-plants and terminals for liquefied natural gas, LNG, are planned. In LNG-terminals a vast amount of cold is available. The enclosed report describes a route for using this cold of the LNG-terminals, integration of power plants and LNG terminals. Central is the use of cold for the production of oxygen, which in turn is used for firing oxy-fuel fired power stations. Besides, the cold can be used for CO2-compression and in the condenser-cycle of steam-turbines. The study was carried out by CE Delft on behalf of SenterNovem (program &amp;ldquo;energy-savings and chain-efficiency in industry&amp;rdquo;). The study indicates that for one LNG-terminal and one coal-fired power plant this route results in major improvements:

    Substantial energy savings (efficiency of app. 43%, a saving of about 9 PJ 
    [this is equivalent to the total use of energy of the city of Delft).
    Negligible emissions of nitrogen-oxydes (NOx, compared to 1,4 Mton with post-combustion capture).
    Savings in costs, due to superior energy efficiency.

Main points of attention are back-up provisions (not elaborated in the study) and the development of oxy-fuel coal technology (now at pilot stage).  It is recommended to site LNG terminals and coal-fired generating capacity close together and anticipate in the design stage of new LNG terminals and power plants on integration.]]></description>
			<pubDate>Fri, 04 Dec 2009 14:41:11 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energiebesparing bedrijven Delft: Prioritering van bedrijven en een effectieve werkwijze]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energiebesparing_bedrijven_delft%3A_prioritering_van_bedrijven_en_een_effectieve_werkwijze/725</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energiebesparing_bedrijven_delft%3A_prioritering_van_bedrijven_en_een_effectieve_werkwijze/725</guid>
			<description><![CDATA[Voor de 1.500 kleine en middelgrote bedrijven in Delft is de gemeente verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet milieubeheer. Een onderdeel daarvan is energiebesparing. De gemeente heeft CE Delft gevraagd om na te gaan hoe dat zo effectief mogelijk kan:

- bij welke bedrijven moet prioriteit liggen?
- welke aanpak kan bij die bedrijven het beste worden gevolgd?

Het project is gestart met een overzicht van bedrijven, energiegebruik en CO2-emissies. De totale CO2-emissie van de Delftse bedrijven ligt op ca. 150 kton. Naast enkele grote bedrijven en instellingen als de TU en TNO, blijkt het vooral te gaan om sectoren als supermarkten, kantoren en verzorgingstehuizen. Bij deze sectoren is er doorgaans een aanzienlijk potentieel voor energiebesparing, energiebesparing, in de orde van 15- 30%. Vervolgens is een workshop gehouden met de medewerkers van het vakteam milieu van de gemeente Delft. Hierin werd besloten om in de toekomst een duidelijk onderscheid te maken tussen sectoren met een groot en met een klein energiegebruik. Grootverbruikers krijgen een aangekondigd bezoek, specifiek gericht op energiebesparing. Daarbij wordt met een checklist gekeken of rendabele maatregelen zijn getroffen. Bij kleinverbruikers ligt de focus op voorlichting, onder andere met de folders van het energiecentrum MKB en Infomil. Prioriteiten voor 2008 zijn de MJA-II bedrijven (aanpak &amp;lsquo;free-riders&amp;rsquo;), nieuwbouw (afstemming met bouwtoezicht) en de supermarkten (verplichting tot afdekking koelvakken).]]></description>
			<pubDate>Fri, 18 Dec 2009 10:34:08 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Environmental policy for power stations]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/environmental_policy_for_power_stations/675</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/environmental_policy_for_power_stations/675</guid>
			<description><![CDATA[Op dit moment zijn er ambitieuze klimaatdoelstelling maar worden er ook nieuwe kolencentrales in Nederland gebouwd. Deze studie geeft twee verklaringen voor deze situatie. Allereerst is het klimaatbeleid op de lange termijn zo vaag dat bedrijven er bij het nemen van investeringsbeslissingen geen rekening mee kunnen houden. Hierbij gaat het onder andere over de invulling van het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) na 2012. Verder lijkt de  Nederlandse allocatie van emissierechten onder het EU ETS kolencentrales te bevoordelen, door onderscheid te maken naar brandstoftype, en maakt het strategisch on-dernemersgedrag mogelijk.   Deze bevindingen hebben twee beleidsconsequenties. Allereerst zal de manier waarop emissierechten verdeeld worden verbetert moeten worden. Benchmarking is een optie, maar deze moet zo onafhankelijk mogelijk zijn van historisch gebruik en brandstoftype. Veiling van rechten is ook een goede optie. Het is echter onzeker welke veranderingen in het EU ETS systeem zullen plaatsvinden. Dit hangt samen met het politieke klimaat in Brussel en in andere EU landen. Daarom is het van belang om op de korte termijn ook overheidsregulering in te zetten. De overheid moet bedrijven in de goede richting leiden door de adoptie van no regret maatregelen te stimuleren.]]></description>
			<pubDate>Fri, 18 Dec 2009 10:56:31 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Marktverkenning decentraal WKK-vermogen]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/marktverkenning_decentraal_wkk-vermogen/781</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/marktverkenning_decentraal_wkk-vermogen/781</guid>
			<description><![CDATA[TenneT heeft haar Kwaliteits- en Capaciteitsplan voor de periode 2008-2014 opgesteld. Hiervoor wilde TenneT een goed beeld hebben van de ontwikkeling van het decentrale WKK-vermogen en het gebruik hiervan. CE Delft heeft hiervoor een verkenning uitgevoerd op basis van eigen expertise en ervaring en interviews met enkele relevante actoren. De uitkomsten zijn vertaald naar vier scenariobeelden die TenneT standaard hanteert in haar plannen. Binnen deze scenario's varieert de toename van het WKK-vermogen over de periode 2008-2014 van 1.500 MWe tot 3.300 MWe. Dit betekent dat het totale WKK-vermogen blijft onder de door de overheid gewenste groei. Met gericht aanvullend stimuleringsbeleid is het beoogde niveau wel realiseerbaar, tot een maximum van 7.000 MWe aan nieuw WKK-vermogen, maar dan wordt voorbijgegaan aan de kosteneffectiviteit hiervan.]]></description>
			<pubDate>Fri, 08 Oct 2010 11:41:09 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Emissiebeleid Lucht voor de industrie]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/emissiebeleid_lucht_voor_de_industrie/611</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/emissiebeleid_lucht_voor_de_industrie/611</guid>
			<description><![CDATA[Voor het realiseren van duurzame niveaus van luchtkwaliteit voor gezondheid en natuur zijn nationaal en internationaal diverse beleidsinstrumenten ingezet. Deze instrumenten hebben tot doel de luchtverontreinigende emissies te beperken en niveaus van goede luchtkwaliteit te handhaven.

Doordat deze instrumenten in de loop der jaren en deels vanuit verschillende optiek zijn opgezet, werken ze vaak ten dele naast elkaar of komen boven op elkaar en mist het bouwwerk van instrumenten de benodigde consistentie. Dit gegeven leidt tot fricties die door het bedrijfsleven, maar ook door overheden worden beleefd.
Deze zijn het gevolg zijn van de toepassing van de richtlijnen of van een interpretatie van deze richtlijnen. In ieder geval leidt het toegepaste beleid tot discussie en tot het gevoel dat er weerstanden optreden die onterecht zijn. Aan de andere kant moet ook geconstateerd worden dat het beleid (met fricties) er wel voor zorgt dat de emissies naar de lucht gestaag dalen.
In het project fricties in het industri&euml;le luchtbeleid is nagegaan waar deze fricties uit bestaan, hoe ze worden beleefd en wat er eventueel aan kan worden gedaan.

Op welke manier kan het emissiebeleid lucht voor de industrie beter worden vormgegeven? Hiervoor is niet een eenduidig antwoord te geven. In het onderzoek is gebleken dat hierover ook geen consensus bestaat. 
Duidelijk is dat de luchtkwaliteit als uitgangspunt moet worden genomen. Immers het Europese streven is naar het verbeteren van de luchtkwaliteit opdat er geen significante negatieve effecten voor de gezondheid van de mens en voor het milieu optreden. Aangezien de luchtkwaliteit door vele bronnen in binnen en buitenland wordt veroorzaakt, moet er voor worden gezorgd dat er emissie-eisen op grote schaal worden gesteld. Deze eisen worden vastgelegd in bronbeleid (emissie-eisen voor voertuigen, IPPC) en in de NEC-plafonds (emissie-eisen per lidstaat). De NEC-plafonds zijn gerelateerd aan de doorwerking van deze eisen naar de luchtkwaliteit. Dit vraagt tevens om een goede sturing binnen de lidstaten om de plafonds te realiseren. Hiervoor moet een adequaat instrumentarium worden ontwikkeld. 
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[The Natural Gas Chain*]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/the_natural_gas_chain%2A/552</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/the_natural_gas_chain%2A/552</guid>
			<description><![CDATA[Costs and environmental impact are important drivers for investigating the natural gas life cycle. Environmental impact will more and more become an important subject in industry policy and strategy. While natural gas is now performing well in terms of environmental profile with respect to other fossil energy sources, continued efforts will be essential to keep this position in a changing market and with other fossil fuels working on their environmental impacts. The International Gas Union (IGU) therefore started a life-cycle initiative for the natural gas chain. The aim is to collect and structure industry data on consumptions and emissions along the life cycle of natural gas. The CE report describes the initiation of the life-cycle inventory and intitial findings. One of the main issues in the natural gas chain is the loss of product through fugitive emissions and venting or flaring. Natural gas &amp;ndash; methane &amp;ndash; has a high global warming impact and therefore product loss and climate impact are closely related. This means that reducing losses leads to improved economic as well as environmental performance. In order to identify the &amp;ndash; most attractive &amp;ndash; options for improvement, further expansion of the life-cycle database is desirable. Nevertheless, the data collected in this project do cover a fair fraction of the global volume and give useful first insight into issues as well as options along the gas chain.]]></description>
			<pubDate>Fri, 08 Oct 2010 12:48:55 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energiek in Rijnmond 2007*]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energiek_in_rijnmond_2007%2A/556</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energiek_in_rijnmond_2007%2A/556</guid>
			<description><![CDATA[Een samenwerkingsverband van overheden in Rijnmond, onder de naam Milieumonitoring Stadsregio Rotterdam, zorgt jaarlijks voor totaal-overzicht in de milieusituatie in Rijnmond, via het zgn. MSR-rapport.  In 2007 staat, vanwege de hoge actualiteit van energie in Rotterdam, het thema energie centraal, en heeft CE het themarapport Energie in Rijnmond opgesteld. Het rapport geeft een gedetailleerd overzicht van de energiestromen in Rijnmond. Per doelgroep brengt het vervolgens in beeld wat emissies zijn, ontwikkelingen, mogelijke maatregelen en taken/rollen van stakeholders. Een accent ligt daarbij op het industrie/energie-complex, vanwege de grote energie en CO2-stromen en de geplande omvangrijke investeringen. Het rapport eindigt met aanbevelingen voor het regionale beleid, en de monitoring daarvan. Het rapport fungeert als onderlegger voor het Rotterdam Climate Initiative, het ambitieuze plan van overheden in de regio Rotterdam om te komen tot 50% emissiereductie per 2025. Een Rotterdamse delegatie heeft in mei 2007 de Engelstalige versie in New York overhandigd aan Bill Clinton, de leider van het wereldwijde Clinton-Initiative.]]></description>
			<pubDate>Tue, 15 Feb 2011 12:11:03 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Green4sure; Het Groene Energieplan*]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/green4sure%3B_het_groene_energieplan%2A/549</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/green4sure%3B_het_groene_energieplan%2A/549</guid>
			<description><![CDATA[Op 5 juni ontving minister Cramer het eindrapport van Green4sure. Zes grote maatschappelijke organisaties (AbvaKabo, FNV, Greenpeace, Milieudefensie, Natuur&amp;Milieu, WereldNatuurfonds)hebben door CE Delft een plan laten opstellen om de CO2-emissies in 2030 te halveren. Het plan is uitgewerkt in samenwerking met diverse andere partijen en begeleid door een commissie van hoogleraren en vertegenwoordigers van de ministeries EZ en  VROM en van het Milieu en Natuur Planbureau. Belangrijkste punten in het plan zijn dat alle energiegebruikers &oacute;f individueel (industrie, elektriciteitsproductie, luchtvaart) &oacute;f collectief (gebouwde omgeveing, transport) onder een emissierechtensysteem met klimaatbudget komen te vallen. De inspanningen, en daarmee de kosten zijn gedifferentieerd om de acceptatie zo groot mogelijk te laten zijn (ETS -40%, gebouwde omgeving -60%, transport – 35%). De rechten voor de drie systemen worden geveild en niet weggegeven. Daarnaast komen er normen voor voertuigen, gebouwen (nieuw en bestaand) en apparaten. 
Omdat snelheid geboden is en het implementeren van de klimaatbudgetsystemen enkele jaren zal vergen, zijn er diverse tijdelijke instrumenten. Bijvoorbeeld een interim-wet voor elektriciteitsproductie. Vanaf heden moet elke nieuwe centrale elektriciteit met maximaal 375 g/kWh produceren. Hoe? dat is aan de producent.
De effecten van het plan zijn doorgerekend en leiden tot de gewenste halvering van de broeikasgassen, een jaarlijkse efficiencyverbetering van 2,1%. De kosten bedragen in 2030 jaarlijks ruim 4 miljard euro, maar er zijn ook forse maatschappelijke baten. De werkgelegenheid stijgt licht. De extra kosten voor een gemiddeld huishouden groeien in 25 jaar naar extra 600 euro, terwijl in diezelfde periode het nationale inkomen stijgt met 50%. Met name zuinige energiegebruikers worden beter van het plan, kwistige energiegebruikers worden geconfronteerd met hogere kosten.]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Overwinsten bij de subsidieregeling Milieukwaliteit ElektriciteitsProductie (MEP)]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/overwinsten_bij_de_subsidieregeling_milieukwaliteit_elektriciteitsproductie_%28mep%29/538</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/overwinsten_bij_de_subsidieregeling_milieukwaliteit_elektriciteitsproductie_%28mep%29/538</guid>
			<description><![CDATA[De afgelopen jaren heeft de overheid meer subsidie betaald dan achteraf gezien nodig was om investeringen in wind op land projecten rendabel te maken. De hoogte van de subsidies zorgde er voor dat in veel gevallen de investeringen een hoger verwachte rendement opleverden dan normaliter in de markt ge&iuml;&iquest;&frac12;ist werd; ondernemers lijken behoorlijke overwinsten te hebben behaald. Een van de voornaamste oorzaken is dat de overheid de elektriciteitsprijs te laag heeft ingeschat. Dit zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek dat CE Delft voor de Algemene Rekenkamer uitvoerde. Vorig jaar werd de subsidieregeling Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie (MEP) stopgezet. Onder deze regeling ontvangen producenten van stroom uit biomassa, zonne-energie, wind- of waterkracht een vaste subsidie per kWh. De subsidie-uitgaven dreigden uit de hand te lopen. Bovendien werd ingeschat dat Nederland zou haar doelstelling om in 2010 9 % van de binnenlandse elektriciteitsproductie duurzaam op te wekken wel zou halen met reeds toegekende subsidies. Het kabinet heeft inmiddels scherpere doelen vastgesteld en een nieuwe subsidieregeling aangekondigd om de opwekking van duurzame elektriciteit te stimuleren. De uitdaging bij het vormgeven van een vernieuwde MEP blijft om de regeling even effectief te houden, maar tegen lagere uitgaven voor de overheid. Voor meer informatie kunt u naar de site gaan van de rekenkamer.]]></description>
			<pubDate>Fri, 08 Oct 2010 13:00:08 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Nieuwe elektriciteitscentrale in Nederland]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/nieuwe_elektriciteitscentrale_in_nederland/516</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/nieuwe_elektriciteitscentrale_in_nederland/516</guid>
			<description><![CDATA[Wordt een nieuwe elektriciteitcentrale goedkoop voor de consument of voor de burger? Elke elektriciteitcentrale veroorzaakt schade aan gezondheid en milieu als gevolg van de emissies van de centrale, maar ook emissies in de hele productieketen van de gebruikte brandstof. Nu er zoveel plannen zijn om een nieuwe centrale te bouwen in Nederland, heeft CE gekeken naar hoe deze schades (&amp;quot;externe kosten&amp;quot;) zich verhouden voor verschillende soorten centrale:

    volledig biomassa (op basis van resthout);
    poederkool, met en zonder biomassa bijstook;
    kolenvergassing;
    aardgas (STEG);
    kerncentrale.

Voor een goede vergelijkbaarheid nemen we voor alle centrales een vermogen van 1.000 MW en een jaarproductie van 7.500 GWh. We bekijken de effecten zowel met als zonder CO2 afvang en -opslag en voor twee locaties: Eemshaven en Maasvlakte. Niet alleen emissies in de hele keten zijn meegenomen, maar ook ongevallen die kunnen optreden in de verschillende ketens zijn in de vergelijking meegenomen. Voor CO2 - een mondiaal milieuprobleem van nog niet exact te bepalen omvang - zijn meerdere schadeprijzen beschouwd. Van de verbrandingscentrales veroorzaken kolencentrales de hoogste externe kosten per opgewekte kWh. Een biomassacentrale gestookt op resthout veroorzaakt de laagste externe kosten. Alleen bij lage CO2 schadeprijs (9 euro/ton) geeft een gascentrale de minste externe kosten. Verschil in schade tussen de twee locaties treedt vooral op bij een kolencentrale en dan met name als gevolg van verwaaiingsemissies van stof bij op- en overslag van de kolen.]]></description>
			<pubDate>Fri, 08 Oct 2010 13:00:47 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Zoeken, vinden en winnen: een analyse van de drijvende krachten achter de beschikbaarheid van energiedragers; Olie, gas, kolen en uranium]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/zoeken%2C_vinden_en_winnen%3A_een_analyse_van_de_drijvende_krachten_achter_de_beschikbaarheid_van_energiedragers%3B_olie%2C_gas%2C_kolen_en_uranium/810</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/zoeken%2C_vinden_en_winnen%3A_een_analyse_van_de_drijvende_krachten_achter_de_beschikbaarheid_van_energiedragers%3B_olie%2C_gas%2C_kolen_en_uranium/810</guid>
			<description><![CDATA[Voor het Vlaams Instituut voor Wetenschappelijk en Technologisch Aspectenonderzoek (viWTA) heeft CE Delft – in samenwerking met het Clingendael International Energy Programme (CIEP) onderzocht of we er vanuit mogen gaan dat fossiele energie en uranium in de komende tientallen jaren beschikbaar zullen blijven. Inzicht daarin kan van belang zijn voor nieuwe investeringen in de energievoorziening, maar ook voor de opstelling van Vlaanderen en Europa in politieke vraagstukken. 

In het onderzoek is de aandacht vooral gericht op het zgn. upstream-gedeelte van de markt. Dat is het traject van het lokaliseren van energiedragers in aardlagen tot het moment van winning. In dit deel van de energieketen bestond weinig inzicht. Wat daar speelt houdt vanzelfsprekend wel verband met wat er gebeurt in daarop volgende processen. Bij de uitspraken over de beschikbaarheid van olie, kolen gas en uranium wordt dan ook rekening gehouden met de drijvende krachten uit de gehele keten. Daarnaast wordt ook de duurzaamheid van de energievoorziening beschouwd.
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Achtergrondgegevens Stroometikettering 2006]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/achtergrondgegevens_stroometikettering_2006/510</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/achtergrondgegevens_stroometikettering_2006/510</guid>
			<description><![CDATA[Sinds 1 januari 2005 is etikettering van de herkomst van elektriciteit verplicht in Nederland. De elektriciteitsleveranciers hebben nationale productiegegevens nodig om dat etiket te kunnen samenstellen. CE heeft deze gegevens verzameld en daaruit de brandstofmix van de geleverde elektriciteit in Nederland in 2006, vastgesteld. De Nederlandse leveringsmix bestaat uit elektriciteit opgewekt uit aardgas (ruim 50%), kolen (25%), kernenergie (8,5%) en groene stroom (12%). De milieuconsequenties uitgedrukt in termen van CO2 en radioactief afval zijn respectievelijk 458 g CO2/KWh en 0,000254 g kernafval/KWh.]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Coalitions for Energy Innovation in Europe*]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/coalitions_for_energy_innovation_in_europe%2A/614</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/coalitions_for_energy_innovation_in_europe%2A/614</guid>
			<description><![CDATA[De Energietransitie is een initiatief van de Nederlandse overheid dat een structurele verandering naar een duurzame energiehuishouding voorstaat. Waar het lopende energiebeleid zich richt op het behalen van doelstellingen in het jaar 2010 is het transitiebeleid juist gericht op de periode daarna. Deze aanpak wil de Nederlandse overheid graag delen met internationale partners om samenwerkingsverbanden voor de toekomst op te bouwen. 

Samen met Clingendael International Programme (CIEP) heeft CE in opdracht van het Interdepartementale Programma Energietransities (IPE) een verkennend onderzoek uitgevoerd naar mogelijke Europese partners voor een Energietransitie aanpak op strategisch politiek en internationaal niveau. In de begeleidingscommissie van dit project zaten dhr. F. Vollenbroek (IPE), dhr. F. Dietz (IPE), dhr. F. Berkhout (VU Amsterdam) en dhr. E. Breunesse (Shell). 

De aanpak van het project bestond uit het opstellen van selectie criteria om daarmee een quick-scan uit te voeren voor de 25 EU landen op het gebied van energie innovatie. Dit leidde tot een selectie van 6 landen waar met een SWOT een verdiepende analyse per land is gemaakt. De geselecteerde landen (Denemarken, Duitsland, Polen, Spanje, Zweden en Engeland) werden vervolgens uitgenodigd voor een workshop om gezamenlijke acties en/of coalities op te starten. De SWOT analyse vormde daarvoor de basis als achtergrond document van de workshop dat op 24 november 2006 is gehouden in Den Haag. 

]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Welke nieuwe energiecentrale in Nederland?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/welke_nieuwe_energiecentrale_in_nederland/502</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/welke_nieuwe_energiecentrale_in_nederland/502</guid>
			<description><![CDATA[In het kader van het debat in Nederland over de vraag welk type nieuwe energiecentrale zou moeten worden gebouwd is door CE middels een in eigen beheer ontwikkeld cash flow computermodel de rendabiliteit van verschillende typen elektriciteitcentrales doorgerekend als functie van brandstofprijzen en CO2-prijzen.

Industrie en energiesector opteren voor kolenvermogen vanwege de lagere productiekosten voor elektriciteit. Vanuit klimaatbeleid en NEC beleid is voorkeur voor duurzaam of gasvermogen. Echter, de productiekosten hiervan zijn hoger. Aan de andere kant valt te verwachten dat in het kader van klimaatbeleid in de toekomst extra heffingen op CO2 zullen worden ingesteld, wat met name bij kolenvermogen op de productiekosten zal drukken. Mogelijk biedt CO2-afvang hiervoor een oplossing. Een alternatief is geen kolen, geen gas, maar kernenergie.

De belangrijkste conclusies op basis van de door CE uitgevoerde analyse zijn:Kolencentrales en gascentrales met afvang en opslag van CO2 zijn vanaf 
€ 20 - €40 per ton CO2 rendabeler dan centrales zonder CO2-afvang.Bij hoge brandstofprijzen en alleen kijkend naar de CO2-effecten (en niet naar het risico en de andere milieueffecten) is kernenergie vanaf een prijs van circa. € 30 per ton CO2 de goedkoopste optie.Bij lage brandstofprijzen is CO2-afvang en -opslag bij een STEG structureel goedkoper dan kernenergie.Centrales met warmtelevering zijn aantrekkelijker dan centrales zonder. Het levert een lagere CO2-emissie op van enkele honderden kilotonnen waardoor er een verschil in rentabiliteit tussen centrales met en zonder warmtelevering ontstaat. 
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Is er een vruchtbare toekomst voor groene grondstoffen in Nederland?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/is_er_een_vruchtbare_toekomst_voor_groene_grondstoffen_in_nederland/470</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/is_er_een_vruchtbare_toekomst_voor_groene_grondstoffen_in_nederland/470</guid>
			<description><![CDATA[CE heeft voor het MNP die de energietransitie evaluateert de systeemoptie ‘Groene Grondstoffen’ uitgebreid bekeken. Gebruikte bronnen betroffen literatuurstudies en interviews met een zestal mensen ‘uit het veld’. In de studie is ook een globaal inzicht in de aan ‘groene grondstoffen gerelateerde productiekosten en 
milieubelasting gegenereerd, afgezet tegen de productiekosten en milieubelasting voor de concurrerende gangbare petrochemische alternatieven.

Uit de beschikbare informatie blijkt naar ons idee dat op dit moment al veel technologie beschikbaar is en in principe een aanzienlijk deel tot een zeer groot deel van de huidige grondstoffen technisch gezien zou kunnen worden geproduceerd op basis van biomassa. Belangrijkste knelpunten voor de introductie op de markt zijn met name de kostprijs en de onbekendheid met het product bij afnemers. Bij kostprijzen die soms 
2 - 3 maal hoger liggen als voor de te vervangen gangbare petrochemische producten wordt vaak alleen ge&iuml;mplementeerd wanneer het petrochemische product vanwege de milieuschade bij toepassing ervan (smeermiddelen, oplosmiddelen, inkten en verven) wordt verboden of wanneer een eindgebruiker zich als duurzaam wil profileren (bioplastics). Er zijn een beperkt aantal voorbeelden gevonden waarin productie op basis van biomassa goedkoper is als productie op basis van petrochemische grondstoffen (ethanol, 1,3 propaandiol). ,
De voordelen van groene grondstoffen qua milieubelasting bij productie betreffen vooral de lagere toxiciteit bij gebruik van bepaalde producten (smeermiddelen, oplosmiddelen, inkten en verven). 
Milieubelasting per eenheid product in de vorm van broeikasgasemissies is vaak alleen lager omdat een petrochemische grondstof - en dus de fossiele energie-inhoud en koolstof inhoud van deze grondstof - wordt uitgespaard. Maar de productieprocessen voor groene grondstoffen zijn vaak minder effici&euml;nt met energie als de petrochemische productieroutes. Mogelijke uitzondering is de productie van chemicali&euml;n waarin een stikstofatoom is opgenomen. 
 
Bovendien kan bij de teelt van met name eiwit producerende gewassen (bijvoorbeeld koolzaad) een significante emissie van broeikasgassen optreden door de benodigde gift aan stikstof meststoffen. Meerjarige olieproducerende of suikerproducerende gewassen hebben dit euvel vaak niet.
Een derde kanttekening voor specifiek de toepassing van geteelde biomassa als grondstof is dat het benodigde ruimtegebruik van dit soort grondstoffen een ernstige aanslag op het milieu kan veroorzaken wanneer natuur moet wijken voor teeltarealen. Het verdient dan ook de aanbeveling zoveel mogelijk gebruik te maken van reststromen of anders van gewassen met een zo hoog mogelijke opbrengst per hectare aan nuttige componenten in het gewas (suikerriet, suikerbiet, palmolie). 

We zien verder dat in Europa de subsidie op toepassing van biomassa voor elektriciteitproductie en voertuig brandstoffen een ongelijk speelveld heeft gecre&euml;erd waarin ontwikkeling van groene grondstoffen minder prioriteit krijgt en waarin kosten voor de grondstoffen voor de huidige groene grondstoffen stijgen omdat deze grondstoffen worden onttrokken aan de markt voor de gesubsidieerde toepassingen in elektriciteit productie en voertuig brandstoffen productie.

Onze aanbevelingen zijn - aansluitend bij het bovenstaande - dan ook:Cre&euml;er een gelijk speelveld en een overkoepelende visie op het biomassa speelveld met aandacht voor de concurrentie en mogelijke synergie tussen bio-energie, biobrandstoffen, bioproducts en voedsel.Overweeg om naast vergelijkbaar aan een kWhe biosubsidie een tijdelijke bioproducts  CO2-reductie subsidie in te voeren.Overweeg om naast overheidsdoelen voor bio-energie en biobrandstoffen een doel vast te stellen voor duurzame nieuwe bioproducten.Zorg voor een filter waarmee kansrijke opties en routes sneller kunnen worden geselecteerd en andere sneller kunnen afvallen.Concentreer de inspanningen op routes met een duidelijk onafhankelijk aangetoond milieuvoordeel met een redelijk kostenplaatje.Focus voor subsidieverlening voor R&amp;D ook op toegevoegde waarde wat betreft toxiciteit of dwing dat wettelijk af – bijvoorbeeld biosmeermiddelen in natuurgebieden.Laat de productie van bulkchemicali&euml;n en de teelt van de benodigde gewassen buiten Nederland plaatsvinden en stimuleer op dit veld hooguit de ontwikkeling van conversietechnologie.

]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Actieplan Fijn Stof]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/actieplan_fijn_stof/451</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/actieplan_fijn_stof/451</guid>
			<description><![CDATA[Ook in Zeeland vormt fijn stof een groeiend probleem voor de luchtkwaliteit. En met het oog op verzwaring van de normen in 2010 zal dit probleem alleen maar knellender worden. De Provincie Zeeland wil dan ook nu al kijken naar de mogelijkheden voor reductie van de emissies van fijn stof. CE is gevraagd ondersteuning te verlenen bij het opstellen van een actieplan waarmee de luchtkwaliteit in de provincie verbeterd kan worden. Dit betekent aan de ene kant dat (technische) maatregelen in kaart worden gebracht met de bijbehorende effecten en aspecten. Aan de andere kant staat het verkennen van draagvlak centraal. Welke partijen voelen zich betrokken bij de problematiek? En wie wil het voortouw nemen bij uitvoering van maatregelen? Deze combinatie van activiteiten zal leiden tot een aantal beleidsopties. Hier zal vervolgens een actieplan uit voortkomen waarvoor draagvlak bestaat onder de betrokkenen.]]></description>
			<pubDate>Thu, 26 Mar 2009 16:23:29 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Randvoorwaarden voor een prikkelende Benchmark Duurzaam Inkopen]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/randvoorwaarden_voor_een_prikkelende_benchmark_duurzaam_inkopen/410</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/randvoorwaarden_voor_een_prikkelende_benchmark_duurzaam_inkopen/410</guid>
			<description><![CDATA[Met een jaarlijkse inkoopbudget van circa &iuml;&iquest;&frac12; 28,8 miljard (VNG, 2003) kan de gezamenlijke overheid een substanti&iuml;&iquest;&frac12;le impuls geven aan het duurzaam inkopen van goederen in Nederland. Zowel binnen overheid als in het maatschappelijk veld bestaat de wens om met een benchmark het duurzaam inkopen te bevorderen. In dit kader hebben CE, COS Nederland en Milieudefensie, met financiering uit de SMOM-regeling, randvoorwaarden en criteria voor een prikkelende benchmark opgesteld. Er bleek relatief veel informatie beschikbaar te zijn over benchmarking en overheden waardoor een goede systematische basis beschreven kon worden. Dit bood CE, Milieudefensie en COS Nederland ook de mogelijkheid om vanuit deze systematiek naar de gemeenten tot een toetsing van wensen en prioriteiten te komen. Hieruit kwamen duidelijke wensbeelden naar voren, zoals de verhouding tussen de beleids-, proces- en resultaatgerichte indicatoren, de openbaarheid van informatie en de tijd die nodig is voor behandeling van de vragen. Hiermee zullen de maatschappelijke organisaties in hun benchmark hun voordeel doen (zie www.duurzaamheidsmeter.nl). De benchmark van SenterNovem is in ontwikkeling buiten het zichtveld van de onderzoekers.]]></description>
			<pubDate>Tue, 20 Jul 2010 11:10:17 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Het Energie Agri Cluster voor het Transitie Alternatief]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/het_energie_agri_cluster_voor_het_transitie_alternatief/390</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/het_energie_agri_cluster_voor_het_transitie_alternatief/390</guid>
			<description><![CDATA[Het Energie Agricluster voor het Transitie Alternatief voor de Zuiderzeelijn is door CE in een aantal weken ontwikkeld als robuust alternatief voor de Zuiderzeelijn. Dit plan is bedoeld als samenhangend cluster dat tegelijkertijd de economische structuur van Noord-Nederland verbetert en daarnaast ook een impuls geeft aan de verduurzaming van de energievoorziening. Het cluster sluit nauw aan bij de nationale Energietransitie, het bestaande Energy Valley en de unieke eigenschappen van Noord-Nederland. Het gaat daarbij vooral om uitgebreide mogelijkheden voor CO2-opslag in ondergrond, de mogelijkheden van de Eemshaven, het bestaande Agricluster en bestaande kennisinfrastructuur. Het plan is additioneel op bestaande plannen en richt zich ook met name op het verminderen van de gevoeligheid voor de aardgasprijs van de Noordelijke economie. 
Het plan bevat een biomassa/kolenvergasser met CO2-opslag, een CO2-distributienet, een tweede generatie ethanolfabriek, een bioraffinage-unit, een Blue energy centrale (energie uit zoet zout overgang) een virtuele micro WKK centrale en een kennisnetwerk. Met eenmalig 550 miljoen overheidsbijdrage en 2 miljard particuliere investering realiseert het plan 5 a 11 Mton CO2-emissiebeperking per jaar en langjarig 2000 of meer arbeidsplaatsen. Economisch bureau Ecorys heeft het Energie Agri cluster positief beoordeeld. Ook expertpanel voor het transitie alternatief en de strategische milieubeoordeling waren positief over dit innovatieve energie en agricluster voor Noord-Nederland.
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Afvalverwerking en CO2: Quickscan van de broeikasgasemissies van de afvalverwerkingssector in Nederland 1990-2004]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/afvalverwerking_en_co2%3A_quickscan_van_de_broeikasgasemissies_van_de_afvalverwerkingssector_in_nederland_1990-2004/408</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/afvalverwerking_en_co2%3A_quickscan_van_de_broeikasgasemissies_van_de_afvalverwerkingssector_in_nederland_1990-2004/408</guid>
			<description><![CDATA[De broeikasgasemissies van de afvalverwerking in Nederland zijn in 2004 aanmerkelijk lager dan in 1990.
Waren in 1990 de gesommeerde broeikasgasemissies nog circa 12,7 Mton CO2-equivalenten, in 2004 waren deze gedaald tot 0,8 Mton. Hierin zijn verrekend de vermeden broeikasgasemissies als gevolg van opslag van koolstof in de bodem bij storten en composteren en de energieopwekking bij verbranden in een AVI en benutting van methaan uit stortplaatsen. In 1990 was de bijdrage van de afvalsector van in 1990 gestort afval aan de broeikasgasemissies in Nederland nog ongeveer 6%. In 2004 was dit gedaald tot ongeveer 0,5%.

]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Milieuanalyse 4 alternatieve (bio-)brandstoffen voor de Gelderland 13]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/milieuanalyse_4_alternatieve_%28bio-%29brandstoffen_voor_de_gelderland_13/399</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/milieuanalyse_4_alternatieve_%28bio-%29brandstoffen_voor_de_gelderland_13/399</guid>
			<description><![CDATA[Electrabel heeft, net als andere Nederlandse elektriciteitsproducenten, in het kolenconvenant met de Nederlandse overheid afgesproken een deel van de kolen die zij gebruikt voor elektriciteitsproductie te vervangen door biomassa.  Deze studie is een vervolg op de studie van augustus 2005. In deze studie, in opdracht van Electrabel, zijn vier  andere  alternatieve brandstoffen  dan in het rapport van augustus 2005  onderzocht op hun milieu voor- en nadelen, te weten:  corncobpellets, rijstresidupellets, palmpitkorrels en eucalyptushoutpellets. 

Conclusies:

Rijstresidupellets en corncobpellets
Uitgangspunt in de analyse is dat in het productieland Thailand in plaats van de rijstkaf/corncobs voor bemesting van het land kunstmest wordt gebruikt. Meestoken van de rijstkaf/corncobs als rijstresidupellets/corncobpellets in de Gelderland 13 is dan gunstig voor zowel broeikasgasemissies als lokale luchtkwaliteit rond de G13.
Eucalyptushoutpellets
Uitgangspunt is dat het deel van het eucalyptushout dat in Zuid-Afrika ter plaatse niet wordt benut, daar op hopen wordt verbrand. Toepassing in Zuid-Afrika verdient de voorkeur, maar gebeurt niet. Meestoken van het eucalyptushout in de Gelderland 13 is dan gunstig voor zowel broeikasgasemissies als lokale luchtkwaliteit rond de G13.
Palmpitkorrels
Of meestook van palmpitkorrels in de G13 gunstig is voor het milieu is sterk afhankelijk van de huidige toepassing. Is die huidige toepassing veevoer dan is meestoken waarschijnlijk ongunstig voor het milieu omdat waarschijnlijk het ten koste gaat van natuur zoals oerwoud. Is die toepassing meststof of verbranding dan is meestoken gunstiger voor het milieu. Meestoken in de G13 heeft zonder aanvullende maatregelen (verwijdering extra NOx uit rookgassen) een gering negatief effect op de lokale luchtkwaliteit rond de G13.
Algemene conclusie
Meestoken in de G13 is milieukundig in het algemeen gunstig voor de lokale luchtkwaliteit rond de G13 en voor het broeikaseffect. Voor palmpitkorrels is beide waarschijnlijk niet het geval. ]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Op weg naar schone lucht]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/op_weg_naar_schone_lucht/380</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/op_weg_naar_schone_lucht/380</guid>
			<description><![CDATA[In de Zuidvleugel van de Randstad is de lucht vervuild. De luchtkwaliteit voldoet niet aan de Europese normen voor de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Verbetering van de luchtkwaliteit staat daarom hoog op de agenda van de rijksoverheid en bestuurders in de Zuidvleugel. In opdracht van de Provincie Zuid-Holland heeft CE een inventarisatie, beoordeling en kostenraming gemaakt van maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Vervolgens heeft CE een voorstel geformuleerd voor een effectief maatregelpakket, dat in beginsel op korte termijn kan worden uitgevoerd. Bij het samenstellen van het maatregelpakket is rekening gehouden met:

    effect op luchtkwaliteit (in termen van concentraties);
    kosteneffectiviteit;
    uitvoerbaarheid (maatschappelijk draagvlak/honing en azijn);
    termijn waarop gestart kan worden met uitvoering.

In het rapport zijn de hoofdlijnen opgenomen van het pakket van maatregelen in de Zuidvleugel en een indicatie van de kosten in de periode 2006-2010.]]></description>
			<pubDate>Thu, 26 Mar 2009 16:19:43 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energiebesparing in de Nederlandse aardgasketen]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energiebesparing_in_de_nederlandse_aardgasketen/373</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energiebesparing_in_de_nederlandse_aardgasketen/373</guid>
			<description><![CDATA[De aardgasketen vertegenwoordigt met 37 PJ ongeveer vijf procent van het Nederlandse industri&euml;le energieverbruik. In deze studie is het potentieel voor energiebesparing in deze keten in kaart gebracht. Daarbij is de gehele keten bekeken: van gaswinning uit de reservoirs, gasbehandeling, droging en menging van het gas, transportcompressor- en gasontvangststations, tot aan de gasmeter bij eindgebruikers.Voorwaarde voor de energiebesparing is dat de bedrijven in de aardgasketen met elkaar samenwerken.Aan deze verkenning werkten alle onderdelen van de aardgasketen mee: vertegenwoordigd waren de gasproducenten, verenigd in de brancheorganisatie NOGEPA (Netherlands Oil and Gas Exploration and Production Association), Gasunie en Essent Energie. De studie werd gefaciliteerd door SenterNovem.
De besparingsopties hebben betrekking op de vier factoren die van invloed zijn op het energieverbruik: de gewenste kwaliteit van het gas, de druk van het gas, de fluctuaties in de gasstroom (debiet) en de afstand waarover het gas moet worden getransporteerd. Er zijn drie kansrijke maatregelen geselecteerd: spreiding van de gaskwaliteit, lokaal opwekken van elektriciteit en de druk verlagen op het hoofdtransportleidingennet in de zomer.
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Welke nieuwe elektriciteitscentrale in Nederland?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/welke_nieuwe_elektriciteitscentrale_in_nederland/370</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/welke_nieuwe_elektriciteitscentrale_in_nederland/370</guid>
			<description><![CDATA[Dit rapport bekijkt welke nieuwe elektriciteitscentrale in Nederland gebouwd zou moeten worden, bezien vanuit een investeerdersperspectief en vanuit een overheidsperspectief. Met behulp van het in dit project gebouwde investeringsmodel is onderzocht of deze stelling in verschillende scenario’s inderdaad opgaat. De uitkomsten zijn vervolgens bediscussieerd in een openbare vergadering van de Bezinningsgroep Energiebeleid.

Uitkomst van de berekeningen met het in dit project gemaakte investeringsmodel is dat alleen in het geval van laagblijvende prijzen voor CO2-emissies een kolencentrale zonder CO2-opvang de meest voordelige keuze is voor een investeerder. Bij hogere prijzen voor CO2 en bij beprijzing van andere emissies is een kolencentrale met CO2-afvang de meest rendabele optie. Dat laatste geldt al vanaf een CO2-prijs van circa € 15 per ton.

Vergelijking van het investeerdersperspectief met dat van de overheid laat zien dat er zowel belangrijke verschillen als overeenkomsten zijn, die kunnen leiden tot conflicten maar ook tot samenwerking. In het geval van een nieuwe elektriciteitscentrale in Nederland lijkt het waarschijnlijk dat de discussie zich zal toespitsen op de vraag of een kolencentrale zonder extra voorzieningen gebouwd wordt, of dat de door de overheid opgelegde randvoorwaarden bijstook van biomassa en CO2-opslag rendabel zullen maken. Een verdere, onderbouwde discussie over dit onderwerp is noodzakelijk.

]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Vrije stroom, vieze stroom, weg stroom?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/vrije_stroom%2C_vieze_stroom%2C_weg_stroom/366</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/vrije_stroom%2C_vieze_stroom%2C_weg_stroom/366</guid>
			<description><![CDATA[In de afgelopen jaren is de marktwerking in de energiesector sterk toegenomen. De sector is geliberaliseerd en de spelers bereiden zich voor op privatisering en een verdere internationalisering van de bedrijfsvoering. In opdracht van de Bezinningsgroep Energie (BG) heeft CE de (tussen)balans op gemaakt van de gevolgen voor drie pijlers van het energiebeleid:

    schoon (indicator: CO2 emissies);
    betrouwbaar (indicator: leveringszekerheid);
    betaalbaar (indicator: kosten bedrijven / tarieven klanten).

Per saldo blijkt sprake te zijn van een verschuiving van lange termijn maatschappelijke belangen naar korte termijn bedrijfseconomische doelen. Daarmee zijn de drie klassieke doelen van het energiebeleid - betaalbaar, betrouwbaar en schoon onder druk komen te staan.  De liberalisering als zodanig heeft met name voor schoon - negatieve gevolgen die slechts ten dele gecompenseerd worden door flankerende maatregelen. Op termijn geldt hetzelfde voor betrouwbaar en betaalbaar. Een structurele bijsturing door - aangescherpt - flankerend beleid is noodzakelijk om de publieke doelen veilig te stellen.]]></description>
			<pubDate>Fri, 12 Aug 2011 14:07:15 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Duurzaamheid van de transitie bio-ethanol]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/duurzaamheid_van_de_transitie_bio-ethanol/340</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/duurzaamheid_van_de_transitie_bio-ethanol/340</guid>
			<description><![CDATA[Op dit moment kan bio-ethanol, een biobrandstof die lijkt op benzine, grootschalig worden geproduceerd uit grondstoffen zoals suiker- of graanproducten. Nedalco BV is echter ook bezig met onderzoek naar processen waarmee ethanol ook uit houtachtige biomassa kan worden geproduceerd. De verwachting is dat met deze nieuwe technologie de kosten van de ethanol flink dalen, terwijl de milieuprestaties toenemen. 

In deze studie heeft CE, in opdracht van Nedalco, de verschillende duurzaamheidsaspecten van de huidige en toekomstige ethanolproductie in kaart gebracht. We hebben daarvoor o.a. berekend in welke mate de uitstoot van broeikasgassen wordt beperkt door de overstap naar houtachtige grondstoffen: is de CO2 reductie bij de huidige grondstoffen ca. 40 – 60%, bij de toekomstige ethanol kan dit oplopen tot 80-90%. Omdat daarnaast ook de kosten naar verwachting dalen, heeft deze ontwikkeling grote (positieve) gevolgen voor de kosteneffectiviteit van ethanol (uitgedrukt in kosten per vermeden ton CO2 uitstoot). Als zowel de kosten als ook de technologie zich ontwikkeld zoals we in deze studie aannemen kan de kosteneffectiviteit op ca. 20 tot 40 €/ton CO2-eq. 

]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Geretourneerd fosforzuur afvalstof of niet?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/geretourneerd_fosforzuur_afvalstof_of_niet/329</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/geretourneerd_fosforzuur_afvalstof_of_niet/329</guid>
			<description><![CDATA[Voor Thermphos heeft CE een studie uitgevoerd aangaande de definitie van afvalstof. Geleverd fosforzuur wordt na gebruik door Thermphos weer teruggenomen. Echter bij dit terugnemen moet het als afvalstof worden beschouwd. De studie die door CE is verricht in opdracht van Thermphos laat zien dat herinzet van dit fosforzuur milieukundig veel beter is dan het daadwerkelijk als afvalstof te beschouwen en het als zodanig te storten. Dit gebruikte fosforzuur is een goede grondstof voor Thermphos. De defini&euml;ring ervan als afvalstof leidt tot onnodige financi&euml;le en administratieve lasten en heeft een negatieve uitstraling.]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
			</channel>
</rss>

