<?xml version="1.0" encoding="ISO-8859-1" ?>
<rss version="2.0" xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom">
  	<channel>
    	<title>CE Delft - Warmtevraag en -productie</title>
		<copyright>Copyright (c) 2012, CE Delft</copyright>
		<link>http://www.ce.nl/ce/rapporten/114/</link>
        <atom:link href="http://www.cedelft.nlindex.php?go=home.showRapportenRSS&amp;pagenr=647" rel="self" type="application/rss+xml" />
		<language>nl</language>
		<description>CE Delft Rich Site Summary</description>
		<webMaster>webmaster@ce.nl (Webmaster)</webMaster>
		        
		<item>
			<title><![CDATA[IPO Nationale Routekaart Restwarmte]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/ipo_nationale_routekaart_restwarmte/1164</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/ipo_nationale_routekaart_restwarmte/1164</guid>
			<description><![CDATA[In het Klimaat- en Energieakkoord tussen de provincies en het Rijk geven de provincies onder andere aan hoe zij een bijdrage leveren aan de reductie van de CO2-uitstoot, energiebesparing en de toename van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen. E&amp;eacute;n van de uitwerkingen hiervan is het in kaart brengen van de mogelijkheden voor de maximale benutting van restwarmte.

Met behulp van de recent gepubliceerde Warmteatlas van het Nationaal Expertisecentrum Warmte (NEW) van Agentschap NL, is een quickscan gemaakt van het potentieel aan restwarmte dat per provincie beschikbaar is. Met enige kanttekeningen kan worden aangenomen dat de ordegrootte van het restwarmtepotentieel in Nederland ligt rond de 100 PJ per jaar, ongeveer een derde van het huidige warmteverbruik van de Nederlandse huishoudens. Hiervan blijkt ongeveer 57 PJ restwarmte nuttig ingezet kan worden voor warmtelevering aan huishoudens. Genoeg voor 1,2 miljoen huishoudens en een CO2-reductie van 3.200 kton.

De provincies van Nederland verschillen z&amp;eacute;&amp;eacute;r sterk. Zowel in restwarmteaanbod en -vraag, als in de rolopvatting en de beleidsinbedding van restwarmte. Niet iedere provincie hoeft zich evenveel in te zetten voor restwarmte of heeft de middelen om projecten te financieren. Het is dan ook niet mogelijk om &amp;eacute;&amp;eacute;n generieke set met beleidsaanbevelingen op te stellen, waarmee het succesvol benutten van restwarmte gegarandeerd is. 

Voor alle provincies is een specifieke set van aanbevelingen opgesteld en voor alle provincies tezamen de IPO Nationale Routekaart Restwarmte (NRR). Hierin staat een aantal concrete aanbevelingen voor de provincies, Agentschap NL en de Rijksoverheid. Deze aanbevelingen dienen de grootste belemmering weg te nemen op het vlak van wet- en regelgeving en te faciliteren in het eenvoudiger bewerkstellen van restwarmteprojecten in de provincies.


    
        
            
            
            Warmtevraag totaal 
            (TJ)
            
            Warmtevraag beschikbaar 
            (TJ)
            
            Warmte-aanbod
            (TJ)
            
            Benuttings-
            potentieel
            (TJ)
            
            Benuttings-potentieel (woningen)
            
            CO2-
            reductie (kton)
            
        
        
            Zuid-Holland
            63.585
            50.159
            25.325
            13.782
            297.000
            780
        
        
            Gelderland
            42.391
            42.007
            16.900
            9.829
            211.000
            556
        
        
            Limburg
            26.144
            35.581
            14.300
            7.317
            157.000
            414
        
        
            Noord-Brabant
            52.886
            28.174
            14.113
            8.063
            173.000
            456
        
        
            Groningen
            13.027
            13.979
            7.713
            2.144
            46.000
            121
        
        
            Noord-Holland
            54.510
            16.280
            7.225
            5.876
            126.000
            333
        
        
            Zeeland
            8.004
            13.975
            5.950
            1.783
            38.000
            101
        
        
            Overijssel
            23.578
            4.888
            3.375
            3.059
            66.000
            173
        
        
            Drenthe
            11.635
            6.051
            3.188
            1.814
            39.000
            103
        
        
            Utrecht
            24.473
            4.231
            2.113
            2.000
            43.000
            113
        
        
            Friesland
            14.349
            4.178
            1.650
            550
            12.000
            31
        
        
            Flevoland
            6.192
            4.070
            750
            750
            16.000
            42
        
        
            Totaal
            340.776
            223.572
            102.600
            56.967
            1.224.000
            3.224
        
    

Disclaimer: Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van gegevens uit de Warmteatlas van Agentschap NL. Agentschap NL stelt dat de gegevens niet geschikt zijn voor kwantitatieve berekeningen. De bruikbaarheid van deze gegevens is dan ook gelimiteerd tot het identificeren van mogelijk aanwezige kansen, wat tevens het doel van dit onderzoek is. De volledige disclaimer van de Warmteatlas is terug te vinden op www.warmteatlas.nl.]]></description>
			<pubDate>Fri, 19 Aug 2011 10:18:01 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[200-200 in 2020. Overzicht van het warmtepotentieel in Nederland]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/200-200_in_2020._overzicht_van_het_warmtepotentieel_in_nederland/1109</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/200-200_in_2020._overzicht_van_het_warmtepotentieel_in_nederland/1109</guid>
			<description><![CDATA[De vraag naar warmte bedraagt op dit moment ongeveer 40% van de totale energievraag in Nederland. Met name de gebouwde omgeving, industrie (inclusief energiesector) en de glastuinbouw bepalen in Nederland deze hoge warmtevraag. Deze sectoren hebben allen een verschillend vraagprofiel en verschillende mogelijkheden als het gaat om warmtebesparing en duurzame warmte. CE Delft heeft voor het Warmtenetwerk een literatuurstudie uitgevoerd om in kaart te brengen wat de technische besparingsopties zijn voor deze sectoren en welke warmtevraag duurzaam ingevuld kan worden.

Uit verschillende studies blijkt, dat zonder aanvullend beleid, de warmtevraag in de komende tien&amp;nbsp;jaar&amp;nbsp;niet of nauwelijks verandert. De mogelijkheden om hier verandering in aan te brengen zijn echter legio. Deze studie laat zien dat besparingen op het gebied van warmte een technisch potentieel heeft van bijna 300 PJ in 2020. De belangrijkste maatregelen zijn:

    isolatiemaatregelen in de gebouwde omgeving
    procesverbetering in de industrie
    restwarmtelevering van elektriciteitsproductie en afvalverbranding
    warmtekrachtkoppelingen

Ook de duurzame opties hebben voor het zichtjaar 2020 een potentieel van bijna 300 PJ. Het gaat hierbij vooral om:

    geothermie in de glastuinbouw en gebouwde omgeving;
    biogas voor bio-WKK of groengas;
    WKO/warmtepompen in de gebouwde omgeving;
    warmte uit biomassa (bio-ketels) voor de glastuinbouw en industrie.

Hoewel de technische potenti&amp;euml;len van warmtebesparing en duurzame warmte elkaar weinig ontlopen, is wel een verschil zichtbaar in de kosteneffectiviteit van beide opties. Waar bij warmtebesparing bijna 200 PJ kosteneffectief in te vullen is, geldt dat voor de duurzame opties maar zeer beperkt. Echter, voor een meerprijs van 10 &amp;euro;/GJ is deze 200 PJ duurzame warmte echter wel haalbaar. In vergelijking met duurzame elektrische opties (wind op zee en land en photovolta&amp;iuml;sch) lijkt een sterke inzet op warmtebesparing en duurzame warmte dan ook een logische keuze, zowel economisch als voor het potentieel.&amp;nbsp;]]></description>
			<pubDate>Wed, 15 Dec 2010 12:15:34 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Wat voor welke warmte?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/wat_voor_welke_warmte/1016</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/wat_voor_welke_warmte/1016</guid>
			<description><![CDATA[CE Delft heeft voor EnergieNed een onafhankelijk onderzoek gedaan naar de interpretatie van de Warmtewet ten aanzien van de te hanteren methodiek voor de maximumprijs voor warmte. 

De Warmtewet stelt dat de bepaling van de maximumprijs in een AMvB wordt vastgelegd, maar geeft daar wel de nodige richting aan mee. Zo dient vergeleken te worden met &amp;lsquo;gas als energiebron&amp;rsquo;, en moet die vergelijking gebaseerd zijn op &amp;lsquo;integrale kosten&amp;rsquo; voor het verkrijgen van &amp;lsquo;dezelfde hoeveelheid warmte&amp;rsquo;.

Uit het onderzoek blijkt:

    Dat vele factoren binnen een gebouw relevant zijn voor het bepalen van de integrale kosten. De te hanteren systeemgrens dient om het gebouw te liggen, en niet een systeemgrens om alleen de cv-installatie heen.
    Dat ook de gebruikssituatie van belang is voor het energetisch rendement van een installatie, en daarmee voor de kosten voor de gebruiker.
    Dat een vergelijkingmethodiek op basis van voldoend grote, nette, aselecte en transparant samengestelde steekproeven van warmte- en gassituaties het meest recht doet aan de bepalingen in de Warmtewet met betrekking tot de maximumprijs.

Te hanteren systeemgrens: woning c.q. gebouw
 





]]></description>
			<pubDate>Wed, 16 Feb 2011 15:00:16 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[CO2-reductie warmteopties glastuinbouw West-Brabant ]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/co2-reductie_warmteopties_glastuinbouw_west-brabant_/992</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/co2-reductie_warmteopties_glastuinbouw_west-brabant_/992</guid>
			<description><![CDATA[In Steenbergen - tussen Dinteloord en Stampersgat &amp;ndash; is een glastuinbouwlocatie gepland van circa 220 hectare netto. Milieudefensie wil graag - naast de ruimtelijke bezwaren die zij tegen deze nieuwe glastuinbouwlocatie heeft - de energiekant van dit project aan de orde stellen, zeker nu we aan de vooravond staan van de internationale klimaatbijeenkomst in 'Kopenhagen'. Milieudefensie wil graag inzicht hebben in de CO2-uitstoot die het kassencomplex zal veroorzaken. Een globale inschatting van de huidige CO2-emissie van Steenbergen geeft een emissie van 245 kton CO2. Indien de nieuwe glastuinbouwlocatie doorgang vindt, dan zal bij de referentie-uitvoering (ketel en elektriciteitsinkoop) de totale emissie van Steenbergen toenemen met 151 kton, een toename van 62%. De bandbreedte van de verschillende, semi-kwantitatief bepaalde opties, is een besparing ten opzichte van referentiesituatie van 8-51%. Echter, een aantal opties kan als onrealistisch worden bestempeld. Zo zal naar verwachting aardwarmte niet mogelijk zijn, evenals de CO2-afvang/opslag. Dat betekent dat de realistische bandbreedte, gegeven de aannames, zal liggen tussen de 8-34%. Met deze bandbreedte zal dus de totale CO2-emissie in Steenbergen toe kunnen nemen met 100 tot 140 kton, ofwel 40 tot 57%.]]></description>
			<pubDate>Tue, 21 Jun 2011 14:49:18 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Warmtenetten in Nederland]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/warmtenetten_in_nederland/976</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/warmtenetten_in_nederland/976</guid>
			<description><![CDATA[Naar verwachting treedt in 2010 de Warmtewet in werking. Doel van de Warmtewet is waarborgen dat verbruikers verzekerd zijn van warmtelevering tegen redelijke prijzen en voorwaarden. 

De Energiekamer (onderdeel van de Nederlandse Mededingingsautoriteit) wordt verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de Warmtewet. De Energiekamer zal onder andere beleidsregels gaan vaststellen waarin wordt bepaald aan welke voorwaarden een redelijke prijs voor warmtelevering moet voldoen. Om het toezicht op de naleving van de Warmtewet goed te kunnen uitoefenen, heeft de Energiekamer aan CE Delft gevraagd twee onderzoeken uit te voeren: (1) het in kaart brengen van de warmtenetten, -leveranciers, - producenten en warmtetarieven in Nederland en (2) inzicht verschaffen in de belangrijkste cost drivers van warmtelevering. 

Warmtenetten in Nederland (marktanalyse)
Warmtelevering vindt in Nederland in vele soorten en maten plaats; van grootschalige warmtenetten met tienduizenden aangesloten verbruikers tot kleinschalige netten met slechts een handvol verbruikers. In samenwerking met de betrokken energiebedrijven en organisaties als SenterNovem heeft CE Delft een overzicht gemaakt van alle warmtenetten in Nederland.

In het overzicht is een onderscheid gemaakt tussen grootschalige netten (meer dan 5.000 aangesloten verbruikers) en kleinschalige netten (minder dan 5.000 aangesloten verbruikers). Er zijn dertien grootschalige netten met ongeveer 227.000 aangesloten verbruikers. Op deze grootschalige warmtenetten wordt warmte geleverd door de grote energiebedrijven (waaronder Eneco, Essent en Nuon). Daarnaast leveren zij ook de warmte voor ongeveer 300 kleinschalige warmtenetten. De overige kleinschalige warmtenetten, ongeveer 6.600, zijn eigendom van woningcorporaties, verenigingen van eigenaren (VvE&amp;rsquo;s), projectontwikkelaars en overige partijen. In totaal zijn 336.000 verbruikers aangesloten op een kleinschalig warmtenet.

De warmtetarieven die de grote energiebedrijven in rekening brengen aan consumenten zijn hoofdzakelijk gebaseerd op het NMDA-tariefadvies van EnergieNed. De tarieven van de overige warmteleveranciers (woningcorporaties, VvE&amp;rsquo;s, etc.) worden veelal berekend door warmtekostenverdeelfirma&amp;rsquo;s en zijn gebaseerd op de gemaakte kosten voor de levering van warmte.

De belangrijkste productiebronnen van warmte voor de grootschalige warmtenetten zijn warmtekrachtcentrales (gas) en elektriciteitscentrales (gas en kolen). Een beperkt deel wordt duurzaam ingevuld. Kleinschalige warmtenetten hebben een grote diversiteit aan warmtebronnen, van warmtekrachtcentrales/koppelingen en conventionele ketels tot warmte/koude-opslag en collectieve zonneboilers.

Cost drivers warmtelevering in Nederland
In dit tweede onderzoek van CE Delft wordt verschil gemaakt tussen factoren (cost drivers) die van invloed zijn op de leveringsonafhankelijke kosten en de leveringsafhankelijke kosten van warmteleveranciers. Leveringsonafhankelijke kosten hebben geen (directe) relatie met het aantal geleverde GJ aan warmte; leveringsafhankelijke kosten nemen (evenredig) toe naarmate er meer warmte geleverd wordt. 

Uit het onderzoek blijkt dat de belangrijkste cost drivers voor de leveringsonafhankelijke kosten van warmteleveranciers worden gevormd door de omvang van het warmtenet, de leeftijd van het warmtenet en historische aanschafprijzen (kosten voor loon en materiaal ten tijde van de initi&amp;euml;le investering). De omvang van de leveringsafhankelijke kosten (inkoop van warmte bij de producent) wordt met name be&amp;iuml;nvloed door de herkomst van de warmte (type warmtebron), afspraken over kostenverdelingen tussen warmteleverancier en -producent en de aard en omvang van de warmtelevering.

De rendementen die warmteleveranciers rapporteren, lopen per warmtenet behoorlijk uiteen; van -11 tot 23 % voor grootschalige warmtenetten en van -258 tot 7 % voor kleinschalige warmtenetten. Warmteleveranciers die daarvoor de mogelijkheid hebben, kiezen vaak voor een portefeuillebenadering om verliesgevende warmtenetten met winstgevende warmtenetten te compenseren.&amp;nbsp;]]></description>
			<pubDate>Tue, 27 Oct 2009 15:54:02 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Cost drivers warmtelevering in Nederland]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/cost_drivers_warmtelevering_in_nederland/975</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/cost_drivers_warmtelevering_in_nederland/975</guid>
			<description><![CDATA[Naar verwachting treedt in 2010 de Warmtewet in werking. Doel van de Warmtewet is waarborgen dat verbruikers verzekerd zijn van warmtelevering tegen redelijke prijzen en voorwaarden.

De Energiekamer (onderdeel van de Nederlandse Mededingingsautoriteit) wordt verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de Warmtewet. De Energiekamer zal onder andere beleidsregels gaan vaststellen waarin wordt bepaald aan welke voorwaarden een redelijke prijs voor warmtelevering moet voldoen. Om het toezicht op de naleving van de Warmtewet goed te kunnen uitoefenen, heeft de Energiekamer aan CE Delft gevraagd twee onderzoeken uit te voeren: (1) het in kaart brengen van de warmtenetten, -leveranciers, - producenten en warmtetarieven in Nederland en (2) inzicht verschaffen in de belangrijkste cost drivers van warmtelevering. 

Warmtenetten in Nederland (marktanalyse)
Warmtelevering vindt in Nederland in vele soorten en maten plaats; van grootschalige warmtenetten met tienduizenden aangesloten verbruikers tot kleinschalige netten met slechts een handvol verbruikers. In samenwerking met de betrokken energiebedrijven en organisaties als SenterNovem heeft CE Delft een overzicht gemaakt van alle warmtenetten in Nederland.

In het overzicht is een onderscheid gemaakt tussen grootschalige netten (meer dan 5.000 aangesloten verbruikers) en kleinschalige netten (minder dan 5.000 aangesloten verbruikers). Er zijn dertien grootschalige netten met ongeveer 227.000 aangesloten verbruikers. Op deze grootschalige warmtenetten wordt warmte geleverd door de grote energiebedrijven (waaronder Eneco, Essent en Nuon). Daarnaast leveren zij ook de warmte voor ongeveer 300 kleinschalige warmtenetten. De overige kleinschalige warmtenetten, ongeveer 6.600, zijn eigendom van woningcorporaties, verenigingen van eigenaren (VvE&amp;rsquo;s), projectontwikkelaars en overige partijen. In totaal zijn 336.000 verbruikers aangesloten op een kleinschalig warmtenet.

De warmtetarieven die de grote energiebedrijven in rekening brengen aan consumenten zijn hoofdzakelijk gebaseerd op het NMDA-tariefadvies van EnergieNed. De tarieven van de overige warmteleveranciers (woningcorporaties, VvE&amp;rsquo;s, etc.) worden veelal berekend door warmtekostenverdeelfirma&amp;rsquo;s en zijn gebaseerd op de gemaakte kosten voor de levering van warmte.

De belangrijkste productiebronnen van warmte voor de grootschalige warmtenetten zijn warmtekrachtcentrales (gas) en elektriciteitscentrales (gas en kolen). Een beperkt deel wordt duurzaam ingevuld. Kleinschalige warmtenetten hebben een grote diversiteit aan warmtebronnen, van warmtekrachtcentrales/koppelingen en conventionele ketels tot warmte/koude-opslag en collectieve zonneboilers.

Cost drivers warmtelevering in Nederland
In dit tweede onderzoek van CE Delft wordt verschil gemaakt tussen factoren (cost drivers) die van invloed zijn op de leveringsonafhankelijke kosten en de leveringsafhankelijke kosten van warmteleveranciers. Leveringsonafhankelijke kosten hebben geen (directe) relatie met het aantal geleverde GJ aan warmte; leveringsafhankelijke kosten nemen (evenredig) toe naarmate er meer warmte geleverd wordt. 

Uit het onderzoek blijkt dat de belangrijkste cost drivers voor de leveringsonafhankelijke kosten van warmteleveranciers worden gevormd door de omvang van het warmtenet, de leeftijd van het warmtenet en historische aanschafprijzen (kosten voor loon en materiaal ten tijde van de initi&amp;euml;le investering). De omvang van de leveringsafhankelijke kosten (inkoop van warmte bij de producent) wordt met name be&amp;iuml;nvloed door de herkomst van de warmte (type warmtebron), afspraken over kostenverdelingen tussen warmteleverancier en -producent en de aard en omvang van de warmtelevering.

De rendementen die warmteleveranciers rapporteren, lopen per warmtenet behoorlijk uiteen; van -11 tot 23 % voor grootschalige warmtenetten en van -258 tot 7 % voor kleinschalige warmtenetten. Warmteleveranciers die daarvoor de mogelijkheid hebben, kiezen vaak voor een portefeuillebenadering om verliesgevende warmtenetten met winstgevende warmtenetten te compenseren.&amp;nbsp; ]]></description>
			<pubDate>Tue, 27 Oct 2009 15:54:18 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[IPO Routekaart Warmte]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/ipo_routekaart_warmte/925</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/ipo_routekaart_warmte/925</guid>
			<description><![CDATA[Er kan veel energie bespaard worden door het beter benutten van industri&amp;euml;le restwarmte, warmte/koudeopslag en geothermie. In het Klimaatakkoord hebben IPO (Interprovinciaal Overleg) en Rijk afspraken gemaakt om voor 2020 50 PJ van het potentieel te gaan realiseren. Het blijkt in de praktijk echter vaak complex om projecten van de grond te krijgen.

Het IPO heeft daarom CE Delft gevraagd om in beeld te brengen welke rollen provincies hierin het beste kunnen vervullen. het project hebben we als eerste alle bestaande &amp;eacute;n kansrijke locaties voor warmtelevering in kaart gebracht. Daarna hebben we door gesprekken met provincies en stakeholders knelpunten en mogelijke oplossingrichtingen ge&amp;iuml;nventariseerd.

Het blijkt dat de rol van de provincies liggen vooral in de &amp;lsquo;initiatieffase&amp;rsquo;: onder andere door systematisch kansrijke locaties in kaart te brengen, en projecten een eerste zet te geven door de relevante partijen bij elkaar te brengen. Vanuit het Rijk heeft warmtebenutting veel meer aandacht gekregen, onder andere via de oprichting van het Expertisecentrum Warmte. Aanvullend hierop het gewenst dat het Rijk regelgeving aanpast, vooral voor grondwater (waterwet), diepe ondergrond (mijnwet) en restwarmte, zodat provincies en anderen echt kunnen sturen op effectieve benutting van het warmte- en koudepotentieel.

Het IPO gebruikt de resultaten van het project bij het maken van afspraken over de uitvoering bij het Klimaatakkoord Rijk-IPO.]]></description>
			<pubDate>Wed, 16 Feb 2011 15:03:06 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Warmlopen voor warmte]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/warmlopen_voor_warmte/875</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/warmlopen_voor_warmte/875</guid>
			<description><![CDATA[Een collectief warmtenet in Stadsgewest Haaglanden kan leiden tot substanti&amp;euml;le CO2-reductie in de regio. Potenti&amp;euml;le schattingen geven aan dat de jaarlijkse CO2-reductie kan oplopen tot 130-190 kton CO2 in 2020. Verder levert een collectief warmtenet een positieve bijdrage aan de luchtkwaliteit en de voorzienings-zekerheid en biedt het goede mogelijkheden voor verduurzaming van de energievoorziening. Recent onderzoek van Gemeentewerken Rotterdam en ervaringen uit het verleden leren echter dat een regionaal warmtenet niet eenvoudig te realiseren is, omdat daarmee grote financi&amp;euml;le investeringen zijn gemoeid. Vooral aan het benutten van warmtebronnen zoals industri&amp;euml;le restwarmte, diepe aardwarmte (via geothermie) en warmte uit kassen hangen grote exploitatierisico&amp;rsquo;s, terwijl juist deze bronnen voor substanti&amp;euml;le CO2-reductie kunnen zorgen. Deze risico&amp;rsquo;s zijn echter beperkt als er een onmiddellijke afzet van warmte mogelijk is. Dat was een belangrijke reden voor bestuurders om de kip en het ei om te keren: waar in het verleden vooral accent werd gelegd op het bedrijfsklaar maken van deze grootschalige warmtebronnen (zoals industri&amp;euml;le restwarmte en diepe aardwarmte), is nu het voornemen om eerst een substanti&amp;euml;le warmtevraag te ontwikkelen alvorens deze warmtebronnen te exploiteren. Gezien bovengenoemde voordelen is het van belang om draagvlak voor een collectief warmtenet in Stadsgewest Haaglanden te realiseren. In deze notitie is een eerste operationele strategie beschreven voor de ontwikkeling van een collectief warmtenet. Daarnaast is in de notitie een concreet bestuurlijk stappenplan beschreven, om te komen tot dit doel. Belangrijke eerste stappen daarin zijn het oprichten van een &amp;lsquo;Stuurgroep Warmtebenutting Haaglanden&amp;rsquo; en het opstellen van een zogenoemd &amp;lsquo;Contract voor Warmte&amp;rsquo; waarin betrokken gemeenten zich commit-teren aan het ontwikkelen van een regionaal warmtenet.]]></description>
			<pubDate>Wed, 16 Feb 2011 15:04:14 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[EPL Monitor 2008]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/epl_monitor_2008/931</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/epl_monitor_2008/931</guid>
			<description><![CDATA[Sinds 1999 wordt de EPL-monitor met enige regelmaat opgesteld, voor zowel de nieuwbouwlocaties als de herstructureringslocaties. De EPL is een maat voor de CO2-emissie op een woningbouwlocatie. In 2008 is de EPL-monitor opnieuw opgesteld. In totaal is de EPL bepaald van ruim 80 nieuwbouwlocaties en van circa 50 herstructureringslocaties. Ook is schriftelijk nagegaan welke rol de gebiedsgerichte aanpak van SenterNovem heeft gespeeld bij bovenwettelijke energiebesparing op woningbouwlocaties. De respondenten waren tevreden over deze steun en in veel gevallen heeft deze aanpak bijgedragen aan extra energiebesparing.]]></description>
			<pubDate>Wed, 16 Feb 2011 15:05:19 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Transitiestrategie Elektriciteit en Warmte]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/transitiestrategie_elektriciteit_en_warmte/859</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/transitiestrategie_elektriciteit_en_warmte/859</guid>
			<description><![CDATA[Het Regieorgaan Energietransitie heeft een strategie uitgedacht voor de verduurzaming van elektriciteit en warmte/koude. De strategie behelst: a Maximaal besparen. b Voorrang voor hernieuwbaar vermogen en energiezuinige warmtekracht. c Daardoor neemt de ruimte voor nieuwe basislast (&amp;lsquo;must-run&amp;rsquo;-vermogen) af. d En neemt de behoefte aan snel regelbaar flexibel gasvermogen toe. e &amp;lsquo;Gas&amp;rsquo; kan aanvankelijk aardgas zijn, in toenemende mate kan kolengas en biogas worden gebruikt. CE Delft en Jan Paul van Soest Advies voor Duurzaamheid (JPvS) hebben in het rapport deze strategie nader onderbouwd en getoetst op robuustheid. Daarbij is tevens gebruik gemaakt van een reeks simulatieberekeningen van de TU Delft. Uit die berekeningen blijkt dat must-run basislastvermogen en hernieuwbaar vermogen elkaar in de weg zitten in het Noordwest Europese elektriciteitssysteem. Bij volledig uitrollen van het kabinetsplan Schoon en Zuinig is de ruimte voor (nieuw) basislastvermogen zeer gering. Het wisselende aanbod van hernieuwbare energie, in het bijzonder windenergie, is goed in het elektriciteitssysteem in te passen via snel regelbaar gasgestookt vermogen. Op relatief korte termijn (tot ca 2020-2025) is dit de enige re&amp;euml;le route voor inpassing van wind.]]></description>
			<pubDate>Wed, 16 Feb 2011 15:03:29 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Configuraties en optimalisaties van het warmtenet in Amsterdam]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/configuraties_en_optimalisaties_van_het_warmtenet_in_amsterdam/809</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/configuraties_en_optimalisaties_van_het_warmtenet_in_amsterdam/809</guid>
			<description><![CDATA[Amsterdam heeft onlangs ambitieuze klimaatdoelstellingen gesteld en een belangrijk speerpunt om deze doelstellingen te realiseren is stadsverwarming. Strategisch overleg over de toepassing van warmte tussen de gemeente en de marktpartijen vindt regelmatig plaats, met name als er grootschalige nieuwbouw en herstructureringsprojecten op de rol staan. De gemeente heeft behoefte aan inhoudelijke ondersteuning op het gebied van warmte en heeft in dat kader CE Delft gevraagd achtergronddocumentatie daarvoor op te stellen. Dit rapport is daar het resultaat van; daarin wordt ingegaan op de kenmerken van de huidige stadsverwarming, op de CO2-reductie, op de voordelen van een hoefijzernet en op de innovatiemogelijkheden om de milieuwinst te verbeteren. Het rapport eindigt ten slotte met een managementsamenvatting, waarin de visie van CE Delft op stadsverwarming in Amsterdam is geformuleerd.]]></description>
			<pubDate>Wed, 16 Feb 2011 15:06:52 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Marktverkenning decentraal WKK-vermogen]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/marktverkenning_decentraal_wkk-vermogen/781</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/marktverkenning_decentraal_wkk-vermogen/781</guid>
			<description><![CDATA[TenneT heeft haar Kwaliteits- en Capaciteitsplan voor de periode 2008-2014 opgesteld. Hiervoor wilde TenneT een goed beeld hebben van de ontwikkeling van het decentrale WKK-vermogen en het gebruik hiervan. CE Delft heeft hiervoor een verkenning uitgevoerd op basis van eigen expertise en ervaring en interviews met enkele relevante actoren. De uitkomsten zijn vertaald naar vier scenariobeelden die TenneT standaard hanteert in haar plannen. Binnen deze scenario's varieert de toename van het WKK-vermogen over de periode 2008-2014 van 1.500 MWe tot 3.300 MWe. Dit betekent dat het totale WKK-vermogen blijft onder de door de overheid gewenste groei. Met gericht aanvullend stimuleringsbeleid is het beoogde niveau wel realiseerbaar, tot een maximum van 7.000 MWe aan nieuw WKK-vermogen, maar dan wordt voorbijgegaan aan de kosteneffectiviteit hiervan.]]></description>
			<pubDate>Fri, 08 Oct 2010 11:41:09 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
			</channel>
</rss>

