<?xml version="1.0" encoding="ISO-8859-1" ?>
<rss version="2.0" xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom">
  	<channel>
    	<title>CE Delft - Energiebeleid</title>
		<copyright>Copyright (c) 2012, CE Delft</copyright>
		<link>http://www.ce.nl/ce/rapporten/114/</link>
        <atom:link href="http://www.cedelft.nlindex.php?go=home.showRapportenRSS&amp;pagenr=93" rel="self" type="application/rss+xml" />
		<language>nl</language>
		<description>CE Delft Rich Site Summary</description>
		<webMaster>webmaster@ce.nl (Webmaster)</webMaster>
		        
		<item>
			<title><![CDATA[MetropoolRegio Amsterdam: route naar energieneutraliteit]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/metropoolregio_amsterdam%3A_route_naar_energieneutraliteit/1172</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/metropoolregio_amsterdam%3A_route_naar_energieneutraliteit/1172</guid>
			<description><![CDATA[De MetropoolRegio Amsterdam (MRA) is een platform van lokale en regionale overheden in het noordelijke deel van de Randstad. In totaal doen 36 gemeenten, de stadsregio Amsterdam en de provincies Noord-Holland en Flevoland mee aan dit platform. De MRA heeft de gezamenlijke ambitie om in 2040 als regio energieneutraal te zijn, dat wil zeggen dat de hoeveelheid energie die in de regio gebruikt wordt ook in dezelfde regio duurzaam wordt opgewekt. De Routekaart laat zien hoe die ambitie gerealiseerd kan worden.

Allereerst is daarvoor het huidig energiegebruik in de regio in kaart gebracht. De mogelijkheden voor energiebesparing en voor opwekking van duurzame energie zijn vervolgens bepaald, en gesorteerd op kosteneffectiviteit. Ook de economische en werkgelegenheidseffecten worden daarbij besproken. Als de ambitie wordt gerealiseerd bedragen de uitgespaarde uitgaven aan fossiele energie in de regio drie miljard Euro per jaar.

De ambitie is haalbaar, maar ook is duidelijk gemaakt dat er nog veel moet gebeuren. Draagvlak onder burgers en bedrijven is daarbij een belangrijk onderdeel. In de opgestelde Routekaart is uitgewerkt welke stappen op korte en langere termijn gezet moeten gaan worden, en door welke partijen. Daarbij ligt de focus op onderdelen waarbij de samenwerking in MRA-verband duidelijke meerwaarde heeft of zelfs noodzakelijk is. Onderdeel van de Routekaart is ook een gezamenlijke lobbyagenda, gericht op het Rijk en de EU. In de beschreven icoonprojecten kan de MRA de meerwaarde van de samenwerking expliciet tonen aan de samenleving.]]></description>
			<pubDate>Tue, 13 Sep 2011 10:26:00 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[IPO Nationale Routekaart Restwarmte]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/ipo_nationale_routekaart_restwarmte/1164</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/ipo_nationale_routekaart_restwarmte/1164</guid>
			<description><![CDATA[In het Klimaat- en Energieakkoord tussen de provincies en het Rijk geven de provincies onder andere aan hoe zij een bijdrage leveren aan de reductie van de CO2-uitstoot, energiebesparing en de toename van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen. E&amp;eacute;n van de uitwerkingen hiervan is het in kaart brengen van de mogelijkheden voor de maximale benutting van restwarmte.

Met behulp van de recent gepubliceerde Warmteatlas van het Nationaal Expertisecentrum Warmte (NEW) van Agentschap NL, is een quickscan gemaakt van het potentieel aan restwarmte dat per provincie beschikbaar is. Met enige kanttekeningen kan worden aangenomen dat de ordegrootte van het restwarmtepotentieel in Nederland ligt rond de 100 PJ per jaar, ongeveer een derde van het huidige warmteverbruik van de Nederlandse huishoudens. Hiervan blijkt ongeveer 57 PJ restwarmte nuttig ingezet kan worden voor warmtelevering aan huishoudens. Genoeg voor 1,2 miljoen huishoudens en een CO2-reductie van 3.200 kton.

De provincies van Nederland verschillen z&amp;eacute;&amp;eacute;r sterk. Zowel in restwarmteaanbod en -vraag, als in de rolopvatting en de beleidsinbedding van restwarmte. Niet iedere provincie hoeft zich evenveel in te zetten voor restwarmte of heeft de middelen om projecten te financieren. Het is dan ook niet mogelijk om &amp;eacute;&amp;eacute;n generieke set met beleidsaanbevelingen op te stellen, waarmee het succesvol benutten van restwarmte gegarandeerd is. 

Voor alle provincies is een specifieke set van aanbevelingen opgesteld en voor alle provincies tezamen de IPO Nationale Routekaart Restwarmte (NRR). Hierin staat een aantal concrete aanbevelingen voor de provincies, Agentschap NL en de Rijksoverheid. Deze aanbevelingen dienen de grootste belemmering weg te nemen op het vlak van wet- en regelgeving en te faciliteren in het eenvoudiger bewerkstellen van restwarmteprojecten in de provincies.


    
        
            
            
            Warmtevraag totaal 
            (TJ)
            
            Warmtevraag beschikbaar 
            (TJ)
            
            Warmte-aanbod
            (TJ)
            
            Benuttings-
            potentieel
            (TJ)
            
            Benuttings-potentieel (woningen)
            
            CO2-
            reductie (kton)
            
        
        
            Zuid-Holland
            63.585
            50.159
            25.325
            13.782
            297.000
            780
        
        
            Gelderland
            42.391
            42.007
            16.900
            9.829
            211.000
            556
        
        
            Limburg
            26.144
            35.581
            14.300
            7.317
            157.000
            414
        
        
            Noord-Brabant
            52.886
            28.174
            14.113
            8.063
            173.000
            456
        
        
            Groningen
            13.027
            13.979
            7.713
            2.144
            46.000
            121
        
        
            Noord-Holland
            54.510
            16.280
            7.225
            5.876
            126.000
            333
        
        
            Zeeland
            8.004
            13.975
            5.950
            1.783
            38.000
            101
        
        
            Overijssel
            23.578
            4.888
            3.375
            3.059
            66.000
            173
        
        
            Drenthe
            11.635
            6.051
            3.188
            1.814
            39.000
            103
        
        
            Utrecht
            24.473
            4.231
            2.113
            2.000
            43.000
            113
        
        
            Friesland
            14.349
            4.178
            1.650
            550
            12.000
            31
        
        
            Flevoland
            6.192
            4.070
            750
            750
            16.000
            42
        
        
            Totaal
            340.776
            223.572
            102.600
            56.967
            1.224.000
            3.224
        
    

Disclaimer: Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van gegevens uit de Warmteatlas van Agentschap NL. Agentschap NL stelt dat de gegevens niet geschikt zijn voor kwantitatieve berekeningen. De bruikbaarheid van deze gegevens is dan ook gelimiteerd tot het identificeren van mogelijk aanwezige kansen, wat tevens het doel van dit onderzoek is. De volledige disclaimer van de Warmteatlas is terug te vinden op www.warmteatlas.nl.]]></description>
			<pubDate>Fri, 19 Aug 2011 10:18:01 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[The Accountability of European Renewable Energy and Climate Policy ]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/the_accountability_of_european_renewable_energy_and_climate_policy_/1144</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/the_accountability_of_european_renewable_energy_and_climate_policy_/1144</guid>
			<description><![CDATA[CE Delft heeft de potenti&amp;euml;le gevolgen onderzocht van het niet halen van de Europese doelstellingen op het gebied van hernieuwbare energie en klimaat in 2015 en 2020. Meer in het bijzonder heeft CE Delft gekeken naar (1) de mate waarin de diverse Europese energie- en klimaatdoelstellingen &amp;lsquo;robuust&amp;rsquo; zijn, d.w.z. gekenmerkt door bindende resultatenverplichtingen voor de lidstaten, waarover verantwoording moet worden afgelegd (2) risico&amp;rsquo;s die van invloed zijn op de waarschijnlijkheid dat de doelstellingen niet worden behaald, (3) de sancties die de Europese Commissie mogelijk zou kunnen treffen in het geval van het niet behalen van de doelstellingen, en (4) de vermoedelijke afschrikkende werking van dergelijke sancties. 

De belangrijkste conclusies van de analyse zijn als volgt:

    Vrijwel alle Europese hernieuwbare energie- en klimaatdoelstellingen zijn geformuleerd als voor lidstaten bindende resultatenverplichtingen. Dit geldt echter niet voor de doestellingen op het gebied van energiebesparing en energie-effici&amp;euml;ntie, ook al hebben lidstaten een wettelijk verplichting hiervoor (kosteneffectieve) maatregelen te treffen.
    Om hun nationale hernieuwbare energiedoelstellingen te halen zullen lidstaten hun inspanningen moeten opvoeren, vooral om de effici&amp;euml;ntie van het eindenergieverbruik te verbeteren. De Europese Commissie heeft tot nu toe geen indicatie gegeven van haar waardering van de kwaliteit (verwachte effectiviteit) van de door lidstaten voorgestelde maatregelen ter(verdere) stimulering van hernieuwbare energieopwekking en -verbruik.
    Lidstaten die er niet in slagen hun hernieuwbare energie- of klimaatdoelstellingen te halen, kunnen een geldelijke sanctie krijgen opgelegd, in de vorm van een eenmalige boete en/of een dwangsom. De hoogte hiervan zal afhangen van (a) de ernst van de overtreding, (b) de duur daarvan, en (c) de beoogde afschrikkende werking. Het is vooralsnog onbekend of, en onder welke omstandigheden, de Commissie gebruik zal maken van haar bevoegdheid sancties te treffen. Als ze ervoor kiest deze bevoegdheid op zeker moment te gebruiken, zal ze echter op tijdige en transparante wijze moeten aangeven dat er onvoldoende inspanningen zijn geleverd om aan de verplichtingen te voldoen.
    Het is onduidelijk hoe de afschrikkende werking van een eventuele sanctie zich zou verhouden tot de voordelen van het niet nakomen van de afgesproken doelstellingen, in termen van zowel kostenbesparingen als het geldelijk voordeel van het verkiezen van &amp;lsquo;goedkopere&amp;rsquo; fossiele brandstoffen voor elektriciteitsopwekking. Door aanvullend onderzoek kan meer inzicht worden verkregen in de grootte en type sanctie die vereist zijn om als voldoende prikkel voor lidstaten te dienen om hun doelstellingen te behalen. Als onvoldoende stappen worden ondernomen, zou dit de (interne) markt kunnen schaden, bijvoorbeeld wanneer land A de doelstellingen als bindend beschouwt (met navenante investeringen), terwijl land B ervoor kiest ze niet zo op te vatten, omdat dit als economisch voordeliger wordt beschouwd.
]]></description>
			<pubDate>Wed, 04 May 2011 10:26:42 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[200-200 in 2020. Overzicht van het warmtepotentieel in Nederland]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/200-200_in_2020._overzicht_van_het_warmtepotentieel_in_nederland/1109</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/200-200_in_2020._overzicht_van_het_warmtepotentieel_in_nederland/1109</guid>
			<description><![CDATA[De vraag naar warmte bedraagt op dit moment ongeveer 40% van de totale energievraag in Nederland. Met name de gebouwde omgeving, industrie (inclusief energiesector) en de glastuinbouw bepalen in Nederland deze hoge warmtevraag. Deze sectoren hebben allen een verschillend vraagprofiel en verschillende mogelijkheden als het gaat om warmtebesparing en duurzame warmte. CE Delft heeft voor het Warmtenetwerk een literatuurstudie uitgevoerd om in kaart te brengen wat de technische besparingsopties zijn voor deze sectoren en welke warmtevraag duurzaam ingevuld kan worden.

Uit verschillende studies blijkt, dat zonder aanvullend beleid, de warmtevraag in de komende tien&amp;nbsp;jaar&amp;nbsp;niet of nauwelijks verandert. De mogelijkheden om hier verandering in aan te brengen zijn echter legio. Deze studie laat zien dat besparingen op het gebied van warmte een technisch potentieel heeft van bijna 300 PJ in 2020. De belangrijkste maatregelen zijn:

    isolatiemaatregelen in de gebouwde omgeving
    procesverbetering in de industrie
    restwarmtelevering van elektriciteitsproductie en afvalverbranding
    warmtekrachtkoppelingen

Ook de duurzame opties hebben voor het zichtjaar 2020 een potentieel van bijna 300 PJ. Het gaat hierbij vooral om:

    geothermie in de glastuinbouw en gebouwde omgeving;
    biogas voor bio-WKK of groengas;
    WKO/warmtepompen in de gebouwde omgeving;
    warmte uit biomassa (bio-ketels) voor de glastuinbouw en industrie.

Hoewel de technische potenti&amp;euml;len van warmtebesparing en duurzame warmte elkaar weinig ontlopen, is wel een verschil zichtbaar in de kosteneffectiviteit van beide opties. Waar bij warmtebesparing bijna 200 PJ kosteneffectief in te vullen is, geldt dat voor de duurzame opties maar zeer beperkt. Echter, voor een meerprijs van 10 &amp;euro;/GJ is deze 200 PJ duurzame warmte echter wel haalbaar. In vergelijking met duurzame elektrische opties (wind op zee en land en photovolta&amp;iuml;sch) lijkt een sterke inzet op warmtebesparing en duurzame warmte dan ook een logische keuze, zowel economisch als voor het potentieel.&amp;nbsp;]]></description>
			<pubDate>Wed, 15 Dec 2010 12:15:34 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energie in vergunningverlening en handhaving]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energie_in_vergunningverlening_en_handhaving/1084</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energie_in_vergunningverlening_en_handhaving/1084</guid>
			<description><![CDATA[CE Delft heeft in 2009 met de VROM Inspectie onderzocht hoe gemeenten het onderwerp &amp;lsquo;energiebesparing&amp;rsquo; meenemen bij de uitvoering van de Wet milieubeheer. Het onderzoek richtte zich op de bedrijven die vallen onder een convenant voor energiebesparing, maar daar niet actief aan deelnemen. De vraag was of die bedrijven tenminste vergelijkbare eisen krijgen opgelegd, als waar bedrijven aan voldoen die actief deelnemen aan het convenant. 
In totaal zijn bij 30 gemeenten dossiers doorgelicht van in totaal 121 bedrijven. Het onderzoek toont aan dat de meeste van deze gemeenten niet voldoende aandacht geven aan het onderwerp. Op basis van het onderzoek zijn aanbevelingen opgesteld. Deze geven Rijk en gemeenten een handvat om energiebesparing via de Wet milieubeheer effectiever uit te gaan voeren.]]></description>
			<pubDate>Tue, 01 Mar 2011 13:42:25 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Sustainable urban (re)development ]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/sustainable_urban_%28re%29development_/1092</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/sustainable_urban_%28re%29development_/1092</guid>
			<description><![CDATA[De sterke mate van urbanisatie, in grote delen van de wereld, vereist een adequate respons qua stedelijke ontwikkeling. Dit antwoord kan gevonden worden in het moderne concept van duurzame stedelijke (her)ontwikkeling, dat op een doeltreffende wijze ruimtelijke planning, sociaaleconomische stimuli en ecologische antwoorden integreert. Deze studie verschaft beleidsmakers inzicht in en krachtige voorbeelden van duurzame stedelijke (her)ontwikkeling en in onderliggende strategie&amp;euml;n.
Op basis van vele eerdere exercities, zijn relevante indicatoren en parameters verzameld, geclusterd en vervat in een raamwerk. 

Zes steden zijn geselecteerd en geanalyseerd: Amsterdam, Kopenhagen, Ottawa, Rotterdam, San Francisco en Vancouver. Hoofdreden om deze steden te selecteren is dat het project onderdeel vormt van een &amp;ldquo;Memorandum of Understanding&amp;rdquo; tussen Canada en Nederland. Een andere reden is dat deze steden worden beschouwd als koplopers en voorbeelden met betrekking tot duurzame stedelijke (her)ontwikkeling. De analyses van de steden zijn alleen bedoeld om een beter begrip te krijgen voor de effectiviteit van de duurzame stedelijke (her)ontwikkeling strategie&amp;euml;n in het algemeen en niet om de steden te beoordelen of onderling te rangschikken op welke manier dan ook.
De steden tonen interessante overeenkomsten en verschillen in hun benaderingen en unieke pilot projecten, die uitgewerkt worden in het rapport.
&amp;nbsp;
&amp;nbsp;]]></description>
			<pubDate>Thu, 09 Sep 2010 10:11:21 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Net voor de Toekomst]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/net_voor_de_toekomst/1192</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/net_voor_de_toekomst/1192</guid>
			<description><![CDATA[Gas- en elektriciteitsnetten zijn een belangrijke randvoorwaarde voor verduurzaming en energiebesparing. Om de verduurzaming in goede banen te leiden hebben de netbeheerders daarom in het rapport &amp;lsquo;Net voor de Toekomst&amp;rsquo; de op stapel staande veranderingen en de impact daarvan op de netten in kaart gebracht. Uit het rapport blijkt vooral dat onzekerheid rond het tempo en de vorm waarin de verduurzaming plaats vindt, het lastig maakt om toekomstbestendig te investeren. Netbeheer Nederland pleit daarom voor een ketenbenadering in de energievoorziening waarbij netbeheerders in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken zijn bij de ontwikkeling van nieuwbouwgebieden om zo energieoptimale oplossingen aan te kunnen bieden. Daarnaast kunnen netbeheerders met hun ervaring en expertise een belangrijke rol vervullen als aanjager van nieuwe ontwikkelingen en door innovatieve projecten het gas- en elektriciteitsnet zo optimaal mogelijk in te richten en af te stemmen op de toekomstige energievoorziening in Nederland.

Hoe en in welk tempo de verduurzaming vorm gaat krijgen staat nog allerminst vast. Welke rol in onze toekomstige Nederlandse energievoorziening krijgt duurzame productie met windturbines, zonnepanelen, inzet van biomassa en groen gas en energiebesparende technieken als warmtepompen, elektrisch vervoer en thuiscentrales die zowel warmte als elektriciteit produceren?&amp;nbsp;

Een net dat wordt aangelegd gaat wel voor enkele tientallen jaren in de grond. Om de juiste investeringsbeslissingen bij de aanleg en vervanging voor de netten te kunnen nemen willen netbeheerders meer duidelijkheid proberen te krijgen. Verkeerde beslissingen kunnen er toe leiden dat het net een beperkende factor van de verduurzaming wordt omdat het bepaalde ontwikkelingen niet aan kan. Maar ongebreideld investeren in netten om alle denkbare ontwikkelingen mogelijk te maken is uit kostenoverwegingen eveneens maatschappelijk ongewenst.&amp;nbsp;

Netbeheer Nederland heeft daarom samen met CE Delft de impact van de verduurzaming op de netten in kaart gebracht in het rapport &amp;lsquo;Net voor de Toekomst&amp;rsquo;. Hierin wordt een overzicht gegeven welke ontwikkelingen tot 2050 zijn te verwachten, welke zekerheden en onzekerheden hiermee voor de netten gepaard gaan.&amp;nbsp;]]></description>
			<pubDate>Wed, 02 Nov 2011 11:24:10 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Halvering CO2-emissie in de gebouwde omgeving]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/halvering_co2-emissie_in_de_gebouwde_omgeving/1075</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/halvering_co2-emissie_in_de_gebouwde_omgeving/1075</guid>
			<description><![CDATA[De komende tijd zal een knoop doorgehakt moeten worden over effectieve beleidsinstrumenten voor de gebouwde omgeving (GO). Voor het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft CE Delft onderzoek gedaan naar mogelijke instrumenten voor de gebouwde omgeving. Het doel van het onderzoek was om te onderbouwen wat de mogelijkheden en de beperkingen zijn van negen potenti&amp;euml;le beleidsinstrumenten die gericht zijn op forse CO2-reductie (minimaal 50% in 2030 ten opzichte van 1990) in de gebouwde omgeving. 
Naast een analyse van de knelpunten die energiebesparing in de weg staan zijn beleidsinstrumenten van subsidiering tot CO2-taks beschreven en geanalyseerd. Hierbij is zowel naar (maatschappelijke en directe) kosten gekeken, maar ook naar doelbereiking en uitvoerbaarheid. De hardheid van deze negen instrumenten varieert en daarmee ook de impact die het heeft op maatschappelijk vlak, bestuurlijk vlak en de doelbereiking. De toegepaste beoordelingsmethodiek is enerzijds gestoeld op een analyse van eerder onderzoek: wat kan op basis van (empirisch) onderzoek vrij zeker worden vastgesteld. Anderzijds is door middel van digitale enqu&amp;ecirc;tes nagegaan wat de heersende meningen onder de experts zijn ten aanzien van deze instrumenten.]]></description>
			<pubDate>Tue, 20 Jul 2010 12:15:56 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Technologische ontwikkelingen in EuropaEen langetermijnvisie op CO2-effici&#235;nte productie in de Europese regio]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/technologische_ontwikkelingen_in_europa%3Cbr%3Eeen_langetermijnvisie_op_co2-effici+en+%23235%3Bnte_productie_in_de_europese_regio/1115</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/technologische_ontwikkelingen_in_europa%3Cbr%3Eeen_langetermijnvisie_op_co2-effici+en+%23235%3Bnte_productie_in_de_europese_regio/1115</guid>
			<description><![CDATA[Technologische innovatie is een onmisbaar onderdeel van inspanningen om een significante vermindering van CO2-emissies te bereiken. In deze ori&amp;euml;nterende studie in opdracht van CAN Europe wordt door CE Delft geanalyseerd in hoeverre het waarschijnlijk is dat nu in ontwikkeling zijnde innovaties in de Europese staal-, cement- en papierindustrie zullen leiden tot een reductie van 80-95% van CO2-emissies in 2050: de Europese klimaatdoelstelling voor de lange termijn. Het rapport gaat in op maatregelen die verband houden met energieverbruik, wijzigingen aan productieprocessen en gebruik van CCS, het afvangen en opslaan van CO2.

Op basis van de beschikbare informatie zijn in deze sectoren een aantal technologie&amp;euml;n ge&amp;iuml;dentificeerd die met betrekking tot CO2-effici&amp;euml;ntie veelbelovend zijn. Naar het er uitziet, kunnen deze potentieel leiden tot significant lagere CO2-emissies per eenheid product, vergeleken met de huidige gemiddelde Europese productie-eenheid.

De meeste van deze technologie&amp;euml;n zijn momenteel in een vroege, experimentele fase van ontwikkeling en zullen waarschijnlijk pas tussen 2020 en 2030 commercieel beschikbaar worden. In de toekomst kunnen ook andere veelbelovende technologie&amp;euml;n naar voren komen die op het ogenblik niet serieus worden ontwikkeld, zoals elektrolyse in de staalsector en innovatieve droogtechnieken in de papierindustrie. Geslaagde invoering van de aangewezen technologie&amp;euml;n vereist van beleidsmakers dat ze:&amp;nbsp;

    De verdere technische ontwikkeling ondersteunen, bijvoorbeeld door het beschikbaar stellen van aanvullende fondsen voor O&amp;amp;O&amp;nbsp;
    Voor CO2-arme technologie&amp;euml;n gunstige marktvoorwaarden scheppen, onder andere door een meer geschikte opzet van het EU ETS

De meeste van deze technologie&amp;euml;n steunen tenslotte zwaar op CCS, hetgeen leidt tot een prioriteitsprobleem. Omdat de CO2-opslagcapaciteit die aan veiligheidsvereisten voldoet beperkt lijkt te zijn, rijst de vraag of deze voor de industrie gereserveerd zou moeten worden in plaats van voor de energiesector (kolen), waar alternatieve maatregelen om CO2-emissies te verminderen voorhanden lijken te zijn.&amp;nbsp;&amp;nbsp;]]></description>
			<pubDate>Tue, 04 Jan 2011 21:04:26 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Achtergrondgegevens Stroometikettering 2009]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/achtergrondgegevens_stroometikettering_2009/1076</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/achtergrondgegevens_stroometikettering_2009/1076</guid>
			<description><![CDATA[Sinds 1 januari 2005 is etikettering van de herkomst van elektriciteit verplicht in Nederland. CE Delft heeft de mix van de elektriciteit die in Nederland in 2009 geleverd is vastgesteld. De Nederlandse leveringsmix bestaat uit elektriciteit opgewekt uit aardgas (ruim 50%), kolen (18%), kernenergie (5%) en groene stroom (21%). De milieuconsequenties uitgedrukt in termen van CO2 en radioactief afval zijn respectievelijk 364 g CO2/KWh en 0,00014 g kernafval/KWh.]]></description>
			<pubDate>Wed, 04 Aug 2010 12:23:48 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Grenzen aan groen? Bouwstenen voor een groen belastingstelsel]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/grenzen_aan_groen_bouwstenen_voor_een_groen_belastingstelsel/1015</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/grenzen_aan_groen_bouwstenen_voor_een_groen_belastingstelsel/1015</guid>
			<description><![CDATA[In dit rapport staat de vraag centraal of een verdere groei van milieubelastingen een bijdrage kan leveren aan het realiseren van een duurzame economie. Een duurzame economie betekent in het kader van dit onderzoek dat klimaat- en uitputtingsrisico&amp;rsquo;s tot een aanvaardbaar niveau moeten zijn teruggebracht voor 2050. 
De strategie om dit te bereiken bestaat uit vier belangrijke elementen:&amp;nbsp;&amp;nbsp;

    Introductie van een nieuwe CO2-heffing als onderdeel van de Energiebelasting.
    Verbreding van de Energiebelasting naar sectoren zoals landbouw en industrie en het wegnemen van fiscale subsidies en kortingen.
    Uitbreiding met nieuwe fiscale grondslagen import/productie van natuurlijke grondstoffen (hout, vis, vlees) en ruimte.
    Europese vergroeningsagenda.

Het voorgestelde pakket aan extra vergroening bestaat uit:

    verhoging van de accijns op motorbrandstoffen in combinatie met de CO2-heffing (gemiddeld neemt heffing op motorbrandstoffen met 20% toe);
    afschaffen kortingen Energiebelasting voor bedrijven door de 2de en 3de schijf gelijk te schakelen met de 1ste schijf, in combinatie met het subsidi&amp;euml;ren van energiebesparingsmaatregelen;
    bovenop de bestaande Energiebelasting wordt een CO2-afhankelijk deel van 50% ingevoerd, enerzijds om verdere energiebesparing uit te lokken, anderzijds om differentiatie aan te brengen tussen de CO2-inhoud van de verschillende energiebronnen;
    een vleesbelasting of een belasting op veevoeders die ervoor zorgt dat de schadelijke effecten van vlees, veelal buiten Nederland, in rekening worden gebracht bij de Nederlandse consument;
    afschaffen fiscale vrijstelling zoals die voor rode diesel en EB-kortingen voor de glastuinbouw en industrie;
    een belasting op het onttrekken van open ruimte.

Opbrengsten
Met een ambitieus pakket aan Nederlandse vergroening is 20% aan groene belasting-inkomsten haalbaar, overeenkomend met 5% van het Bruto Binnenlands Product. De 5% is in lijn met wat internationale studies verwachten aan de fiscale houdbaarheid van een groen belastingstelsel. Voor deze vergroening is Europese co&amp;ouml;rdinatie niet vereist. Bij die 20% groene belastinginkomsten is rekening gehouden met het effect dat besparingen leiden tot minder belastinginkomsten. Met dit pakket kan een extra vergroening worden gerealiseerd van circa 8 miljard &amp;euro; bovenop het bestaande groene inkomsten van 19 miljard &amp;euro;. Het aandeel groene belastingen stijgt van 14 nu naar circa 20%. De opbrengsten kunnen teruggesluisd worden in de vorm van een verlaging van de belasting op winst of arbeid, waarbij als aanvullende optie gedacht kan worden aan het stimuleren van energiebesparing bij doelgroepen.]]></description>
			<pubDate>Wed, 22 Sep 2010 08:41:29 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Green Power for Electric Cars ]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/green_power_for_electric_cars_/1010</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/green_power_for_electric_cars_/1010</guid>
			<description><![CDATA[Elektrische auto&amp;rsquo;s kunnen groen rijden, maar dat gaat niet vanzelf: stroom opgewekt uit bruinkool is vuiler dan onze huidige verbrandingsmotoren. Europees en nationaal beleid kan ervoor zorgen dat de extra stroomvraag van deze auto&amp;rsquo;s niet leidt tot extra kolenstroom, maar juist tot extra groene stroomproductie. Als dat gebeurt, kunnen deze auto&amp;rsquo;s het verkeer een stuk energiezuiniger, duurzamer en schoner maken. CE Delft heeft op een rijtje gezet welke Europese en nationale maatregelen de politiek moet nemen om er voor te zorgen dat elektrische auto&amp;rsquo;s betere klimaatresultaten behalen dan brandstofmotoren. 


    Verhoog de streefdoelen voor hernieuwbare energie per EU-land met de te verwachte toename van het aantal elektrische auto&amp;rsquo;s. Anders leidt elektrisch rijden tot extra stroomproductie uit de bestaande elektriciteitscentrales.
    De huidige EU-verordening voor CO2 uit auto&amp;rsquo;s moet worden aangepast, anders leidt de komst van elektrische auto&amp;rsquo;s tot innovatieluiheid voor de verbrandingsmotor, terwijl daar de komende twintig jaar nog veel CO2-reductie bereikt kan worden. Nu mag de autofabrikant de 0-uitstoot van de elektrische auto meetellen bij de CO2-cijfers van zijn hele productenpakket, en zorgt de elektrische rijder er voor dat een vervuilende SUV niet zuiniger wordt.
    Pas na 2020 rijden er zoveel elektrische auto&amp;rsquo;s dat hun accu&amp;rsquo;s een slimme bufferopslag worden voor het groeiende, wisselende aanbod van wind- en zonne-energie. Maar dit vraagt wel om slimme technieken om vraag- en aanbod naar elektriciteit beter te kunnen sturen. Deze moeten nu al worden ontwikkeld.
    De overheid en energiebedrijven kunnen de vrijwillige aankoop van groene stroom van elektrische rijders stimuleren met belastingmaatregelen, en door via de oplaadpalen groene stroom te leveren.

Het onderzoek is door CE Delft verricht voor Friends of the Earth, Greenpeace International en Transport &amp;amp; Environment (T&amp;amp;E). ]]></description>
			<pubDate>Wed, 10 Mar 2010 07:44:33 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energietransitie Amsterdam 2040]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energietransitie_amsterdam_2040/1070</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energietransitie_amsterdam_2040/1070</guid>
			<description><![CDATA[Amsterdam wil met de Energiestrategie 2040 de omslag maken naar een duurzame energievoorziening. 

In de Energiestrategie staat beschreven langs welke hoofdlijnen dat doel voor elke sector bereikt kan worden. Het document levert daarmee input voor de Structuurvisie Amsterdam 2040.

De Energiestrategie is uitgedrukt in termen van CO2-emissiereducties, mede omdat klimaatbeleid een belangrijke pijler is onder de strategie, maar zeker niet de enige. Andere belangrijke pijlers zijn sociaal- en economisch beleid. Inzetten op energiebesparing en op duurzame energieopwekking betekent immers ook inzetten op acceptabele variabele woonlasten en op voorzieningszekerheid. Daarnaast levert de inzet op gebouwisolatie, op effici&amp;euml;nte gebouwinstallaties en op duurzame energiebronnen zoals zonnecellen en windmolens belangrijke werkgelegenheid in de regio op en ook aantrekkingskracht op innovatieve bedrijvigheid. 

De Energiestrategie 2040 is daarmee ook een verstandig sociaal en economisch beleid. Amsterdam kiest daarbij de rol van koploper; een partij die laat zien wat er kan en d&amp;agrave;t het kan, daarbij een beroep doend op burgers, bedrijven en andere overheden om dat voorbeeld te volgen. De gemeentelijke organisatie geeft zelf het goede voorbeeld door in 2015 geheel klimaatneutraal te zijn.&amp;nbsp;
&amp;nbsp;]]></description>
			<pubDate>Fri, 09 Jul 2010 10:41:14 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[VME Energy Transition Strategy. External Costs and Benefits of Electricity Generation]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/vme_energy_transition_strategy._external_costs_and_benefits_of_electricity_generation/1082</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/vme_energy_transition_strategy._external_costs_and_benefits_of_electricity_generation/1082</guid>
			<description><![CDATA[Investeringsbeslissingen voor nieuw elektrisch productievermogen worden nog steeds gebaseerd op de directie productiekosten die met de diverse opwektechnieken gepaard gaan. Hierdoor komt kolen vaak als goedkoopste optie uit de bus. Wanneer echter ook de zogenoemde externe kosten van elektriciteitsopwekking worden meegewogen in de investeringsbeslissing, verandert het beeld. Het gaat dan bijvoorbeeld om indirecte kosten gerelateerd aan de uitstoot van broeikasgassen, luchtvervuiling en ongevallen bij elektriciteitscentrales bij de winning en het transport van grondstoffen en de opwekking van elektriciteit. Ook de kosten voor inpassing van een fluctuerende bron als windenergie in het elektriciteitsnet zijn van belang. In het rapport wordt bestudeerd of de relatieve kostenposities van verschillende opwekmethoden voor elektriciteit veranderen als niet enkel de directe maar ook de indirecte kosten worden meegenomen. Zodra elektriciteitsproducenten geconfronteerd worden met deze totale kosten, zullen investeringsbeslissingen anders uitpakken.

Het rapport komt tot de conclusie dat kosten geassocieerd met CO2 substantieel zijn en 70 tot 85% uitmaken van de totale milieukosten van kolencentrales. Voor elektriciteitscentrales die (deels) op biomassa worden gestookt, zijn de externe kosten die kunnen worden toegeschreven aan landgebruik eveneens substantieel. De geschatte externe kosten die kunnen worden toegeschreven aan de inpassing van windenergie in het elektriciteitsnet kunnen oplopen tot 120 &amp;euro; per MWh.

Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Nederlandse Vereniging voor Marktwerking in Energie (VME).]]></description>
			<pubDate>Mon, 13 Sep 2010 18:48:58 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Wat voor welke warmte?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/wat_voor_welke_warmte/1016</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/wat_voor_welke_warmte/1016</guid>
			<description><![CDATA[CE Delft heeft voor EnergieNed een onafhankelijk onderzoek gedaan naar de interpretatie van de Warmtewet ten aanzien van de te hanteren methodiek voor de maximumprijs voor warmte. 

De Warmtewet stelt dat de bepaling van de maximumprijs in een AMvB wordt vastgelegd, maar geeft daar wel de nodige richting aan mee. Zo dient vergeleken te worden met &amp;lsquo;gas als energiebron&amp;rsquo;, en moet die vergelijking gebaseerd zijn op &amp;lsquo;integrale kosten&amp;rsquo; voor het verkrijgen van &amp;lsquo;dezelfde hoeveelheid warmte&amp;rsquo;.

Uit het onderzoek blijkt:

    Dat vele factoren binnen een gebouw relevant zijn voor het bepalen van de integrale kosten. De te hanteren systeemgrens dient om het gebouw te liggen, en niet een systeemgrens om alleen de cv-installatie heen.
    Dat ook de gebruikssituatie van belang is voor het energetisch rendement van een installatie, en daarmee voor de kosten voor de gebruiker.
    Dat een vergelijkingmethodiek op basis van voldoend grote, nette, aselecte en transparant samengestelde steekproeven van warmte- en gassituaties het meest recht doet aan de bepalingen in de Warmtewet met betrekking tot de maximumprijs.

Te hanteren systeemgrens: woning c.q. gebouw
 





]]></description>
			<pubDate>Wed, 16 Feb 2011 15:00:16 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Koersen op energiebesparing]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/koersen_op_energiebesparing/993</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/koersen_op_energiebesparing/993</guid>
			<description><![CDATA[Het Kabinet heeft in haar werkprogramma 'Schoon en Zuinig' vastgelegd dat het energiebesparingstempo moet verdubbelen: van 1% naar 2% energiebesparing per jaar in 2020. Om de verschillende klimaatdoelen, waaronder die op het gebied van energiebesparing, te verwezenlijken hebben de ministers van VROM en EZ het Regieorgaan EnergieTransitie (Regieorgaan) ingesteld. CE Delft heeft de omvang van de (verwachte) energiebesparingen in kaart gebracht die in de komende jaren via de verschillende sectorakkoorden, energiebesparingsprogramma's aan de ene kant en transitiepaden van het Regieorgaan aan de andere kant gerealiseerd gaan worden. 
&amp;nbsp;
De verschillende sectorakkoorden en energiebesparingsprogramma's leiden naar verwachting tot een totale energiebesparing van 215 tot 467 PetaJoule, afhankelijk van de mate waarin EU-energiebesparingsbeleid voldoende ambitieus is en zal aanslaan. Dit komt overeen met een gemiddelde jaarlijkse energiebesparing voor de periode 2011 tot 2020 van 1,4-1,9 %. 
&amp;nbsp;
De (additionele) gerealiseerde en verwachte energiebesparingen die direct kunnen worden toegeschreven aan activiteiten van het Regieorgaan blijken lastig te becijferen/vergelijken. Belangrijkste oorzaken daarvan zijn onvoldoende bruikbare monitoringsinformatie en het toepassen van verschillende referentiescenario's, wat de vergelijkbaarheid van energiebesparingscijfers bemoeilijkt.&amp;nbsp;&amp;nbsp;]]></description>
			<pubDate>Wed, 27 Jan 2010 11:20:45 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Duurzame Energie in Amsterdam: kansen aan de horizon ]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/duurzame_energie_in_amsterdam%3A_kansen_aan_de_horizon_/995</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/duurzame_energie_in_amsterdam%3A_kansen_aan_de_horizon_/995</guid>
			<description><![CDATA[Vanuit haar klimaatdoelstellingen (-40% CO2 in 2020), werkt de Gemeente Amsterdam aan een groei van duurzame energie. CE Delft heeft in een studie uit 2007 het potentieel hiervoor in kaart gebracht. Deze raming was gebaseerd op de toen beschikbare gegevens. Voor het aspect is daarbij het &amp;lsquo;beschikbare dakoppervlak&amp;rsquo; een kritieke factor. 
In 2008/2009 heeft de Gemeente Amsterdam op basis van luchtfoto&amp;rsquo;s en 3D-simulaties nauwkeuriger het beschikbare dakoppervlak in kaart gebracht. Op basis hiervan zijn nu ook de ramingen voor het potentieel zonne-energie geactualiseerd. Uit de actualisatie blijkt dat opwekking van Duurzame Energie in Amsterdam kan bijdragen aan ca. 30% van de totale energievoorziening van de stad. 












]]></description>
			<pubDate>Tue, 26 Jan 2010 09:40:47 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Duurzame elektriciteitsmarkt? ]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/duurzame_elektriciteitsmarkt_/978</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/duurzame_elektriciteitsmarkt_/978</guid>
			<description><![CDATA[Zonder aanvullend beleid worden de duurzame energiedoelen niet gehaald

Het opgestelde vermogen in Nederland om elektriciteit op te wekken neemt, na een periode dat er nauwelijks nieuwe centrales werden gebouwd, de komende jaren flink toe. Voor een deel zullen de nieuwe gas- en kolencentrales oude exemplaren gaan vervangen, maar het gaat ook om uitbreiding van de totale productie. Het totaal opgestelde vermogen neemt per saldo met 70% toe tot 40 GW in 2020.&amp;nbsp; De elektriciteitsvraag in Nederland groeit naar verwachting van 120 TWh in 2008 naar 145 TWh in 2020 en neemt dus met 20% toe. 

De productiecapaciteit in Nederland moet worden beoordeeld in de context van de Noord-West Europese elektriciteitmarkt. Een deel van de elektriciteitsproductie zou kunnen worden ge&amp;euml;xporteerd naar de ons omringende landen. Er is nu voldoende technische capaciteit voor een export van 20% van de huidige productie. De exportcapaciteit wordt zelfs uitgebreid. Maar doordat ook in de ons omringende landen veel nieuwe centrales worden bijgebouwd en er ook daar hoge duurzame energiedoelstellingen zijn, is de kans op export beperkt door economische redenen. 

Omdat het elektrisch vermogen toeneemt met 70%, terwijl de binnenlandse vraag&amp;nbsp; maar met 20% toeneemt en de mogelijkheid voor export (buitenlandse vraag) beperkt is, zal er sprake zijn van overcapaciteit. Dit is slecht voor het investeringsklimaat voor duurzame energie. De subsidieregeling voor duurzame elektriciteit (SDE) biedt bedrijven weliswaar de mogelijkheid om duurzame elektriciteit concurrerend te produceren, maar is wel vrijblijvend. Aangezien energiebedrijven niet verantwoordelijk zijn voor de duurzame energiedoelstelling, kan niet verwacht worden dat zij bij een overcapaciteit in conventioneel vermogen ook gaan investeren in duurzame elektriciteitprojecten. Het directe belang voor energiebedrijven ontbreekt, omdat de incentives (prijzen, subsidies, verplichtingen) nog onvoldoende sturend zijn naar Schoon en Zuinig. De energiebedrijven kennen een sterker belang toe aan conventioneel vermogen dan aan duurzaam vermogen.]]></description>
			<pubDate>Tue, 29 Dec 2009 14:46:02 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Building material to isolate the recession ]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/building_material_to_isolate_the_recession_/973</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/building_material_to_isolate_the_recession_/973</guid>
			<description><![CDATA[Op 9 september 2009 heeft de Europese Commissie (DG EMPL) een expertworkshop georganiseerd over de vraag hoe de EU sterker uit de recessie te voorschijn kan komen door&amp;nbsp; economische herstelprogramma&amp;rsquo;s in te zetten die zowel de crisis bestrijden als ook toewerken naar structurele verbetering op het gebied van duurzaamheid, werkgelegenheid en sociale cohesie. CE Delft heeft input geleverd voor deze workshop, op het gebied van de Gebouwde Omgeving. In een analyse op hoofdlijnen voor de EU als geheel is achtereenvolgens bepaald (1) welke maatregelen en (2) welke type beleidsinstrumenten te prefereren zijn. 
De conclusies luiden als volgt. Om structureel sterker uit de crisis te voorschijn te komen, is het goed om voor wat betreft de gebouwde omgeving in te zetten op isolatie van gebouwen en decentrale opwekking van duurzame energie. Dit kan middels subsidies en fiscale instrumenten op de korte termijn, die ingebed zijn in een&amp;nbsp; langere termijn programma dat geleidelijk overstapt naar beprijzingen en verplichtingen.]]></description>
			<pubDate>Mon, 19 Oct 2009 13:22:23 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Warmtenetten in Nederland]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/warmtenetten_in_nederland/976</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/warmtenetten_in_nederland/976</guid>
			<description><![CDATA[Naar verwachting treedt in 2010 de Warmtewet in werking. Doel van de Warmtewet is waarborgen dat verbruikers verzekerd zijn van warmtelevering tegen redelijke prijzen en voorwaarden. 

De Energiekamer (onderdeel van de Nederlandse Mededingingsautoriteit) wordt verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de Warmtewet. De Energiekamer zal onder andere beleidsregels gaan vaststellen waarin wordt bepaald aan welke voorwaarden een redelijke prijs voor warmtelevering moet voldoen. Om het toezicht op de naleving van de Warmtewet goed te kunnen uitoefenen, heeft de Energiekamer aan CE Delft gevraagd twee onderzoeken uit te voeren: (1) het in kaart brengen van de warmtenetten, -leveranciers, - producenten en warmtetarieven in Nederland en (2) inzicht verschaffen in de belangrijkste cost drivers van warmtelevering. 

Warmtenetten in Nederland (marktanalyse)
Warmtelevering vindt in Nederland in vele soorten en maten plaats; van grootschalige warmtenetten met tienduizenden aangesloten verbruikers tot kleinschalige netten met slechts een handvol verbruikers. In samenwerking met de betrokken energiebedrijven en organisaties als SenterNovem heeft CE Delft een overzicht gemaakt van alle warmtenetten in Nederland.

In het overzicht is een onderscheid gemaakt tussen grootschalige netten (meer dan 5.000 aangesloten verbruikers) en kleinschalige netten (minder dan 5.000 aangesloten verbruikers). Er zijn dertien grootschalige netten met ongeveer 227.000 aangesloten verbruikers. Op deze grootschalige warmtenetten wordt warmte geleverd door de grote energiebedrijven (waaronder Eneco, Essent en Nuon). Daarnaast leveren zij ook de warmte voor ongeveer 300 kleinschalige warmtenetten. De overige kleinschalige warmtenetten, ongeveer 6.600, zijn eigendom van woningcorporaties, verenigingen van eigenaren (VvE&amp;rsquo;s), projectontwikkelaars en overige partijen. In totaal zijn 336.000 verbruikers aangesloten op een kleinschalig warmtenet.

De warmtetarieven die de grote energiebedrijven in rekening brengen aan consumenten zijn hoofdzakelijk gebaseerd op het NMDA-tariefadvies van EnergieNed. De tarieven van de overige warmteleveranciers (woningcorporaties, VvE&amp;rsquo;s, etc.) worden veelal berekend door warmtekostenverdeelfirma&amp;rsquo;s en zijn gebaseerd op de gemaakte kosten voor de levering van warmte.

De belangrijkste productiebronnen van warmte voor de grootschalige warmtenetten zijn warmtekrachtcentrales (gas) en elektriciteitscentrales (gas en kolen). Een beperkt deel wordt duurzaam ingevuld. Kleinschalige warmtenetten hebben een grote diversiteit aan warmtebronnen, van warmtekrachtcentrales/koppelingen en conventionele ketels tot warmte/koude-opslag en collectieve zonneboilers.

Cost drivers warmtelevering in Nederland
In dit tweede onderzoek van CE Delft wordt verschil gemaakt tussen factoren (cost drivers) die van invloed zijn op de leveringsonafhankelijke kosten en de leveringsafhankelijke kosten van warmteleveranciers. Leveringsonafhankelijke kosten hebben geen (directe) relatie met het aantal geleverde GJ aan warmte; leveringsafhankelijke kosten nemen (evenredig) toe naarmate er meer warmte geleverd wordt. 

Uit het onderzoek blijkt dat de belangrijkste cost drivers voor de leveringsonafhankelijke kosten van warmteleveranciers worden gevormd door de omvang van het warmtenet, de leeftijd van het warmtenet en historische aanschafprijzen (kosten voor loon en materiaal ten tijde van de initi&amp;euml;le investering). De omvang van de leveringsafhankelijke kosten (inkoop van warmte bij de producent) wordt met name be&amp;iuml;nvloed door de herkomst van de warmte (type warmtebron), afspraken over kostenverdelingen tussen warmteleverancier en -producent en de aard en omvang van de warmtelevering.

De rendementen die warmteleveranciers rapporteren, lopen per warmtenet behoorlijk uiteen; van -11 tot 23 % voor grootschalige warmtenetten en van -258 tot 7 % voor kleinschalige warmtenetten. Warmteleveranciers die daarvoor de mogelijkheid hebben, kiezen vaak voor een portefeuillebenadering om verliesgevende warmtenetten met winstgevende warmtenetten te compenseren.&amp;nbsp;]]></description>
			<pubDate>Tue, 27 Oct 2009 15:54:02 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Cost drivers warmtelevering in Nederland]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/cost_drivers_warmtelevering_in_nederland/975</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/cost_drivers_warmtelevering_in_nederland/975</guid>
			<description><![CDATA[Naar verwachting treedt in 2010 de Warmtewet in werking. Doel van de Warmtewet is waarborgen dat verbruikers verzekerd zijn van warmtelevering tegen redelijke prijzen en voorwaarden.

De Energiekamer (onderdeel van de Nederlandse Mededingingsautoriteit) wordt verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de Warmtewet. De Energiekamer zal onder andere beleidsregels gaan vaststellen waarin wordt bepaald aan welke voorwaarden een redelijke prijs voor warmtelevering moet voldoen. Om het toezicht op de naleving van de Warmtewet goed te kunnen uitoefenen, heeft de Energiekamer aan CE Delft gevraagd twee onderzoeken uit te voeren: (1) het in kaart brengen van de warmtenetten, -leveranciers, - producenten en warmtetarieven in Nederland en (2) inzicht verschaffen in de belangrijkste cost drivers van warmtelevering. 

Warmtenetten in Nederland (marktanalyse)
Warmtelevering vindt in Nederland in vele soorten en maten plaats; van grootschalige warmtenetten met tienduizenden aangesloten verbruikers tot kleinschalige netten met slechts een handvol verbruikers. In samenwerking met de betrokken energiebedrijven en organisaties als SenterNovem heeft CE Delft een overzicht gemaakt van alle warmtenetten in Nederland.

In het overzicht is een onderscheid gemaakt tussen grootschalige netten (meer dan 5.000 aangesloten verbruikers) en kleinschalige netten (minder dan 5.000 aangesloten verbruikers). Er zijn dertien grootschalige netten met ongeveer 227.000 aangesloten verbruikers. Op deze grootschalige warmtenetten wordt warmte geleverd door de grote energiebedrijven (waaronder Eneco, Essent en Nuon). Daarnaast leveren zij ook de warmte voor ongeveer 300 kleinschalige warmtenetten. De overige kleinschalige warmtenetten, ongeveer 6.600, zijn eigendom van woningcorporaties, verenigingen van eigenaren (VvE&amp;rsquo;s), projectontwikkelaars en overige partijen. In totaal zijn 336.000 verbruikers aangesloten op een kleinschalig warmtenet.

De warmtetarieven die de grote energiebedrijven in rekening brengen aan consumenten zijn hoofdzakelijk gebaseerd op het NMDA-tariefadvies van EnergieNed. De tarieven van de overige warmteleveranciers (woningcorporaties, VvE&amp;rsquo;s, etc.) worden veelal berekend door warmtekostenverdeelfirma&amp;rsquo;s en zijn gebaseerd op de gemaakte kosten voor de levering van warmte.

De belangrijkste productiebronnen van warmte voor de grootschalige warmtenetten zijn warmtekrachtcentrales (gas) en elektriciteitscentrales (gas en kolen). Een beperkt deel wordt duurzaam ingevuld. Kleinschalige warmtenetten hebben een grote diversiteit aan warmtebronnen, van warmtekrachtcentrales/koppelingen en conventionele ketels tot warmte/koude-opslag en collectieve zonneboilers.

Cost drivers warmtelevering in Nederland
In dit tweede onderzoek van CE Delft wordt verschil gemaakt tussen factoren (cost drivers) die van invloed zijn op de leveringsonafhankelijke kosten en de leveringsafhankelijke kosten van warmteleveranciers. Leveringsonafhankelijke kosten hebben geen (directe) relatie met het aantal geleverde GJ aan warmte; leveringsafhankelijke kosten nemen (evenredig) toe naarmate er meer warmte geleverd wordt. 

Uit het onderzoek blijkt dat de belangrijkste cost drivers voor de leveringsonafhankelijke kosten van warmteleveranciers worden gevormd door de omvang van het warmtenet, de leeftijd van het warmtenet en historische aanschafprijzen (kosten voor loon en materiaal ten tijde van de initi&amp;euml;le investering). De omvang van de leveringsafhankelijke kosten (inkoop van warmte bij de producent) wordt met name be&amp;iuml;nvloed door de herkomst van de warmte (type warmtebron), afspraken over kostenverdelingen tussen warmteleverancier en -producent en de aard en omvang van de warmtelevering.

De rendementen die warmteleveranciers rapporteren, lopen per warmtenet behoorlijk uiteen; van -11 tot 23 % voor grootschalige warmtenetten en van -258 tot 7 % voor kleinschalige warmtenetten. Warmteleveranciers die daarvoor de mogelijkheid hebben, kiezen vaak voor een portefeuillebenadering om verliesgevende warmtenetten met winstgevende warmtenetten te compenseren.&amp;nbsp; ]]></description>
			<pubDate>Tue, 27 Oct 2009 15:54:18 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energieprestatie-eisen bestaande woningen]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energieprestatie-eisen_bestaande_woningen/985</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energieprestatie-eisen_bestaande_woningen/985</guid>
			<description><![CDATA[Het Platform energietransitie Gebouwde Omgeving (PeGO) heeft als hoofddoel om in 2020 een energiereductie van 30% in de gebouwde omgeving te bereiken. Dat zou o.a. kunnen door een algemene energieprestatie-eis voor alle bestaande woningen op te nemen in het Bouwbesluit. Voor nieuwbouw is een dergelijke eis al in het Bouwbesluit opgenomen, in de vorm van een maximale Energie Prestatie Co&amp;euml;ffici&amp;euml;nt (EPC).

Een verplichte energienorm voor de bestaande bouw is een politiek gevoelig onderwerp, omdat alle woningeigenaren er mee te maken kunnen krijgen. Een dergelijke eis is pas maatschappelijk acceptabel als het ook betaalbaar is voor de eigenaar en te rechtvaardigen als het een wezenlijke CO2-reductie oplevert.

PeGO heeft aan CE Delft gevraagd om kennis en advies te verschaffen op het gebied van effectiviteit en juridische haalbaarheid van het eventueel verplicht stellen van een energieprestatie-eis. Er zijn twee afzonderlijke studies verricht, waarvan de twee doelstellingen hieronder zijn verwoord.

    Inzicht verschaffen in de kosten van een energieprestatie-eis voor bestaande woningen en het indicatief vaststellen van de CO2-reductie die dat kan opleveren.
    Inzicht verschaffen in de juridische haalbaarheid van een verplicht energielabel in het algemeen en meer specifiek van het voorlopige voorstel van PeGO.

CE Delft heeft de eerste vraag in samenwerking met een energie- en bouwdeskundige van W/E adviseurs uitgewerkt en de tweede vraag met juristen van Oranjewoud.]]></description>
			<pubDate>Tue, 29 Dec 2009 14:46:36 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energietransitie begint in de regio]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energietransitie_begint_in_de_regio/935</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energietransitie_begint_in_de_regio/935</guid>
			<description><![CDATA[Het Rijk kan veel meer doen om regionale initiatieven op het gebied van duurzame energievoorziening te ondersteunen. Die conclusie trekt het Rathenau Instituut op basis van het rapport &amp;lsquo;Energietransitie begint in de regio&amp;rsquo;. 

Het rapport is een studie naar drie regionale duurzaamheidsinitiatieven: het Rotterdam Climate Initiative, Texel en Energy Valley (een samenwerking van de noordelijke provincies). CE Delft voerde de studie uit in opdracht van het Rathenau Instituut.

In het rapport pleit het Rathenau Instituut voor het wegnemen van belemmeringen in nationale wet- en regelgeving en voor meer speelruimte voor regio&amp;rsquo;s om ambitieuzer te zijn dan de landelijke normen. Ook is behoefte aan een heldere visie van het Rijk hoe Nederland de overgang naar een duurzame energievoorziening wil maken.

Drie regio&amp;rsquo;s onderzocht
Het onderzoek heeft zich gericht op drie duurzaamheidsinitiatieven: het Rotterdam Climate Initiative, Texel en het Fries-Gronings-Drentse Energy Valley. Het eiland Texel wil in 2020 zijn energievoorziening volledig verduurzaamd hebben. Energy Valley heeft tot doel de economie in het Noorden te versterken door nieuwe energie-activiteiten te ontplooien. Rotterdam heeft in het Rotterdamse Climate Initiative vastgelegd om de CO2-emissie in 2025 met vijftig procent te verminderen ten opzichte van de emissie in 1990.bestellingen@rathenau.nl

Verduurzaming komt niet uit de verf
In het rapport Energietransitie begint in de regio worden de drie initiatieven als voorbeeld genomen voor een bredere trend van regionale initiatieven. Het onderzoek wijst uit dat er in de regio&amp;rsquo;s veel enthousiasme, expertise en wil tot samenwerking is. Verduurzaming van de energievoorziening komt echter niet goed uit de verf. Bij de uitwerking van de plannen blijven kansen liggen voor energiebesparing en hernieuwbare energie. 
Omwille van economische factoren &amp;ndash; Rotterdam als wereldhaven, het toerisme op Texel en de gasindustrie in het noorden &amp;ndash; ligt de nadruk sterk op het blijven gebruiken van fossiele energie. Of dat schoner gaat gebeuren, is echter onzeker. Voor zogenoemd &amp;ldquo;schoon fossiel&amp;rdquo;, het ondergronds opslaan van CO2, is nog onvoldoende draagvlak.

Manieren om regio&amp;rsquo;s te steunen voor het Rijk
Uit het onderzoek blijkt ook dat het Rijk veel meer kan doen om de regio&amp;rsquo;s te ondersteunen bij hun duurzaamheidsinitiatieven. Wat betreft het besparen van energie willen de regio&amp;rsquo;s vaak meer bereiken dan wat de huidige landelijke normen eisen. Maar wettelijk gezien kunnen de regio&amp;rsquo;s geen extra besparingseisen opleggen. Daartoe zouden er ambitieuzere landelijke normen moeten komen. Ook is behoefte aan meer juridische speelruimte voor regio&amp;rsquo;s die nog verder willen.

Ook plannen voor hernieuwbare energie stuiten vaak op belemmeringen in wetgeving van het Rijk. Om de mogelijkheden van lokale hernieuwbare energie te benutten, moet wetgeving veel meer een &amp;ldquo;ja, mits&amp;rdquo;-karakter krijgen in plaats van het huidige &amp;ldquo;nee, tenzij&amp;rdquo;-karakter.

Tenslotte concludeert het Rathenau Instituut dat de regio&amp;rsquo;s gebaat zijn bij een duidelijker en explicieter uitgedragen Rijksvisie op hoe Nederland de omslag wil gaan maken naar een duurzame energievoorziening. Daaruit moet duidelijk worden welke initiatieven de overheid langjarig wil steunen. Met zo&amp;rsquo;n visie wordt het voor de regio&amp;rsquo;s makkelijker om in hun regio maatschappelijk draagvlak te verwerven voor grootschalige energieprojecten, zoals windmolenparken en CO2-opslag.]]></description>
			<pubDate>Tue, 07 Jul 2009 14:06:13 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Achtergrondgegevens Stroometikettering 2008]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/achtergrondgegevens_stroometikettering_2008/936</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/achtergrondgegevens_stroometikettering_2008/936</guid>
			<description><![CDATA[Sinds 1 januari 2005 is etikettering van de herkomst van elektriciteit verplicht in Nederland. CE Delft heeft de mix van de elektriciteit die in Nederland in 2008 geleverd is vastgesteld. De Nederlandse leveringsmix bestaat uit elektriciteit opgewekt uit aardgas (ruim 50%), kolen (22%), kernenergie (7%) en groene stroom (18%). De milieuconsequenties uitgedrukt in termen van CO2 en radioactief afval zijn respectievelijk 413 g CO2/KWh en 0,000213 g kernafval/KWh.





     


   


]]></description>
			<pubDate>Tue, 01 Mar 2011 15:20:19 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Verkenning van een betere methodiek voor de verpakkingenbelasting]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/verkenning_van_een_betere_methodiek_voor_de_verpakkingenbelasting/868</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/verkenning_van_een_betere_methodiek_voor_de_verpakkingenbelasting/868</guid>
			<description><![CDATA[De verpakkingenbelasting die in 2008 in Nederland is ingevoerd, baseert haar tarieven op de CO2-emissie van verpakkingen over de hele keten van de wieg tot het graf. Uit eerder onderzoek bleek dat de CO2-emissie voor verpakkingen goed model staat voor de complete milieu-impact van verpakkingen. In 2007 heeft CE Delft voor het ministerie van VROM, in dialoog met het bedrijfsleven, deze CO2-kentallen berekend. Tijdens dat onderzoek kwam naar voren dat de CO2-emissie vooral bij bio materialen als papier en bio plastic niet meer helemaal het complete milieuprofiel benadert. Met name landgebruik en effici&amp;euml;nt gebruik van biomassa zouden eigenlijk ook een plek in de methodiek moeten krijgen. In dit onderzoek zijn door CE Delft een zestal manieren om de methodiek te verbeteren geformuleerd en beoordeeld. Deze zes methodieken zijn uitgebreid besproken met een wetenschappelijk panel (CML, Ecofys, UU, WUR en CE Delft). Het panel kwam gezamenlijk tot de conclusie dat een berekening gebaseerd op zowel de klimaatemissies als het totale energiegebruik (fossiel en niet fossiel) een betere en ook praktisch uitvoerbare maat kan zijn voor de verpakkingenbelasting tarieven voor 2010 en daarna. Het ministerie van VROM heeft deze notitie met het voorstel, om deze aanbeveling te volgen, eind 2008 naar de Tweede Kamer gestuurd.]]></description>
			<pubDate>Thu, 24 Jun 2010 12:37:46 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Externe kosten van kernenergie]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/externe_kosten_van_kernenergie/876</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/externe_kosten_van_kernenergie/876</guid>
			<description><![CDATA[In overeenstemming met internationale afspraken dient een exploitant van een kerncentrale zich voor minimal 700 miljoen Euro aan schade te verzekeren. Dit bedrag valt echter in het niet bij de potenti&amp;euml;le schade van een kernramp. In het geval van een grote ramp wordt de schade dus vrijwel volledig door de maatschappij gedragen en bestaan er externe kosten. De externe kosten van risico&amp;rsquo;s worden bepaald door de verwachtingswaarde van het risico en de risicoaversie. Zonder het meenemen van de risicoaversie zijn de externe kosten van een kerncentrale als gevolg van onverzekerde risico&amp;rsquo;s beperkt (enkele miljoenen Euro&amp;rsquo;s op jaarbasis). Het meewegen van risicoaversie kan de externe kosten echter tientallen keren hoger doen uitvallen. Helaas is er nog maar weinig bekend over de daadwerkelijke waarden van risicoaversie. Deze studie berekent theoretisch wat de effecten van verschillende maten van risicoaversie zijn op de hoogte van de externe kosten.]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 11:12:00 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[DE in Amsterdam: kansen aan de horizon]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/de_in_amsterdam%3A_kansen_aan_de_horizon/811</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/de_in_amsterdam%3A_kansen_aan_de_horizon/811</guid>
			<description><![CDATA[Amsterdam heeft zich ten doel gesteld om de CO2-emissie fors terug te brengen: in 2025 40% reductie ten opzichte van de emissie in 1990. Dit ambitieuze doel vraagt om acties op meerdere fronten. E&amp;eacute;n is het verhogen van het aandeel duurzame energie (DE). CE Delft heeft dit in een recent uitgevoerde onderzoek verkend welk potentieel dit heeft. De resultaten worden op 5 juni door wethouder Marijke Vos gepresenteerd.  Het blijkt dat duurzame energie bronnen een substanti&amp;euml;le bijdrage leveren aan het totale primaire energiegebruik in Amsterdam. Het gaat dan vooral om elektriciteitsopwekking uit biomassa, windenergie en benutting van restwarmte. Ten opzichte van de prognose van 83,8 PJ in 2025 ligt het potentieel op ca. 17 PJ: ca. 20%. Dit ligt ruim boven de EU-taakstelling van 14% Duurzame Energie in Nederland in 2020.  De duurzame energie draagt ook bij aan minder CO2-emissies. Inclusief twee andere opties komt het uit op ca. 1.170 kton, ca. 30% van de reductie die nodig is om het doel van 2.500 kton CO2 te halen.   Het berekende potentieel gaat steeds uit van wat &amp;lsquo;maximaal haalbaar&amp;rsquo; wordt beschouwd. De realisatie hiervan vraagt een (zeer) grote inspanning. Dit geldt met name bij de ambities voor: warmtenetten, zonne-energie en micro-WKK. Aan de andere kant geldt wel dat door technische ontwikkeling prijzen dalen en de penetratie op de markt zal toenemen.]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 11:18:31 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Effect op de luchtkwaliteit van de maatregelen uit het Energie- en Klimaatprogramma Apeldoorn]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/effect_op_de_luchtkwaliteit_van_de_maatregelen_uit_het_energie-_en_klimaatprogramma_apeldoorn/852</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/effect_op_de_luchtkwaliteit_van_de_maatregelen_uit_het_energie-_en_klimaatprogramma_apeldoorn/852</guid>
			<description><![CDATA[De gemeente Apeldoorn heeft CE Delft laten nagaan of het energiebeleid dat zij voert, effecten heeft op de luchtkwaliteit en zo dit effecten heeft, wat die effecten zijn. Daarnaast wilde Apeldoorn weten of de herstructurering van het gebied Kanaal Noord, alsmede de komst van biomassa centrales ook van invloed zijn op de luchtkwaliteit. De beoordeelde maatregelen hebben veelal betrekking op energiebesparing en op het inzetten van duurzame energie. Dit heeft beide een gunstig effect op de emissies van stikstofoxiden en daarmee op de concentraties van NO2. Dit gebeurt zowel op lokale als op landelijke schaal. De omvang van de daling in de concentraties zal echter gering zijn omdat de belangrijkste bronnen voor NO2 het verkeer en de industrie zijn. Voor fijn stof hebben deze maatregelen geen effect. Het (bij) stoken van hout in met name houtkachels en open haarden zal een verhoging van de emissies van fijn stof en daaraan gerelateerde schadelijke stoffen zoals Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen. Een groter gebruik van houtkachels of open haarden zal daarom nadelig zijn voor de luchtkwaliteit en de gezondheid van de mens. De herstructurering van het bedrijventerrein Kanaal Noord zal vanwege de toename van het wegverkeer een nadelig effect hebben op de luchtkwaliteit. Gelet op de uitgestrektheid van het gebied betekent dit overigens niet dat er grote problemen zijn te verwachten. Uit onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit van de vestiging en in gebruik name van biomassa centrales blijkt dat de luchtkwaliteit zal worden be&amp;iuml;nvloed door de toekomstige centrales, maar dat er van grenswaarde overschrijding geen sprake zal zijn. Gelet op het gunstige effect van de inzet van energiebesparing en duurzame energie verdient het de aanbeveling hiermee door te gaan. Daarbij moet worden bedacht dat het inzetten van biomassa of hout als duurzame energie er wel nadelige effecten kunnen optreden voor de luchtkwaliteit en dat daar dus extra emissiebeperkende maatregelen nodig zijn. Voor de verdere herstructurering van bedrijventerreinen zal steeds een gunstige inpassing van de toename van de verkeersstromen gezocht moeten worden. Dit kan door voldoende ontsluitingswegen en door goed openbaar vervoer in de startfase van de plannen al te realiseren.]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 11:08:52 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Achtergrondgegevens Stroometikettering 2007]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/achtergrondgegevens_stroometikettering_2007/801</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/achtergrondgegevens_stroometikettering_2007/801</guid>
			<description><![CDATA[Sinds 1 januari 2005 is etikettering van de herkomst van elektriciteit verplicht in Nederland. CE Delft heeft de mix van de elektriciteit die in Nederland in 2007 geleverd is vastgesteld. De Nederlandse leveringsmix bestaat uit elektriciteit op-gewekt uit aardgas (ruim 50%), kolen (24%), kernenergie (9%) en groene stroom (13%). De milieuconsequenties uitgedrukt in termen van CO2 en radioactief afval zijn respectievelijk 426 g CO2/KWh en 0,000270 g kernafval/KWh.]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 11:15:27 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energiebesparingsonderzoeken bij meldingsplichtige bedrijven]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energiebesparingsonderzoeken_bij_meldingsplichtige_bedrijven/744</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energiebesparingsonderzoeken_bij_meldingsplichtige_bedrijven/744</guid>
			<description><![CDATA[Vanuit diverse brancheorganisaties komt het beeld naar voren dat gemeenten te vaak en te willekeurig bedrijven verplichten een zgn. energiebesparingsonderzoek op te stellen. Het Ministerie van VROM heeft CE Delft gevraagd te onderzoeken of dit klopt. CE Delft heeft gesproken met ca. 30 bedrijven en branches en 40 gemeenten. Hieruit volgt:

    de werkwijze van gemeenten loopt behoorlijk uiteen; de ene gemeente/ milieudienst geeft veel meer prioriteit aan energiebesparing dan de andere;
    het aantal opgelegde energiebesparingsonderzoeken is vrij beperkt: het ligt op ca. 1.000 per jaar (10% van de relevante bedrijven);
    regelmatig leggen gemeenten een besparingsonderzoek op terwijl met een eenvoudige doorlichting van standaard maatregelen volstaan kan worden; ook wordt vaak onvoldoende rekening gehouden met investerings- en afschrijvingstermijnen.

CE Delft adviseert om de onlangs van kracht geworden activiteiten-AMvB te begeleiden van een actieve communicatiecampagne richting gemeenten. Doel daarvan moet zijn consistentie tussen gemeenten en voldoende kennis over de manier waarop de regelgeving uitgevoerd moet worden. Het is zaak daarbij aan te sluiten op de initiatieven van het Energiecentrum MKB en die van voorlopende gemeenten.]]></description>
			<pubDate>Wed, 28 Apr 2010 11:27:09 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Bouwstenen voor CO2-reductieprogramma Amsterdam]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/bouwstenen_voor_co2-reductieprogramma_amsterdam/677</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/bouwstenen_voor_co2-reductieprogramma_amsterdam/677</guid>
			<description><![CDATA[De gemeente Amsterdam heeft zich als doel gesteld om als stad in 2025 de jaarlijkse uitstoot van kooldioxide met veertig procent te verminderen ten opzichte van 1990, en om in 2015 als gemeentelijke organisatie CO2-neutraal te opereren. Deze ambitieuze doelstellingen vragen om een daadkrachtige en effici&amp;euml;nte aanpak. CE Delft heeft voor de gemeente de CO2-uitstoot van 1990 en 2006 in kaart gebracht, alsook de prognose voor 2025, zowel totaal als per sector. Er is ook een uitgebreid overzicht opgesteld, de zogenaamde &amp;lsquo;long list&amp;rsquo;, van de mogelijke maatregelen, met hun potenti&amp;euml;le bijdrage aan de doelstelling, en hun realisatietijd en kosteneffectiviteit. Op basis daarvan is geconcludeerd dat de ambitie haalbaar is, maar dat daarvoor wel alles op alles moet worden gezet. De realisatie is mede afhankelijk van het welslagen van Rijks- en EU-klimaatbeleid, en participatie is nodig van bedrijven en burgers in de stad. Niet de gehele ambitie kan nu al in concrete maatregelen worden gegoten, maar dat is gezien de looptijd van de ambitie ook nog niet nodig; er vinden immers nog innovaties plaats. Het is belangrijk dat nu zo snel mogelijk concrete stappen worden gezet om de groei van de CO2-emissie van de afgelopen periode om te buigen naar een substanti&amp;euml;le daling. Tot slot zijn aanbevelingen gedaan voor een monitoringsaanpak voor het CO2-reductieprogramma, zodat tussentijds de voortgang kan worden bewaakt en acties zo nodig kunnen worden bijgesteld.]]></description>
			<pubDate>Wed, 28 Apr 2010 13:04:07 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Green4sure; Het Groene Energieplan*]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/green4sure%3B_het_groene_energieplan%2A/549</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/green4sure%3B_het_groene_energieplan%2A/549</guid>
			<description><![CDATA[Op 5 juni ontving minister Cramer het eindrapport van Green4sure. Zes grote maatschappelijke organisaties (AbvaKabo, FNV, Greenpeace, Milieudefensie, Natuur&amp;Milieu, WereldNatuurfonds)hebben door CE Delft een plan laten opstellen om de CO2-emissies in 2030 te halveren. Het plan is uitgewerkt in samenwerking met diverse andere partijen en begeleid door een commissie van hoogleraren en vertegenwoordigers van de ministeries EZ en  VROM en van het Milieu en Natuur Planbureau. Belangrijkste punten in het plan zijn dat alle energiegebruikers &oacute;f individueel (industrie, elektriciteitsproductie, luchtvaart) &oacute;f collectief (gebouwde omgeveing, transport) onder een emissierechtensysteem met klimaatbudget komen te vallen. De inspanningen, en daarmee de kosten zijn gedifferentieerd om de acceptatie zo groot mogelijk te laten zijn (ETS -40%, gebouwde omgeving -60%, transport – 35%). De rechten voor de drie systemen worden geveild en niet weggegeven. Daarnaast komen er normen voor voertuigen, gebouwen (nieuw en bestaand) en apparaten. 
Omdat snelheid geboden is en het implementeren van de klimaatbudgetsystemen enkele jaren zal vergen, zijn er diverse tijdelijke instrumenten. Bijvoorbeeld een interim-wet voor elektriciteitsproductie. Vanaf heden moet elke nieuwe centrale elektriciteit met maximaal 375 g/kWh produceren. Hoe? dat is aan de producent.
De effecten van het plan zijn doorgerekend en leiden tot de gewenste halvering van de broeikasgassen, een jaarlijkse efficiencyverbetering van 2,1%. De kosten bedragen in 2030 jaarlijks ruim 4 miljard euro, maar er zijn ook forse maatschappelijke baten. De werkgelegenheid stijgt licht. De extra kosten voor een gemiddeld huishouden groeien in 25 jaar naar extra 600 euro, terwijl in diezelfde periode het nationale inkomen stijgt met 50%. Met name zuinige energiegebruikers worden beter van het plan, kwistige energiegebruikers worden geconfronteerd met hogere kosten.]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Zoeken, vinden en winnen: een analyse van de drijvende krachten achter de beschikbaarheid van energiedragers; Olie, gas, kolen en uranium]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/zoeken%2C_vinden_en_winnen%3A_een_analyse_van_de_drijvende_krachten_achter_de_beschikbaarheid_van_energiedragers%3B_olie%2C_gas%2C_kolen_en_uranium/810</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/zoeken%2C_vinden_en_winnen%3A_een_analyse_van_de_drijvende_krachten_achter_de_beschikbaarheid_van_energiedragers%3B_olie%2C_gas%2C_kolen_en_uranium/810</guid>
			<description><![CDATA[Voor het Vlaams Instituut voor Wetenschappelijk en Technologisch Aspectenonderzoek (viWTA) heeft CE Delft – in samenwerking met het Clingendael International Energy Programme (CIEP) onderzocht of we er vanuit mogen gaan dat fossiele energie en uranium in de komende tientallen jaren beschikbaar zullen blijven. Inzicht daarin kan van belang zijn voor nieuwe investeringen in de energievoorziening, maar ook voor de opstelling van Vlaanderen en Europa in politieke vraagstukken. 

In het onderzoek is de aandacht vooral gericht op het zgn. upstream-gedeelte van de markt. Dat is het traject van het lokaliseren van energiedragers in aardlagen tot het moment van winning. In dit deel van de energieketen bestond weinig inzicht. Wat daar speelt houdt vanzelfsprekend wel verband met wat er gebeurt in daarop volgende processen. Bij de uitspraken over de beschikbaarheid van olie, kolen gas en uranium wordt dan ook rekening gehouden met de drijvende krachten uit de gehele keten. Daarnaast wordt ook de duurzaamheid van de energievoorziening beschouwd.
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Leuker kunnen we het niet maken, wel groener]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/leuker_kunnen_we_het_niet_maken%2C_wel_groener/479</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/leuker_kunnen_we_het_niet_maken%2C_wel_groener/479</guid>
			<description><![CDATA[Dit rapport is opgesteld in opdracht van het ministerie van VROM naar aanleiding van de motie Spies en onderzoekt fiscale en financi&amp;euml;le opties voor energiebesparing in de gebouwde omgeving. Bij het vormgeven van deze opties kan aangesloten worden bij het energieprestatiecertificaat voor gebouwen en woningen, dat naar verwachting medio 2007 beschikbaar zal zijn.  De conclusies uit deze studie zijn als volgt:

    Het huidig instrumentarium is niet voldoende om het beoogde jaarlijkse besparingstempo te realiseren (1,3% vanaf 2008 en 1,5% vanaf 2012) en laat bovendien veel potentieel voor energiebesparing in de gebouwde omgeving met een terugverdientijd van minder dan 4 tot 6 jaar liggen.
    Om tot een hoger besparingstempo te komen en weerstand en gebrek aan prioriteit te overwinnen, zijn instrumenten noodzakelijk die partijen verplichten tot het verbeteren van de energieprestatie van de gehele voorraad.
    Fiscale en financi&amp;euml;le instrumenten kunnen gericht ingezet worden om resterende belemmeringen en vormen van marktfalen aan te pakken. Dit betreft een combinatie van verschillende maatregelen specifiek gericht op de doelgroep:
    
        Koopwoningen: De effectiviteit van een korting op overdrachtsbelasting (OVB) is gunstig, voornamelijk te verklaren door de mogelijkheid aan te sluiten bij een verbouwingsmoment. Voor structurele aanpassing aan het huis, zoals isolatie of aanschaffen van energiezuinige voorzieningen, speelt een dergelijk natuurlijk moment een belangrijke rol.
        Sociale huurwoningen: het sterker meewegen van energiebesparing in het woningwaarderingstselsel is wenselijk om corporaties meer mogelijkheden te geven om voor energiezuinige woningen een hogere huur te vragen, welke met lagere energielasten door huurder kunnen worden gecompenseerd. Uit ervaringen blijkt dat bij renovatieprojecten forse CO2-reducties mogelijk zijn zonder dat de bruto-woonlasten (huur inclusief energierekening) voor de huurder toenemen.
        Utiliteit: Een energiebesparingsbedrijf kan nieuwe financieringsvormen en beheersvormen ontwikkelen, zodat eigenaren een betere kosten-batenafweging van besparingsmaatregelen kunnen maken. Een belangrijk knelpunt in de utiliteit is dat de eigenaar als investeerder geen rendement op zijn investering krijgt in de vorm van een lage energierekening of meer comfort (split-incentive).
    
    
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Zuinig ICT, Rendabel idee]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/zuinig_ict%2C_rendabel_idee/443</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/zuinig_ict%2C_rendabel_idee/443</guid>
			<description><![CDATA[Stimular, CE en COS Nederland voeren het SMOM project ‘Zuinig ICT, Rendabel idee’ uit  met als doel het stimuleren van actoren die professioneel betrokken zijn bij de aanschaf en het beheer van ICT apparatuur om maatregelen te treffen die het energiegebruik van deze apparatuur verlagen. CE heeft in het kader van dit rapport een inhoudelijke grondslag geschreven op basis waarvan een voorlichtingscampagne opgezet kan worden. 

ICT apparatuur is verantwoordelijk voor circa 10% van het primair energiegebruik in een gemiddeld kantoor. Het totaal primair energiegebruik van kantoorapparatuur in het bedrijfsleven wordt geschat op 8,5 PJ. Dit staat gelijk aan het energiegebruik van circa 95.000 huishoudens. Een aantal eenvoudige maatregelen kan tot interessante energiebesparingen leiden. Voorbeelden hiervan zijn het inschakelen van power management bij de PC en het beeldscherm, kopieermachines uitschakelen na werktijd en letten op energie-effici&euml;nte bij de aankoop van ICT apparatuur. 
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Verlichting vergeleken]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/verlichting_vergeleken/824</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/verlichting_vergeleken/824</guid>
			<description><![CDATA[LED (light-emitting-diodes) lampen zijn energiezuinige lampen die wat betreft energiegebruik en levensduur nog beter presteren dan spaarlampen. Momenteel vindt toepassing al op grotere schaal plaats in verkeerslichten en wordt een begin gemaakt met de introductie in huishoudens.   CE heeft voor Lemnis (een producent van LED lampen) onderzocht hoe de milieubelasting van de LED lamp zich verhoudt tot de gloeilamp en spaarlamp. Dit betekende dat behalve naar het stroomverbruik van de lamp, ook gekeken is naar het materiaalgebruik van &amp;ldquo;wieg tot graf&amp;rdquo; middels een levenscyclus analyse (LCA).   Ook als het materiaalgebruik wordt vergeleken, blijkt de LED lamp een duurzaam alternatief, dat minder milieubelasting oplevert. Het elektriciteitgebruik is aanzienlijk lager, zelfs in vergelijking met een standaard spaarlamp en in de LED-lamp is minder materiaal verwerkt dan in beide andere lamp typen. Dit met name omdat voor een brandtijd van 100.000 uur slechts &amp;eacute;&amp;eacute;n LED-lamp, maar 100 gloeilampen of 17 spaarlampen nodig zijn. De milieubelasting van de LED lamp gerelateerd aan materiaalgebruik kan nog aanzienlijk verbeteren door minder aluminium te gebruiken, een optimalisatie die in het nieuwe ontwerp wordt opgenomen.]]></description>
			<pubDate>Thu, 19 Mar 2009 12:56:43 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Randvoorwaarden voor een prikkelende Benchmark Duurzaam Inkopen]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/randvoorwaarden_voor_een_prikkelende_benchmark_duurzaam_inkopen/410</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/randvoorwaarden_voor_een_prikkelende_benchmark_duurzaam_inkopen/410</guid>
			<description><![CDATA[Met een jaarlijkse inkoopbudget van circa &iuml;&iquest;&frac12; 28,8 miljard (VNG, 2003) kan de gezamenlijke overheid een substanti&iuml;&iquest;&frac12;le impuls geven aan het duurzaam inkopen van goederen in Nederland. Zowel binnen overheid als in het maatschappelijk veld bestaat de wens om met een benchmark het duurzaam inkopen te bevorderen. In dit kader hebben CE, COS Nederland en Milieudefensie, met financiering uit de SMOM-regeling, randvoorwaarden en criteria voor een prikkelende benchmark opgesteld. Er bleek relatief veel informatie beschikbaar te zijn over benchmarking en overheden waardoor een goede systematische basis beschreven kon worden. Dit bood CE, Milieudefensie en COS Nederland ook de mogelijkheid om vanuit deze systematiek naar de gemeenten tot een toetsing van wensen en prioriteiten te komen. Hieruit kwamen duidelijke wensbeelden naar voren, zoals de verhouding tussen de beleids-, proces- en resultaatgerichte indicatoren, de openbaarheid van informatie en de tijd die nodig is voor behandeling van de vragen. Hiermee zullen de maatschappelijke organisaties in hun benchmark hun voordeel doen (zie www.duurzaamheidsmeter.nl). De benchmark van SenterNovem is in ontwikkeling buiten het zichtveld van de onderzoekers.]]></description>
			<pubDate>Tue, 20 Jul 2010 11:10:17 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Achtergrondgegevens stroometikettering 2005]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/achtergrondgegevens_stroometikettering_2005/444</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/achtergrondgegevens_stroometikettering_2005/444</guid>
			<description><![CDATA[Sinds 1 januari 2005 is etikettering van de herkomst van elektriciteit verplicht in Nederland. Het gaat hierbij om zogenaamde ‘ex-post etikettering’: uiterlijk drie maanden na afloop van ieder kalenderjaar moet een elektriciteitsleverancier informatie verstrekken over het aandeel van elke energiebron in de totale gebruikte brandstofmix bij productie van elektriciteit en de milieugevolgen hiervan in termen van uitstoot van kooldioxide en radioactief afval.

EnergieNed heeft het Nederlandse etiketteringsysteem in de praktijk uitgewerkt en faciliteert de leveranciers bij een deel van de invulling. CE heeft voor dit doel verschillende nationale brandstofmixen vastgesteld, waaronder de mix van de geleverde elektriciteit in Nederland. Hierin is te zien dat de Nederlandse leveringsmix wordt gedomineerd door elektriciteit opgewekt uit aardgas, zonder dan wel met warmtekrachtkoppeling. Dat gezamenlijke aandeel is ruim 50%. Daarna volgt kolen met 22%. Kernenergie en groen stroom hebben beide een vergelijkbaar aandeel van circa 10%. Voor beide stromen geldt dat ze voor een aanzienlijk deel worden ge&iuml;mporteerd. De milieuconsequenties uitgedrukt in termen van kooldioxide en radioactief afval bedragen respectievelijk 443 g CO2 per kWh en 0,000287 g kernafval / kWh.
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energiediensten voor de industrie]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energiediensten_voor_de_industrie/384</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energiediensten_voor_de_industrie/384</guid>
			<description><![CDATA[Energy Service Companies (ESCO’s; energiedienstenleveranciers) kunnen een rol spelen bij het vergroten van de toepassing van energiebesparing en duurzame energie in de industrie. Dat blijkt uit internationale ervaring. Dit verkennende onderzoek gaat na waarin de toegevoegde waarde van ESCO’s precies ligt, of deze ook in de Nederlandse context opgaat en welke rol de overheid in dit kader kan spelen.

De toepassing van energiebesparing en duurzame energie in de industrie wordt belemmerd door factoren van marktfalen en marktbarri&egrave;res. De belangrijkste conclusie van dit verkennende onderzoek is dat ESCO’s, ook in de Nederlandse context, marktbarri&egrave;res weg zullen nemen of verkleinen. Ook de barri&egrave;res zoals die zijn benoemd in het kader van het VEDI-project. ESCO’s kunnen geen rol spelen bij het oplossen van marktfalen. Wanneer aspecten van marktfalen door de overheid worden aangepakt, ontstaan (ook voor de ESCO’s) wel gunstigere condities om actie te nemen.

De toegevoegde waarde van ESCO’s komt vooral voort uit hun bekendheid en ervaring met technieken, leveranciers, financiers, stimuleringsregelingen e.d. ESCO’s zullen zich primair richten op de middelgrote industrie. De condities voor ESCO’s zijn op dit moment goed in ons land. Dat was tot voor kort minder het geval.

Geconcludeerd wordt dat de Nederlandse overheid ESCO’s niet financieel hoeft te ondersteunen. De rol van de overheid kan zich beperken tot regulering en het geven van bekendheid aan het fenomeen bij o.m. financi&euml;le instellingen.

]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
			</channel>
</rss>

