<?xml version="1.0" encoding="ISO-8859-1" ?>
<rss version="2.0" xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom">
  	<channel>
    	<title>CE Delft - Gebouwde omgeving</title>
		<copyright>Copyright (c) 2012, CE Delft</copyright>
		<link>http://www.ce.nl/ce/rapporten/114/</link>
        <atom:link href="http://www.cedelft.nlindex.php?go=home.showRapportenRSS&amp;pagenr=94" rel="self" type="application/rss+xml" />
		<language>nl</language>
		<description>CE Delft Rich Site Summary</description>
		<webMaster>webmaster@ce.nl (Webmaster)</webMaster>
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Functioneel ontwerp VESTA]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/functioneel_ontwerp_vesta/1207</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/functioneel_ontwerp_vesta/1207</guid>
			<description><![CDATA[Voor PBL is een geografisch rekenmodel (&amp;lsquo;VESTA&amp;rsquo;) ontwikkeld over de energievoorziening van de gebouwde omgeving. De nadruk in de eerste fase ligt op de invulling van de warmtevraag. In het model wordt per postcodegebied de energievraag berekend uit de bebouwingsgegevens van woningbouw, utiliteitbouw en glastuinbouw. Vervolgens wordt bepaald of restwarmte in de buurt beschikbaar is en of die op een rendabele manier aan de bebouwing kan worden geleverd. Ook geothermie en warmte-koude-opslag worden doorgerekend op rentabiliteit. Een geografische rekenapplicatie zoals VESTA is hiervoor essentieel, aangezien de rentabiliteit van warmtenetten sterk wordt bepaald door ruimtelijke afstanden en bebouwingsdichtheden.&amp;nbsp;&amp;nbsp;
CE Delft heeft het functioneel ontwerp voor het VESTA-model geschreven, inclusief alle benodigde formules voor energieberekeningen en kosten-, opbrengst- en rentabiliteitsberekeningen, en de defaultwaardes bepaald van de gebruikte parameters.]]></description>
			<pubDate>Tue, 27 Dec 2011 09:16:02 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[MetropoolRegio Amsterdam: route naar energieneutraliteit]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/metropoolregio_amsterdam%3A_route_naar_energieneutraliteit/1172</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/metropoolregio_amsterdam%3A_route_naar_energieneutraliteit/1172</guid>
			<description><![CDATA[De MetropoolRegio Amsterdam (MRA) is een platform van lokale en regionale overheden in het noordelijke deel van de Randstad. In totaal doen 36 gemeenten, de stadsregio Amsterdam en de provincies Noord-Holland en Flevoland mee aan dit platform. De MRA heeft de gezamenlijke ambitie om in 2040 als regio energieneutraal te zijn, dat wil zeggen dat de hoeveelheid energie die in de regio gebruikt wordt ook in dezelfde regio duurzaam wordt opgewekt. De Routekaart laat zien hoe die ambitie gerealiseerd kan worden.

Allereerst is daarvoor het huidig energiegebruik in de regio in kaart gebracht. De mogelijkheden voor energiebesparing en voor opwekking van duurzame energie zijn vervolgens bepaald, en gesorteerd op kosteneffectiviteit. Ook de economische en werkgelegenheidseffecten worden daarbij besproken. Als de ambitie wordt gerealiseerd bedragen de uitgespaarde uitgaven aan fossiele energie in de regio drie miljard Euro per jaar.

De ambitie is haalbaar, maar ook is duidelijk gemaakt dat er nog veel moet gebeuren. Draagvlak onder burgers en bedrijven is daarbij een belangrijk onderdeel. In de opgestelde Routekaart is uitgewerkt welke stappen op korte en langere termijn gezet moeten gaan worden, en door welke partijen. Daarbij ligt de focus op onderdelen waarbij de samenwerking in MRA-verband duidelijke meerwaarde heeft of zelfs noodzakelijk is. Onderdeel van de Routekaart is ook een gezamenlijke lobbyagenda, gericht op het Rijk en de EU. In de beschreven icoonprojecten kan de MRA de meerwaarde van de samenwerking expliciet tonen aan de samenleving.]]></description>
			<pubDate>Tue, 13 Sep 2011 10:26:00 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[IPO Nationale Routekaart Restwarmte]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/ipo_nationale_routekaart_restwarmte/1164</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/ipo_nationale_routekaart_restwarmte/1164</guid>
			<description><![CDATA[In het Klimaat- en Energieakkoord tussen de provincies en het Rijk geven de provincies onder andere aan hoe zij een bijdrage leveren aan de reductie van de CO2-uitstoot, energiebesparing en de toename van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen. E&amp;eacute;n van de uitwerkingen hiervan is het in kaart brengen van de mogelijkheden voor de maximale benutting van restwarmte.

Met behulp van de recent gepubliceerde Warmteatlas van het Nationaal Expertisecentrum Warmte (NEW) van Agentschap NL, is een quickscan gemaakt van het potentieel aan restwarmte dat per provincie beschikbaar is. Met enige kanttekeningen kan worden aangenomen dat de ordegrootte van het restwarmtepotentieel in Nederland ligt rond de 100 PJ per jaar, ongeveer een derde van het huidige warmteverbruik van de Nederlandse huishoudens. Hiervan blijkt ongeveer 57 PJ restwarmte nuttig ingezet kan worden voor warmtelevering aan huishoudens. Genoeg voor 1,2 miljoen huishoudens en een CO2-reductie van 3.200 kton.

De provincies van Nederland verschillen z&amp;eacute;&amp;eacute;r sterk. Zowel in restwarmteaanbod en -vraag, als in de rolopvatting en de beleidsinbedding van restwarmte. Niet iedere provincie hoeft zich evenveel in te zetten voor restwarmte of heeft de middelen om projecten te financieren. Het is dan ook niet mogelijk om &amp;eacute;&amp;eacute;n generieke set met beleidsaanbevelingen op te stellen, waarmee het succesvol benutten van restwarmte gegarandeerd is. 

Voor alle provincies is een specifieke set van aanbevelingen opgesteld en voor alle provincies tezamen de IPO Nationale Routekaart Restwarmte (NRR). Hierin staat een aantal concrete aanbevelingen voor de provincies, Agentschap NL en de Rijksoverheid. Deze aanbevelingen dienen de grootste belemmering weg te nemen op het vlak van wet- en regelgeving en te faciliteren in het eenvoudiger bewerkstellen van restwarmteprojecten in de provincies.


    
        
            
            
            Warmtevraag totaal 
            (TJ)
            
            Warmtevraag beschikbaar 
            (TJ)
            
            Warmte-aanbod
            (TJ)
            
            Benuttings-
            potentieel
            (TJ)
            
            Benuttings-potentieel (woningen)
            
            CO2-
            reductie (kton)
            
        
        
            Zuid-Holland
            63.585
            50.159
            25.325
            13.782
            297.000
            780
        
        
            Gelderland
            42.391
            42.007
            16.900
            9.829
            211.000
            556
        
        
            Limburg
            26.144
            35.581
            14.300
            7.317
            157.000
            414
        
        
            Noord-Brabant
            52.886
            28.174
            14.113
            8.063
            173.000
            456
        
        
            Groningen
            13.027
            13.979
            7.713
            2.144
            46.000
            121
        
        
            Noord-Holland
            54.510
            16.280
            7.225
            5.876
            126.000
            333
        
        
            Zeeland
            8.004
            13.975
            5.950
            1.783
            38.000
            101
        
        
            Overijssel
            23.578
            4.888
            3.375
            3.059
            66.000
            173
        
        
            Drenthe
            11.635
            6.051
            3.188
            1.814
            39.000
            103
        
        
            Utrecht
            24.473
            4.231
            2.113
            2.000
            43.000
            113
        
        
            Friesland
            14.349
            4.178
            1.650
            550
            12.000
            31
        
        
            Flevoland
            6.192
            4.070
            750
            750
            16.000
            42
        
        
            Totaal
            340.776
            223.572
            102.600
            56.967
            1.224.000
            3.224
        
    

Disclaimer: Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van gegevens uit de Warmteatlas van Agentschap NL. Agentschap NL stelt dat de gegevens niet geschikt zijn voor kwantitatieve berekeningen. De bruikbaarheid van deze gegevens is dan ook gelimiteerd tot het identificeren van mogelijk aanwezige kansen, wat tevens het doel van dit onderzoek is. De volledige disclaimer van de Warmteatlas is terug te vinden op www.warmteatlas.nl.]]></description>
			<pubDate>Fri, 19 Aug 2011 10:18:01 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energiebesparingspotentieel onder de Wet milieubeheer]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energiebesparingspotentieel_onder_de_wet_milieubeheer/1141</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energiebesparingspotentieel_onder_de_wet_milieubeheer/1141</guid>
			<description><![CDATA[Via de Wet milieubeheer worden bedrijven en instellingen verplicht om energiebesparing toe te passen als de maatregelen binnen vijf jaar kunnen worden terugverdiend. Uit een onderzoek van CE Delft en de DCMR Milieudienst Rijnmond blijkt dat er in heel Nederland 47 PJ (het energieverbruik van 500.000 woningen) per jaar te besparen valt, simpelweg door de Wet milieubeheer uit te voeren. Een opsteker voor iedere gemeente die actief klimaatbeleid voert.&amp;nbsp;

Het onderzoek is gebaseerd op energiecontroles die de DCMR de afgelopen jaren heeft uitgevoerd bij ca. 400 grotere instellingen, zoals middelbare scholen, verpleeghuizen en kantoren. Naast inzicht op de energieprestatie is daarbij inzicht verschaft over het nut en de noodzaak van de besparingsmaatregelen. Deze milieudoelenaanpak is ook beschikbaar op www.dcmr.nl. Als gemeenten in heel Nederland op deze manier invulling geven aan de Wet milieubeheer kan bij de eerdergenoemde typen instellingen gemiddeld tussen de 15-20% energie bespaard worden. Het gaat daarbij om rendabele maatregelen die binnen vijf jaar worden terugverdiend. Uit het onderzoek valt te concluderen dat het zin heeft voor gemeenten om systematisch energiebesparing via de Wet milieubeheer uit te voeren, omdat het een aanzienlijke besparing op het energiegebruik kan opleveren.]]></description>
			<pubDate>Tue, 19 Apr 2011 11:36:07 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[200-200 in 2020. Overzicht van het warmtepotentieel in Nederland]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/200-200_in_2020._overzicht_van_het_warmtepotentieel_in_nederland/1109</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/200-200_in_2020._overzicht_van_het_warmtepotentieel_in_nederland/1109</guid>
			<description><![CDATA[De vraag naar warmte bedraagt op dit moment ongeveer 40% van de totale energievraag in Nederland. Met name de gebouwde omgeving, industrie (inclusief energiesector) en de glastuinbouw bepalen in Nederland deze hoge warmtevraag. Deze sectoren hebben allen een verschillend vraagprofiel en verschillende mogelijkheden als het gaat om warmtebesparing en duurzame warmte. CE Delft heeft voor het Warmtenetwerk een literatuurstudie uitgevoerd om in kaart te brengen wat de technische besparingsopties zijn voor deze sectoren en welke warmtevraag duurzaam ingevuld kan worden.

Uit verschillende studies blijkt, dat zonder aanvullend beleid, de warmtevraag in de komende tien&amp;nbsp;jaar&amp;nbsp;niet of nauwelijks verandert. De mogelijkheden om hier verandering in aan te brengen zijn echter legio. Deze studie laat zien dat besparingen op het gebied van warmte een technisch potentieel heeft van bijna 300 PJ in 2020. De belangrijkste maatregelen zijn:

    isolatiemaatregelen in de gebouwde omgeving
    procesverbetering in de industrie
    restwarmtelevering van elektriciteitsproductie en afvalverbranding
    warmtekrachtkoppelingen

Ook de duurzame opties hebben voor het zichtjaar 2020 een potentieel van bijna 300 PJ. Het gaat hierbij vooral om:

    geothermie in de glastuinbouw en gebouwde omgeving;
    biogas voor bio-WKK of groengas;
    WKO/warmtepompen in de gebouwde omgeving;
    warmte uit biomassa (bio-ketels) voor de glastuinbouw en industrie.

Hoewel de technische potenti&amp;euml;len van warmtebesparing en duurzame warmte elkaar weinig ontlopen, is wel een verschil zichtbaar in de kosteneffectiviteit van beide opties. Waar bij warmtebesparing bijna 200 PJ kosteneffectief in te vullen is, geldt dat voor de duurzame opties maar zeer beperkt. Echter, voor een meerprijs van 10 &amp;euro;/GJ is deze 200 PJ duurzame warmte echter wel haalbaar. In vergelijking met duurzame elektrische opties (wind op zee en land en photovolta&amp;iuml;sch) lijkt een sterke inzet op warmtebesparing en duurzame warmte dan ook een logische keuze, zowel economisch als voor het potentieel.&amp;nbsp;]]></description>
			<pubDate>Wed, 15 Dec 2010 12:15:34 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Sustainable urban (re)development ]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/sustainable_urban_%28re%29development_/1092</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/sustainable_urban_%28re%29development_/1092</guid>
			<description><![CDATA[De sterke mate van urbanisatie, in grote delen van de wereld, vereist een adequate respons qua stedelijke ontwikkeling. Dit antwoord kan gevonden worden in het moderne concept van duurzame stedelijke (her)ontwikkeling, dat op een doeltreffende wijze ruimtelijke planning, sociaaleconomische stimuli en ecologische antwoorden integreert. Deze studie verschaft beleidsmakers inzicht in en krachtige voorbeelden van duurzame stedelijke (her)ontwikkeling en in onderliggende strategie&amp;euml;n.
Op basis van vele eerdere exercities, zijn relevante indicatoren en parameters verzameld, geclusterd en vervat in een raamwerk. 

Zes steden zijn geselecteerd en geanalyseerd: Amsterdam, Kopenhagen, Ottawa, Rotterdam, San Francisco en Vancouver. Hoofdreden om deze steden te selecteren is dat het project onderdeel vormt van een &amp;ldquo;Memorandum of Understanding&amp;rdquo; tussen Canada en Nederland. Een andere reden is dat deze steden worden beschouwd als koplopers en voorbeelden met betrekking tot duurzame stedelijke (her)ontwikkeling. De analyses van de steden zijn alleen bedoeld om een beter begrip te krijgen voor de effectiviteit van de duurzame stedelijke (her)ontwikkeling strategie&amp;euml;n in het algemeen en niet om de steden te beoordelen of onderling te rangschikken op welke manier dan ook.
De steden tonen interessante overeenkomsten en verschillen in hun benaderingen en unieke pilot projecten, die uitgewerkt worden in het rapport.
&amp;nbsp;
&amp;nbsp;]]></description>
			<pubDate>Thu, 09 Sep 2010 10:11:21 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Net voor de Toekomst]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/net_voor_de_toekomst/1192</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/net_voor_de_toekomst/1192</guid>
			<description><![CDATA[Gas- en elektriciteitsnetten zijn een belangrijke randvoorwaarde voor verduurzaming en energiebesparing. Om de verduurzaming in goede banen te leiden hebben de netbeheerders daarom in het rapport &amp;lsquo;Net voor de Toekomst&amp;rsquo; de op stapel staande veranderingen en de impact daarvan op de netten in kaart gebracht. Uit het rapport blijkt vooral dat onzekerheid rond het tempo en de vorm waarin de verduurzaming plaats vindt, het lastig maakt om toekomstbestendig te investeren. Netbeheer Nederland pleit daarom voor een ketenbenadering in de energievoorziening waarbij netbeheerders in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken zijn bij de ontwikkeling van nieuwbouwgebieden om zo energieoptimale oplossingen aan te kunnen bieden. Daarnaast kunnen netbeheerders met hun ervaring en expertise een belangrijke rol vervullen als aanjager van nieuwe ontwikkelingen en door innovatieve projecten het gas- en elektriciteitsnet zo optimaal mogelijk in te richten en af te stemmen op de toekomstige energievoorziening in Nederland.

Hoe en in welk tempo de verduurzaming vorm gaat krijgen staat nog allerminst vast. Welke rol in onze toekomstige Nederlandse energievoorziening krijgt duurzame productie met windturbines, zonnepanelen, inzet van biomassa en groen gas en energiebesparende technieken als warmtepompen, elektrisch vervoer en thuiscentrales die zowel warmte als elektriciteit produceren?&amp;nbsp;

Een net dat wordt aangelegd gaat wel voor enkele tientallen jaren in de grond. Om de juiste investeringsbeslissingen bij de aanleg en vervanging voor de netten te kunnen nemen willen netbeheerders meer duidelijkheid proberen te krijgen. Verkeerde beslissingen kunnen er toe leiden dat het net een beperkende factor van de verduurzaming wordt omdat het bepaalde ontwikkelingen niet aan kan. Maar ongebreideld investeren in netten om alle denkbare ontwikkelingen mogelijk te maken is uit kostenoverwegingen eveneens maatschappelijk ongewenst.&amp;nbsp;

Netbeheer Nederland heeft daarom samen met CE Delft de impact van de verduurzaming op de netten in kaart gebracht in het rapport &amp;lsquo;Net voor de Toekomst&amp;rsquo;. Hierin wordt een overzicht gegeven welke ontwikkelingen tot 2050 zijn te verwachten, welke zekerheden en onzekerheden hiermee voor de netten gepaard gaan.&amp;nbsp;]]></description>
			<pubDate>Wed, 02 Nov 2011 11:24:10 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Halvering CO2-emissie in de gebouwde omgeving]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/halvering_co2-emissie_in_de_gebouwde_omgeving/1075</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/halvering_co2-emissie_in_de_gebouwde_omgeving/1075</guid>
			<description><![CDATA[De komende tijd zal een knoop doorgehakt moeten worden over effectieve beleidsinstrumenten voor de gebouwde omgeving (GO). Voor het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft CE Delft onderzoek gedaan naar mogelijke instrumenten voor de gebouwde omgeving. Het doel van het onderzoek was om te onderbouwen wat de mogelijkheden en de beperkingen zijn van negen potenti&amp;euml;le beleidsinstrumenten die gericht zijn op forse CO2-reductie (minimaal 50% in 2030 ten opzichte van 1990) in de gebouwde omgeving. 
Naast een analyse van de knelpunten die energiebesparing in de weg staan zijn beleidsinstrumenten van subsidiering tot CO2-taks beschreven en geanalyseerd. Hierbij is zowel naar (maatschappelijke en directe) kosten gekeken, maar ook naar doelbereiking en uitvoerbaarheid. De hardheid van deze negen instrumenten varieert en daarmee ook de impact die het heeft op maatschappelijk vlak, bestuurlijk vlak en de doelbereiking. De toegepaste beoordelingsmethodiek is enerzijds gestoeld op een analyse van eerder onderzoek: wat kan op basis van (empirisch) onderzoek vrij zeker worden vastgesteld. Anderzijds is door middel van digitale enqu&amp;ecirc;tes nagegaan wat de heersende meningen onder de experts zijn ten aanzien van deze instrumenten.]]></description>
			<pubDate>Tue, 20 Jul 2010 12:15:56 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energietransitie Amsterdam 2040]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energietransitie_amsterdam_2040/1070</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energietransitie_amsterdam_2040/1070</guid>
			<description><![CDATA[Amsterdam wil met de Energiestrategie 2040 de omslag maken naar een duurzame energievoorziening. 

In de Energiestrategie staat beschreven langs welke hoofdlijnen dat doel voor elke sector bereikt kan worden. Het document levert daarmee input voor de Structuurvisie Amsterdam 2040.

De Energiestrategie is uitgedrukt in termen van CO2-emissiereducties, mede omdat klimaatbeleid een belangrijke pijler is onder de strategie, maar zeker niet de enige. Andere belangrijke pijlers zijn sociaal- en economisch beleid. Inzetten op energiebesparing en op duurzame energieopwekking betekent immers ook inzetten op acceptabele variabele woonlasten en op voorzieningszekerheid. Daarnaast levert de inzet op gebouwisolatie, op effici&amp;euml;nte gebouwinstallaties en op duurzame energiebronnen zoals zonnecellen en windmolens belangrijke werkgelegenheid in de regio op en ook aantrekkingskracht op innovatieve bedrijvigheid. 

De Energiestrategie 2040 is daarmee ook een verstandig sociaal en economisch beleid. Amsterdam kiest daarbij de rol van koploper; een partij die laat zien wat er kan en d&amp;agrave;t het kan, daarbij een beroep doend op burgers, bedrijven en andere overheden om dat voorbeeld te volgen. De gemeentelijke organisatie geeft zelf het goede voorbeeld door in 2015 geheel klimaatneutraal te zijn.&amp;nbsp;
&amp;nbsp;]]></description>
			<pubDate>Fri, 09 Jul 2010 10:41:14 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Wat voor welke warmte?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/wat_voor_welke_warmte/1016</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/wat_voor_welke_warmte/1016</guid>
			<description><![CDATA[CE Delft heeft voor EnergieNed een onafhankelijk onderzoek gedaan naar de interpretatie van de Warmtewet ten aanzien van de te hanteren methodiek voor de maximumprijs voor warmte. 

De Warmtewet stelt dat de bepaling van de maximumprijs in een AMvB wordt vastgelegd, maar geeft daar wel de nodige richting aan mee. Zo dient vergeleken te worden met &amp;lsquo;gas als energiebron&amp;rsquo;, en moet die vergelijking gebaseerd zijn op &amp;lsquo;integrale kosten&amp;rsquo; voor het verkrijgen van &amp;lsquo;dezelfde hoeveelheid warmte&amp;rsquo;.

Uit het onderzoek blijkt:

    Dat vele factoren binnen een gebouw relevant zijn voor het bepalen van de integrale kosten. De te hanteren systeemgrens dient om het gebouw te liggen, en niet een systeemgrens om alleen de cv-installatie heen.
    Dat ook de gebruikssituatie van belang is voor het energetisch rendement van een installatie, en daarmee voor de kosten voor de gebruiker.
    Dat een vergelijkingmethodiek op basis van voldoend grote, nette, aselecte en transparant samengestelde steekproeven van warmte- en gassituaties het meest recht doet aan de bepalingen in de Warmtewet met betrekking tot de maximumprijs.

Te hanteren systeemgrens: woning c.q. gebouw
 





]]></description>
			<pubDate>Wed, 16 Feb 2011 15:00:16 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Zonne-energie (CSP) in Noord-Afrika]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/zonne-energie_%28csp%29_in_noord-afrika/977</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/zonne-energie_%28csp%29_in_noord-afrika/977</guid>
			<description><![CDATA[CE Delft heeft onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor de ontwikkeling van zonne-energie (Concentrating Solar Power = CSP) in Noord-Afrika. CE Delft heeft ook gekeken naar de mogelijkheden om vanuit Noord-Afrika duurzame zonne-energie te leveren aan de EU. 

De uitkomst is, dat CSP in technische zin een bewezen techniek is en dat 
Noord-Afrika een zeer geschikt gebied is om CSP te ontwikkelen. Er zijn voldoende mogelijkheden om vanuit Noord-Afrika duurzame energie te leveren aan de EU.
De Nederlandse overheid richt zich echter voorlopig op de ontwikkeling van duurzame energie binnen de Nederlandse landsgrenzen (zoals windenergie op land en water, zonnecellen). 
Nederlandse bedrijven richten zich bij de ontwikkeling van CSP echter voorlopig liever op Zuid-Europa dan op Noord-Afrika. 

Inmiddels hebben twaalf grote Europese bedrijven de intentie uitgesproken om ongeveer 400 miljard &amp;euro; te investeren in het aanleggen van de infrastructuur en de capaciteit om zonne-energie in Noord-Afrika op te wekken. CE Delft ziet kansen voor Nederland - overheid, kennisinstellingen en bedrijfsleven - om in te spelen op deze ontwikkeling en bij te dragen aan een duurzame ontwikkeling van Noord-Afrikaanse staten, gebruik makend van de mogelijkheden die CSP in dit gebied met zich meebrengt.]]></description>
			<pubDate>Fri, 13 Nov 2009 11:31:00 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Warmtenetten in Nederland]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/warmtenetten_in_nederland/976</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/warmtenetten_in_nederland/976</guid>
			<description><![CDATA[Naar verwachting treedt in 2010 de Warmtewet in werking. Doel van de Warmtewet is waarborgen dat verbruikers verzekerd zijn van warmtelevering tegen redelijke prijzen en voorwaarden. 

De Energiekamer (onderdeel van de Nederlandse Mededingingsautoriteit) wordt verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de Warmtewet. De Energiekamer zal onder andere beleidsregels gaan vaststellen waarin wordt bepaald aan welke voorwaarden een redelijke prijs voor warmtelevering moet voldoen. Om het toezicht op de naleving van de Warmtewet goed te kunnen uitoefenen, heeft de Energiekamer aan CE Delft gevraagd twee onderzoeken uit te voeren: (1) het in kaart brengen van de warmtenetten, -leveranciers, - producenten en warmtetarieven in Nederland en (2) inzicht verschaffen in de belangrijkste cost drivers van warmtelevering. 

Warmtenetten in Nederland (marktanalyse)
Warmtelevering vindt in Nederland in vele soorten en maten plaats; van grootschalige warmtenetten met tienduizenden aangesloten verbruikers tot kleinschalige netten met slechts een handvol verbruikers. In samenwerking met de betrokken energiebedrijven en organisaties als SenterNovem heeft CE Delft een overzicht gemaakt van alle warmtenetten in Nederland.

In het overzicht is een onderscheid gemaakt tussen grootschalige netten (meer dan 5.000 aangesloten verbruikers) en kleinschalige netten (minder dan 5.000 aangesloten verbruikers). Er zijn dertien grootschalige netten met ongeveer 227.000 aangesloten verbruikers. Op deze grootschalige warmtenetten wordt warmte geleverd door de grote energiebedrijven (waaronder Eneco, Essent en Nuon). Daarnaast leveren zij ook de warmte voor ongeveer 300 kleinschalige warmtenetten. De overige kleinschalige warmtenetten, ongeveer 6.600, zijn eigendom van woningcorporaties, verenigingen van eigenaren (VvE&amp;rsquo;s), projectontwikkelaars en overige partijen. In totaal zijn 336.000 verbruikers aangesloten op een kleinschalig warmtenet.

De warmtetarieven die de grote energiebedrijven in rekening brengen aan consumenten zijn hoofdzakelijk gebaseerd op het NMDA-tariefadvies van EnergieNed. De tarieven van de overige warmteleveranciers (woningcorporaties, VvE&amp;rsquo;s, etc.) worden veelal berekend door warmtekostenverdeelfirma&amp;rsquo;s en zijn gebaseerd op de gemaakte kosten voor de levering van warmte.

De belangrijkste productiebronnen van warmte voor de grootschalige warmtenetten zijn warmtekrachtcentrales (gas) en elektriciteitscentrales (gas en kolen). Een beperkt deel wordt duurzaam ingevuld. Kleinschalige warmtenetten hebben een grote diversiteit aan warmtebronnen, van warmtekrachtcentrales/koppelingen en conventionele ketels tot warmte/koude-opslag en collectieve zonneboilers.

Cost drivers warmtelevering in Nederland
In dit tweede onderzoek van CE Delft wordt verschil gemaakt tussen factoren (cost drivers) die van invloed zijn op de leveringsonafhankelijke kosten en de leveringsafhankelijke kosten van warmteleveranciers. Leveringsonafhankelijke kosten hebben geen (directe) relatie met het aantal geleverde GJ aan warmte; leveringsafhankelijke kosten nemen (evenredig) toe naarmate er meer warmte geleverd wordt. 

Uit het onderzoek blijkt dat de belangrijkste cost drivers voor de leveringsonafhankelijke kosten van warmteleveranciers worden gevormd door de omvang van het warmtenet, de leeftijd van het warmtenet en historische aanschafprijzen (kosten voor loon en materiaal ten tijde van de initi&amp;euml;le investering). De omvang van de leveringsafhankelijke kosten (inkoop van warmte bij de producent) wordt met name be&amp;iuml;nvloed door de herkomst van de warmte (type warmtebron), afspraken over kostenverdelingen tussen warmteleverancier en -producent en de aard en omvang van de warmtelevering.

De rendementen die warmteleveranciers rapporteren, lopen per warmtenet behoorlijk uiteen; van -11 tot 23 % voor grootschalige warmtenetten en van -258 tot 7 % voor kleinschalige warmtenetten. Warmteleveranciers die daarvoor de mogelijkheid hebben, kiezen vaak voor een portefeuillebenadering om verliesgevende warmtenetten met winstgevende warmtenetten te compenseren.&amp;nbsp;]]></description>
			<pubDate>Tue, 27 Oct 2009 15:54:02 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Cost drivers warmtelevering in Nederland]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/cost_drivers_warmtelevering_in_nederland/975</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/cost_drivers_warmtelevering_in_nederland/975</guid>
			<description><![CDATA[Naar verwachting treedt in 2010 de Warmtewet in werking. Doel van de Warmtewet is waarborgen dat verbruikers verzekerd zijn van warmtelevering tegen redelijke prijzen en voorwaarden.

De Energiekamer (onderdeel van de Nederlandse Mededingingsautoriteit) wordt verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de Warmtewet. De Energiekamer zal onder andere beleidsregels gaan vaststellen waarin wordt bepaald aan welke voorwaarden een redelijke prijs voor warmtelevering moet voldoen. Om het toezicht op de naleving van de Warmtewet goed te kunnen uitoefenen, heeft de Energiekamer aan CE Delft gevraagd twee onderzoeken uit te voeren: (1) het in kaart brengen van de warmtenetten, -leveranciers, - producenten en warmtetarieven in Nederland en (2) inzicht verschaffen in de belangrijkste cost drivers van warmtelevering. 

Warmtenetten in Nederland (marktanalyse)
Warmtelevering vindt in Nederland in vele soorten en maten plaats; van grootschalige warmtenetten met tienduizenden aangesloten verbruikers tot kleinschalige netten met slechts een handvol verbruikers. In samenwerking met de betrokken energiebedrijven en organisaties als SenterNovem heeft CE Delft een overzicht gemaakt van alle warmtenetten in Nederland.

In het overzicht is een onderscheid gemaakt tussen grootschalige netten (meer dan 5.000 aangesloten verbruikers) en kleinschalige netten (minder dan 5.000 aangesloten verbruikers). Er zijn dertien grootschalige netten met ongeveer 227.000 aangesloten verbruikers. Op deze grootschalige warmtenetten wordt warmte geleverd door de grote energiebedrijven (waaronder Eneco, Essent en Nuon). Daarnaast leveren zij ook de warmte voor ongeveer 300 kleinschalige warmtenetten. De overige kleinschalige warmtenetten, ongeveer 6.600, zijn eigendom van woningcorporaties, verenigingen van eigenaren (VvE&amp;rsquo;s), projectontwikkelaars en overige partijen. In totaal zijn 336.000 verbruikers aangesloten op een kleinschalig warmtenet.

De warmtetarieven die de grote energiebedrijven in rekening brengen aan consumenten zijn hoofdzakelijk gebaseerd op het NMDA-tariefadvies van EnergieNed. De tarieven van de overige warmteleveranciers (woningcorporaties, VvE&amp;rsquo;s, etc.) worden veelal berekend door warmtekostenverdeelfirma&amp;rsquo;s en zijn gebaseerd op de gemaakte kosten voor de levering van warmte.

De belangrijkste productiebronnen van warmte voor de grootschalige warmtenetten zijn warmtekrachtcentrales (gas) en elektriciteitscentrales (gas en kolen). Een beperkt deel wordt duurzaam ingevuld. Kleinschalige warmtenetten hebben een grote diversiteit aan warmtebronnen, van warmtekrachtcentrales/koppelingen en conventionele ketels tot warmte/koude-opslag en collectieve zonneboilers.

Cost drivers warmtelevering in Nederland
In dit tweede onderzoek van CE Delft wordt verschil gemaakt tussen factoren (cost drivers) die van invloed zijn op de leveringsonafhankelijke kosten en de leveringsafhankelijke kosten van warmteleveranciers. Leveringsonafhankelijke kosten hebben geen (directe) relatie met het aantal geleverde GJ aan warmte; leveringsafhankelijke kosten nemen (evenredig) toe naarmate er meer warmte geleverd wordt. 

Uit het onderzoek blijkt dat de belangrijkste cost drivers voor de leveringsonafhankelijke kosten van warmteleveranciers worden gevormd door de omvang van het warmtenet, de leeftijd van het warmtenet en historische aanschafprijzen (kosten voor loon en materiaal ten tijde van de initi&amp;euml;le investering). De omvang van de leveringsafhankelijke kosten (inkoop van warmte bij de producent) wordt met name be&amp;iuml;nvloed door de herkomst van de warmte (type warmtebron), afspraken over kostenverdelingen tussen warmteleverancier en -producent en de aard en omvang van de warmtelevering.

De rendementen die warmteleveranciers rapporteren, lopen per warmtenet behoorlijk uiteen; van -11 tot 23 % voor grootschalige warmtenetten en van -258 tot 7 % voor kleinschalige warmtenetten. Warmteleveranciers die daarvoor de mogelijkheid hebben, kiezen vaak voor een portefeuillebenadering om verliesgevende warmtenetten met winstgevende warmtenetten te compenseren.&amp;nbsp; ]]></description>
			<pubDate>Tue, 27 Oct 2009 15:54:18 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energieprestatie-eisen bestaande woningen]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energieprestatie-eisen_bestaande_woningen/985</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energieprestatie-eisen_bestaande_woningen/985</guid>
			<description><![CDATA[Het Platform energietransitie Gebouwde Omgeving (PeGO) heeft als hoofddoel om in 2020 een energiereductie van 30% in de gebouwde omgeving te bereiken. Dat zou o.a. kunnen door een algemene energieprestatie-eis voor alle bestaande woningen op te nemen in het Bouwbesluit. Voor nieuwbouw is een dergelijke eis al in het Bouwbesluit opgenomen, in de vorm van een maximale Energie Prestatie Co&amp;euml;ffici&amp;euml;nt (EPC).

Een verplichte energienorm voor de bestaande bouw is een politiek gevoelig onderwerp, omdat alle woningeigenaren er mee te maken kunnen krijgen. Een dergelijke eis is pas maatschappelijk acceptabel als het ook betaalbaar is voor de eigenaar en te rechtvaardigen als het een wezenlijke CO2-reductie oplevert.

PeGO heeft aan CE Delft gevraagd om kennis en advies te verschaffen op het gebied van effectiviteit en juridische haalbaarheid van het eventueel verplicht stellen van een energieprestatie-eis. Er zijn twee afzonderlijke studies verricht, waarvan de twee doelstellingen hieronder zijn verwoord.

    Inzicht verschaffen in de kosten van een energieprestatie-eis voor bestaande woningen en het indicatief vaststellen van de CO2-reductie die dat kan opleveren.
    Inzicht verschaffen in de juridische haalbaarheid van een verplicht energielabel in het algemeen en meer specifiek van het voorlopige voorstel van PeGO.

CE Delft heeft de eerste vraag in samenwerking met een energie- en bouwdeskundige van W/E adviseurs uitgewerkt en de tweede vraag met juristen van Oranjewoud.]]></description>
			<pubDate>Tue, 29 Dec 2009 14:46:36 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energietransitie begint in de regio]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energietransitie_begint_in_de_regio/935</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energietransitie_begint_in_de_regio/935</guid>
			<description><![CDATA[Het Rijk kan veel meer doen om regionale initiatieven op het gebied van duurzame energievoorziening te ondersteunen. Die conclusie trekt het Rathenau Instituut op basis van het rapport &amp;lsquo;Energietransitie begint in de regio&amp;rsquo;. 

Het rapport is een studie naar drie regionale duurzaamheidsinitiatieven: het Rotterdam Climate Initiative, Texel en Energy Valley (een samenwerking van de noordelijke provincies). CE Delft voerde de studie uit in opdracht van het Rathenau Instituut.

In het rapport pleit het Rathenau Instituut voor het wegnemen van belemmeringen in nationale wet- en regelgeving en voor meer speelruimte voor regio&amp;rsquo;s om ambitieuzer te zijn dan de landelijke normen. Ook is behoefte aan een heldere visie van het Rijk hoe Nederland de overgang naar een duurzame energievoorziening wil maken.

Drie regio&amp;rsquo;s onderzocht
Het onderzoek heeft zich gericht op drie duurzaamheidsinitiatieven: het Rotterdam Climate Initiative, Texel en het Fries-Gronings-Drentse Energy Valley. Het eiland Texel wil in 2020 zijn energievoorziening volledig verduurzaamd hebben. Energy Valley heeft tot doel de economie in het Noorden te versterken door nieuwe energie-activiteiten te ontplooien. Rotterdam heeft in het Rotterdamse Climate Initiative vastgelegd om de CO2-emissie in 2025 met vijftig procent te verminderen ten opzichte van de emissie in 1990.bestellingen@rathenau.nl

Verduurzaming komt niet uit de verf
In het rapport Energietransitie begint in de regio worden de drie initiatieven als voorbeeld genomen voor een bredere trend van regionale initiatieven. Het onderzoek wijst uit dat er in de regio&amp;rsquo;s veel enthousiasme, expertise en wil tot samenwerking is. Verduurzaming van de energievoorziening komt echter niet goed uit de verf. Bij de uitwerking van de plannen blijven kansen liggen voor energiebesparing en hernieuwbare energie. 
Omwille van economische factoren &amp;ndash; Rotterdam als wereldhaven, het toerisme op Texel en de gasindustrie in het noorden &amp;ndash; ligt de nadruk sterk op het blijven gebruiken van fossiele energie. Of dat schoner gaat gebeuren, is echter onzeker. Voor zogenoemd &amp;ldquo;schoon fossiel&amp;rdquo;, het ondergronds opslaan van CO2, is nog onvoldoende draagvlak.

Manieren om regio&amp;rsquo;s te steunen voor het Rijk
Uit het onderzoek blijkt ook dat het Rijk veel meer kan doen om de regio&amp;rsquo;s te ondersteunen bij hun duurzaamheidsinitiatieven. Wat betreft het besparen van energie willen de regio&amp;rsquo;s vaak meer bereiken dan wat de huidige landelijke normen eisen. Maar wettelijk gezien kunnen de regio&amp;rsquo;s geen extra besparingseisen opleggen. Daartoe zouden er ambitieuzere landelijke normen moeten komen. Ook is behoefte aan meer juridische speelruimte voor regio&amp;rsquo;s die nog verder willen.

Ook plannen voor hernieuwbare energie stuiten vaak op belemmeringen in wetgeving van het Rijk. Om de mogelijkheden van lokale hernieuwbare energie te benutten, moet wetgeving veel meer een &amp;ldquo;ja, mits&amp;rdquo;-karakter krijgen in plaats van het huidige &amp;ldquo;nee, tenzij&amp;rdquo;-karakter.

Tenslotte concludeert het Rathenau Instituut dat de regio&amp;rsquo;s gebaat zijn bij een duidelijker en explicieter uitgedragen Rijksvisie op hoe Nederland de omslag wil gaan maken naar een duurzame energievoorziening. Daaruit moet duidelijk worden welke initiatieven de overheid langjarig wil steunen. Met zo&amp;rsquo;n visie wordt het voor de regio&amp;rsquo;s makkelijker om in hun regio maatschappelijk draagvlak te verwerven voor grootschalige energieprojecten, zoals windmolenparken en CO2-opslag.]]></description>
			<pubDate>Tue, 07 Jul 2009 14:06:13 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Elektrische concepten voor woningen]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/elektrische_concepten_voor_woningen/946</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/elektrische_concepten_voor_woningen/946</guid>
			<description><![CDATA[Energieconcepten op woningniveau richten zich vooral op de warmtevraag van de woning. Energieconcepten voor elektriciteit bestaan nog niet of nauwelijks. Vaak wordt gemakshalve verondersteld dat elektriciteit altijd in voldoende mate kan worden onttrokken of teruggeleverd aan het elektriciteitsnet, waarbij gebruik gemaakt wordt van de opslag- en transportcapaciteit van de elektriciteitsnetten. 



Door het reduceren van de elektriciteitsvraag van woningen wordt het dekken van de volledige elektriciteitsvraag met nieuwe elektrische technieken zoals zonnecellen (PV), kleine windmolens en HRe-ketels (microwarmtekracht) eerder mogelijk, aangezien de benodigde systemen kleiner en dus goedkoper kunnen zijn.

Uit de eerste inventarisatie bleek dat er weinig concrete marktrijpe concepten op de markt zijn. Wel een aantal demonstratieprojecten en pilots, en daarnaast een aantal technieken in verschillende marktfases die als bouwsteen voor een concept kunnen dienen. Om samenhang te cre&amp;euml;ren tussen deze demonstratieprojecten en pilots zijn in deze rapportage een viertal meer theoretische hoofdconcepten beschreven, uitgaand van de functie die een woning in een elektriciteitsnet kan hebben. Deze vier hoofdconcepten zijn schematisch weergegeven in onderstaande figuur.







Figuur: Schematische weergave van de vier hoofdconcepten


De gevonden demonstratieprojecten en relevante technieken hebben een plaats gekregen binnen deze hoofdconcepten, waarbinnen ze verder zijn uitgewerkt op de aspecten marktfase, toepassingsniveau en voordelen voor de elektriciteitsvoorziening. 

De focus in het rapport ligt op woningen, de resultaten zijn echter ook 
toepasbaar voor kleine bedrijven, winkels, en voor combinaties van woningen met bedrijfjes en/of winkels.

De rapportage is interessant voor projectontwikkelaars, bouwers en installateurs van woningen, voor woningcorporaties, voor energiebedrijven en netbeheerders, en voor beleidsmakers bij de overheid. 



]]></description>
			<pubDate>Tue, 01 Mar 2011 15:13:56 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Effecten en uitwerking van een Energiebesparingsfonds]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/effecten_en_uitwerking_van_een_energiebesparingsfonds/944</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/effecten_en_uitwerking_van_een_energiebesparingsfonds/944</guid>
			<description><![CDATA[Dit rapport, geschreven in opdracht van het ministerie van VROM/WWI, biedt inzicht in de opties om via een Energiebesparingsfonds investeringen in energiezuinigheid te stimuleren, specifiek voor particuliere woningeigenaren en de utiliteitsbouw. Er is gekeken naar de kosten en effecten van energiebesparende maatregelen en (financi&amp;euml;le) barri&amp;egrave;res die toepassing van deze maatregelen momenteel in de weg staan. Daarna zijn diverse stimuleringsopties ge&amp;euml;valueerd die deze belemmeringen weg zouden kunnen nemen. Het gaat daarbij om garantstelling door de overheid, een rentesubsidie, een beperkte investeringssubsidie en hybride varianten. De optie 'energielening met garantstelling' is vervolgens nader uitgewerkt.

Een van de eindconclusies van het rapport is dat de toegang tot en de betaalbaarheid van leningen een noodzakelijke, doch geen voldoende, randvoorwaarde vormt voor het realiseren van een aanzienlijke vermindering van de CO2-uitstoot en daarmee een verbetering van de woon- en leefomgeving. Het verdient daarom de aanbeveling ook op andere fronten een serieuze inspanning te leveren zodat gebrek aan kennis, urgentiegevoel en de weerstanden bij woningbezitters kunnen worden weggenomen. Starters en tweede eigenaren die tot de lagere en middeninkomens binnen het koopsegment behoren, zijn daarbij een belangrijke doelgroep.

Inmiddels is er politieke overeenstemming bereikt over de vormgeving van een garantieregeling voor energiekredieten. De regeling zal deze maand in de Staatscourant gepubliceerd worden.]]></description>
			<pubDate>Mon, 13 Jul 2009 10:58:48 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Visie op instrumentarium Gebouwde Omgeving]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/visie_op_instrumentarium_gebouwde_omgeving/1022</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/visie_op_instrumentarium_gebouwde_omgeving/1022</guid>
			<description><![CDATA[Gezamenlijk voorstel van energiebedrijven, milieuorganisaties en vakbonden 
EnergieNed, Natuur &amp;amp; Milieu en AbvaKabo FNV constateren dat er verdere stappen nodig zijn om de klimaatdoelstelling voor de gebouwde omgeving en de economie als geheel in 2020 te halen. De essentie is als volgt: Om een succesvolle en ambitieuze energiebesparing in de gebouwde omgeving te bereiken wordt een beleidspakket voorgesteld dat bestaat uit de volgende hoofdcomponenten:

    Cre&amp;euml;ren van kwalitatief en kwantitatief goed aanbod 
    Het aanpakken van grote aantallen woningen kan alleen als er een goed aanbod is aan energiebesparende maatregelen en dienstverleners die zulke maatregelen in woningen kunnen installeren. Die kant van de markt moet ontwikkeld worden. Het programma &amp;lsquo;Meer met Minder&amp;rsquo; kan daarvoor de basis leggen.
    Cre&amp;euml;ren van voldoende vraag naar energiebesparing/schone energie 
    Een verleidingsaanpak, met subsidies en premies, kan koplopers onder burgers en bedrijven in beweging brengen en zo de vraag naar besparing en schone energie op gang helpen. Daarmee wordt het voor aanbieders ook interessant om dienstverlening in de markt te zetten.
    Zorgen dat iedereen gaat meedoen 
    Niet iedereen zal zich echter door subsidies en premies laten verleiden tot investeringen in besparing. Zorgen dat iedereen meedoet is dan ook nodig om een forse besparing te bereiken. Dat kan door ook voor bestaande woningen een norm voor de energieprestatie in te voeren. Het succes van die aanpak heeft zich inmiddels bewezen voor alle nieuwbouw in Nederland. Ook is het nodig dat het kabinet zorgt dat een unieke kans op energiebesparing benut wordt door ambitieuze energienormen voor elektrische apparaten in Brussel af te spreken. In de komende maanden worden besluiten genomen over nieuwe Europese energienormen voor een reeks van elektrische apparaten (Ecodesign-richtlijn).
    Gebruik en gedrag sterker be&amp;iuml;nvloeden
    Meer isolatie en betere installaties leggen de basis voor zuiniger omgaan met energie. Het uiteindelijke resultaat zal echter afhangen van gebruik en gedrag door de bewoner. Door een prijs- of budgetinstrument voor de gebouwde omgeving in te richten kan daar sterker in gestuurd worden.
]]></description>
			<pubDate>Tue, 20 Jul 2010 11:08:56 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Warmlopen voor warmte]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/warmlopen_voor_warmte/875</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/warmlopen_voor_warmte/875</guid>
			<description><![CDATA[Een collectief warmtenet in Stadsgewest Haaglanden kan leiden tot substanti&amp;euml;le CO2-reductie in de regio. Potenti&amp;euml;le schattingen geven aan dat de jaarlijkse CO2-reductie kan oplopen tot 130-190 kton CO2 in 2020. Verder levert een collectief warmtenet een positieve bijdrage aan de luchtkwaliteit en de voorzienings-zekerheid en biedt het goede mogelijkheden voor verduurzaming van de energievoorziening. Recent onderzoek van Gemeentewerken Rotterdam en ervaringen uit het verleden leren echter dat een regionaal warmtenet niet eenvoudig te realiseren is, omdat daarmee grote financi&amp;euml;le investeringen zijn gemoeid. Vooral aan het benutten van warmtebronnen zoals industri&amp;euml;le restwarmte, diepe aardwarmte (via geothermie) en warmte uit kassen hangen grote exploitatierisico&amp;rsquo;s, terwijl juist deze bronnen voor substanti&amp;euml;le CO2-reductie kunnen zorgen. Deze risico&amp;rsquo;s zijn echter beperkt als er een onmiddellijke afzet van warmte mogelijk is. Dat was een belangrijke reden voor bestuurders om de kip en het ei om te keren: waar in het verleden vooral accent werd gelegd op het bedrijfsklaar maken van deze grootschalige warmtebronnen (zoals industri&amp;euml;le restwarmte en diepe aardwarmte), is nu het voornemen om eerst een substanti&amp;euml;le warmtevraag te ontwikkelen alvorens deze warmtebronnen te exploiteren. Gezien bovengenoemde voordelen is het van belang om draagvlak voor een collectief warmtenet in Stadsgewest Haaglanden te realiseren. In deze notitie is een eerste operationele strategie beschreven voor de ontwikkeling van een collectief warmtenet. Daarnaast is in de notitie een concreet bestuurlijk stappenplan beschreven, om te komen tot dit doel. Belangrijke eerste stappen daarin zijn het oprichten van een &amp;lsquo;Stuurgroep Warmtebenutting Haaglanden&amp;rsquo; en het opstellen van een zogenoemd &amp;lsquo;Contract voor Warmte&amp;rsquo; waarin betrokken gemeenten zich commit-teren aan het ontwikkelen van een regionaal warmtenet.]]></description>
			<pubDate>Wed, 16 Feb 2011 15:04:14 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[EPL Monitor 2008]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/epl_monitor_2008/931</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/epl_monitor_2008/931</guid>
			<description><![CDATA[Sinds 1999 wordt de EPL-monitor met enige regelmaat opgesteld, voor zowel de nieuwbouwlocaties als de herstructureringslocaties. De EPL is een maat voor de CO2-emissie op een woningbouwlocatie. In 2008 is de EPL-monitor opnieuw opgesteld. In totaal is de EPL bepaald van ruim 80 nieuwbouwlocaties en van circa 50 herstructureringslocaties. Ook is schriftelijk nagegaan welke rol de gebiedsgerichte aanpak van SenterNovem heeft gespeeld bij bovenwettelijke energiebesparing op woningbouwlocaties. De respondenten waren tevreden over deze steun en in veel gevallen heeft deze aanpak bijgedragen aan extra energiebesparing.]]></description>
			<pubDate>Wed, 16 Feb 2011 15:05:19 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Transitiestrategie Elektriciteit en Warmte]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/transitiestrategie_elektriciteit_en_warmte/859</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/transitiestrategie_elektriciteit_en_warmte/859</guid>
			<description><![CDATA[Het Regieorgaan Energietransitie heeft een strategie uitgedacht voor de verduurzaming van elektriciteit en warmte/koude. De strategie behelst: a Maximaal besparen. b Voorrang voor hernieuwbaar vermogen en energiezuinige warmtekracht. c Daardoor neemt de ruimte voor nieuwe basislast (&amp;lsquo;must-run&amp;rsquo;-vermogen) af. d En neemt de behoefte aan snel regelbaar flexibel gasvermogen toe. e &amp;lsquo;Gas&amp;rsquo; kan aanvankelijk aardgas zijn, in toenemende mate kan kolengas en biogas worden gebruikt. CE Delft en Jan Paul van Soest Advies voor Duurzaamheid (JPvS) hebben in het rapport deze strategie nader onderbouwd en getoetst op robuustheid. Daarbij is tevens gebruik gemaakt van een reeks simulatieberekeningen van de TU Delft. Uit die berekeningen blijkt dat must-run basislastvermogen en hernieuwbaar vermogen elkaar in de weg zitten in het Noordwest Europese elektriciteitssysteem. Bij volledig uitrollen van het kabinetsplan Schoon en Zuinig is de ruimte voor (nieuw) basislastvermogen zeer gering. Het wisselende aanbod van hernieuwbare energie, in het bijzonder windenergie, is goed in het elektriciteitssysteem in te passen via snel regelbaar gasgestookt vermogen. Op relatief korte termijn (tot ca 2020-2025) is dit de enige re&amp;euml;le route voor inpassing van wind.]]></description>
			<pubDate>Wed, 16 Feb 2011 15:03:29 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Relatie tussen adaptatie en mitigatie op gebouwniveau]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/relatie_tussen_adaptatie_en_mitigatie_op_gebouwniveau/898</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/relatie_tussen_adaptatie_en_mitigatie_op_gebouwniveau/898</guid>
			<description><![CDATA[Door klimaatverandering zullen we in Nederland vaker last krijgen van hete dagen, van heftige regenval en van droogte. Daarnaast zal het risico op overstromingen toenemen.&amp;nbsp;Nederland zal zich daaraan moeten aanpassen (adaptatie) en tegelijkertijd klimaatverandering moeten voorkomen (mitigatie). Maar wat is&amp;nbsp;eigenlijk de relatie&amp;nbsp; tussen adaptatie en mitigatie?&amp;nbsp;In deze studie is daar onderzoek naar gedaan voor de gebouwde omgeving.&amp;nbsp; 

De analyse in dit onderzoek laat zien dat er veel adaptatiemaatregelen op gebouwniveau zijn, die een positief effect hebben op mitigatie en andersom. Er is dus veel sprake van synergie. Ook is er een groot aantal mitigatiemaatregelen die een neutraal effect hebben op adaptatie en omgekeerd. Het aantal adaptatiemaatregelen dat een negatief effect heeft op mitigatie is beperkt. Het gebruik van ventilatoren en de airconditioning zijn de meest belangrijke. Voor actieve koeling van de woning is&amp;nbsp;namelijk energie nodig en dat leidt tot CO2-emissie, tenzij het met duurzame koude (of energie) wordt gedaan.&amp;nbsp;De stakeholders (woningbouwcorporaties, architecten, projectontwikkelaars, gemeenten etc.) zijn zich nog weinig bewust van het feit dat een deel van de energievraag zich gaat verplaatsen van de winter naar de zomer, omdat het warmer gaat worden in Nederland. Via voorlichting kan het bewustzijn hiervan worden vergroot bij de relevante doelgroepen.&amp;nbsp;Met maatregelen op het gebied van passieve koeling (beschaduwing, zuidgericht bouwen en goede mogelijkheden voor nachtventilatie, kan het namelijk nog jarenlang comfortabel blijven in de woning. Daarnaast is&amp;nbsp;het zaak om het energiegebruik voor actieve koeling van de woning goed mee te wegen in de Energie Prestatie Gebouwen (EPG).]]></description>
			<pubDate>Tue, 24 Mar 2009 15:35:28 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Visie op realisering groot aandeel duurzame elektriciteit]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/visie_op_realisering_groot_aandeel_duurzame_elektriciteit/856</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/visie_op_realisering_groot_aandeel_duurzame_elektriciteit/856</guid>
			<description><![CDATA[De rapportage bevat het gezamenlijk voorstel van milieuorganisaties, vakbonden en energiebedrijven voor het toekomstig stimuleringsbeleid voor hernieuwbare elektriciteit. Inzet van alle partijen is om een groot aandeel hernieuwbare elektriciteit te bereiken in 2020. Het voorstel is afkomstig van Stichting Natuur en Milieu, EnergieNed, Nuon, Esent, Eneco, Greenchoice, Greenpeace, de DE-koepel en ABVAKABO FNV, en gefaciliteerd door CE Delft. Dit voorstel vormt de brug tussen Green4sure - het energieplan van de milieuorganisaties en vakbonden - en de Energieagenda 2030 van de energiesector. De partijen pleiten voor een stabiel marktinstrumentarium waarbij het kostprijsverschil tussen hernieuwbare en conventionele stroom structureel overbrugd wordt. Hernieuwba-re technieken zijn nog altijd duurder dan conventionele technieken in 2020. De huidige SDE-regeling vormt een goed instrument om dit kostprijsverschil (de zogenoemde onren-dabele top) de komende jaren te overbruggen. De SDE dient echter op twee belangrijke punten verbeterd te worden. Allereerst is het noodzakelijk dat er een langdurig politiek commitment wordt vastgelegd voor de investeringen die samenhangen met het bereiken van de doelen. Als tweede verbeterpunt pleiten de partijen er tevens voor om de financiering van de SDE via de elektriciteitsprijs te laten verlopen in plaats van via de begroting. Voor stimulering van duurzame energieproductie vanaf 2015 pleit de werkgroep voor invoering van een EU-verplichting in een koplopergroep mogelijk met Verenigd Koninkrijk, Polen, Zweden en Belgi&amp;euml;. Dit betreft een jaarlijks oplopend verplicht aandeel hernieuwbaar van de consumptie van elektriciteit. Aan introductie van een verplichtingensysteem verbinden de deelnemende partijen harde voorwaarden, o.a. een goed werkend systeem van groencertificaten tussen de deelnemende landen.]]></description>
			<pubDate>Fri, 10 Apr 2009 12:03:36 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Advies voor CO2-reductiemaatregelen in de Stadsregio Rotterdam]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/advies_voor_co2-reductiemaatregelen_in_de_stadsregio_rotterdam/927</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/advies_voor_co2-reductiemaatregelen_in_de_stadsregio_rotterdam/927</guid>
			<description><![CDATA[


 De Stadsregio Rotterdam, het samenwerkingsverband van gemeenten in de regio Rijnmond, heeft de ambitie om CO2-emissies met 40% te gaan reduceren. Deze ambitie komt voort uit een project waarin CE Delft, met Stadsregio, gemeenten en andere stakeholders, mogelijke opties in beeld heeft gebracht. Deze zijn verwerkt in de Regionale Klimaatagenda.



De belangrijkste mogelijke maatregelen zijn:

    uitvoeren van een energiebesparingsprogramma voor bestaande woningen, aansluitend op het landelijke programma &amp;lsquo;Meer met Minder&amp;rsquo;;
    aangescherpte energieprestatie-eisen voor nieuwe woningen;
    bedrijven en instellingen in milieucontroles systematisch doorlichten op energiebesparende maatregelen en deze zo nodig opleggen; dit gecombineerd met stimulering;
    nieuwe bedrijven en instellingen: energie-efficiency hanteren als vestigingscriterium;
    glastuinbouw en kantoren: zorgen voor regionale ruimtelijke planning voor koude en warmte in de ondergrond.

Uit het project bleek verder dat de samenwerking binnen de Stadsregio Rotterdam een duidelijk meerwaarde kan opleveren, door:

    het uitwisselen van kennis en het opzetten van proefprojecten;
    het gezamenlijk maken van afspraken met regionale partijen, zoals woningbouwcorporaties;
    het stellen van gelijke eisen, onder andere bij uitgifte van bedrijventerreinen.
    
    
]]></description>
			<pubDate>Thu, 03 Mar 2011 16:38:26 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energievisie Texel en uitvoeringsplan]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energievisie_texel_en_uitvoeringsplan/855</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energievisie_texel_en_uitvoeringsplan/855</guid>
			<description><![CDATA[De energievisie van de gemeente Texel is een coproductie tussen CE Delft en de gemeente. CE Delft is de trekker geweest voor het op papier zetten van het visiedeel. De gemeente heeft het bijbehorende uitvoeringsplan ter hand gekomen. Uiteraard in wederzijdse afstemming en met input van vele personen en organisaties uit Texel. Zo is het een gedragen energievisie geworden, voorzien van concrete handen en voeten voor de eerste jaren. De gemeenteraad van Texel heeft de plannen in augustus 2008 goedgekeurd.  Texel is een bijzonder eiland met de bijzondere ambitie om in 2020 volledig duurzaam te zijn op energiegebied. In de energievisie wordt deze ambitie zo scherp mogelijk afgebakend. Om vervolgens voor de diverse soorten energiegebruik na te gaan wat de mogelijkheden zijn om de ambitie stap voor stap te realiseren. De nadruk ligt op wat er mogelijk is, niet op de onmogelijkheden. Hierbij is gebruik gemaakt van transformatiediagrammen en van andere figuren die inzichtelijk maken welke stappen op welk moment in de tijd gezet moeten worden, en op welke terreinen. Kansen om de ambitie te realiseren zijn er genoeg op Texel. Er zijn ook al vele (proef)projecten geweest op het gebied van energiebesparing en duurzame energie, maar er gaapt nog een grote kloof tussen het heden en de ambitie voor 2020. Nu breekt een fase aan van focus en van volume realiseren, inclusief de bijbehorende organisatie om dit programma uit te voeren. Veel hangt af van het draagvlak onder de Texelse bevolking en bedrijven. Technisch kan het, als de wil er is, is de weg er ook.]]></description>
			<pubDate>Thu, 19 Mar 2009 12:53:25 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Fiscale vergroening]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/fiscale_vergroening/806</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/fiscale_vergroening/806</guid>
			<description><![CDATA[In opdracht van VROM heeft CE Delft in het kader van het Belastingplan 2009 onderzoek gedaan naar de milieueffectiviteit van 15 fiscale maatregelen. Het gaat daarbij om maatregelen die betrekking hebben op verkeer en vervoer (bijv. een differentiatie van de BPM naar absolute CO2-uitstoot), het energiegebruik van huishoudens en het bedrijfsleven (bijv. een verhoging van de energiebelasting) en de gebouwde omgeving (bijv. een heffingskorting in de inkomstenbelasting gebaseerd op de energiezuinigheid van woningen). Naast de milieueffectiviteit zijn deze vergroeningsmaatregelen ook beoordeeld op de gevolgen voor de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven, politieke draagvlak, gevolgen voor de koopkracht en lastenverdeling, samenhang in het betreffende milieubeleidsterrein, fiscale inpasbaarheid, uitvoeringskosten en handhaafbaarheid. De resultaten van de studie zullen worden gebruikt bij de voorbereiding van de zogenaamde &amp;lsquo;tweede tranche vergroening&amp;rsquo; van het huidige kabinet.  Het totale pakket aan maatregelen sorteert zo&amp;rsquo;n 0,74 Mton in 2010 en 1,5 Mton CO2-reductie in 2020. Dit dient gezien te worden als de ondergrens van de daadwerkelijke effecten, aangezien een deel van de effecten niet kwantificeerbaar bleken. De totale effecten van het vergroeningspakket vormen hiermee ongeveer 4 tot 7%7% van de kabinetsambitie in 2020 voor de sectoren gebouwde omgeving en verkeer.]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 11:17:12 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Gas4sure - Aardgas als transitiebrandstof]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/gas4sure_-_aardgas_als_transitiebrandstof/842</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/gas4sure_-_aardgas_als_transitiebrandstof/842</guid>
			<description><![CDATA[Gas4sure is een beschrijving van de rol van aardgas in de transitie naar een duurzame energievoorziening. Aardgas kan als schoonste fossiele brandstof een relatief belangrijke rol gaan spelen in de omschakeling van een hoofdzakelijk op fossiele brandstoffen gebaseerde energievoorziening, naar een energie-voorziening gebaseerd op effici&amp;euml;nte installaties en hernieuwbare energiebronnen. Gas4sure is een vervolg op Green4sure, het groene energieplan dat CE Delft heeft opgesteld voor de milieu- en vakbeweging. Green4sure maakt duidelijk dat een energievoorziening met halvering van de CO2-emissie in een periode van 25 jaar mogelijk is en welke rollen de verschillende partijen daarvoor moeten spelen om dat mogelijk te maken. In Gas4sure is gebruik van aardgas geen doel op zich, maar gegeven de sterke veranderingen in condities voor de milieu-effecten van de energievoorziening, een schets van de rol van aardgas onder die condities.]]></description>
			<pubDate>Wed, 13 Apr 2011 09:42:14 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Configuraties en optimalisaties van het warmtenet in Amsterdam]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/configuraties_en_optimalisaties_van_het_warmtenet_in_amsterdam/809</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/configuraties_en_optimalisaties_van_het_warmtenet_in_amsterdam/809</guid>
			<description><![CDATA[Amsterdam heeft onlangs ambitieuze klimaatdoelstellingen gesteld en een belangrijk speerpunt om deze doelstellingen te realiseren is stadsverwarming. Strategisch overleg over de toepassing van warmte tussen de gemeente en de marktpartijen vindt regelmatig plaats, met name als er grootschalige nieuwbouw en herstructureringsprojecten op de rol staan. De gemeente heeft behoefte aan inhoudelijke ondersteuning op het gebied van warmte en heeft in dat kader CE Delft gevraagd achtergronddocumentatie daarvoor op te stellen. Dit rapport is daar het resultaat van; daarin wordt ingegaan op de kenmerken van de huidige stadsverwarming, op de CO2-reductie, op de voordelen van een hoefijzernet en op de innovatiemogelijkheden om de milieuwinst te verbeteren. Het rapport eindigt ten slotte met een managementsamenvatting, waarin de visie van CE Delft op stadsverwarming in Amsterdam is geformuleerd.]]></description>
			<pubDate>Wed, 16 Feb 2011 15:06:52 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Achtergrondgegevens Stroometikettering 2007]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/achtergrondgegevens_stroometikettering_2007/801</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/achtergrondgegevens_stroometikettering_2007/801</guid>
			<description><![CDATA[Sinds 1 januari 2005 is etikettering van de herkomst van elektriciteit verplicht in Nederland. CE Delft heeft de mix van de elektriciteit die in Nederland in 2007 geleverd is vastgesteld. De Nederlandse leveringsmix bestaat uit elektriciteit op-gewekt uit aardgas (ruim 50%), kolen (24%), kernenergie (9%) en groene stroom (13%). De milieuconsequenties uitgedrukt in termen van CO2 en radioactief afval zijn respectievelijk 426 g CO2/KWh en 0,000270 g kernafval/KWh.]]></description>
			<pubDate>Thu, 16 Apr 2009 11:15:27 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[CO2-emissie Amsterdamse Stadsdelen]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/co2-emissie_amsterdamse_stadsdelen/713</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/co2-emissie_amsterdamse_stadsdelen/713</guid>
			<description><![CDATA[Dit korte rapport bevat de bepaling van de CO2-emissie per Amsterdams Stadsdeel, voor de sectoren huishoudens en bedrijven. Het betreft onderzoeksresultaten uit het rapport &amp;lsquo;Bouwstenen voor CO2-reductieprogramma Amsterdam&amp;rsquo; (verder genoemd: &amp;lsquo;het hoofdrapport&amp;rsquo;). De energieverbruiken en bijbehorende CO2-emissies per stadsdeel staan in dit rapport handzaam bijeen gebracht voor de milieubeleidsco&amp;ouml;rdinatoren van de Stadsdelen. Het rapport heeft daarmee het karakter van een uittreksel van het hoofdrapport, en niet van een zelfstandig onderzoeksresultaat.]]></description>
			<pubDate>Thu, 19 Mar 2009 10:50:32 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energiebesparing bedrijven Delft: Prioritering van bedrijven en een effectieve werkwijze]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energiebesparing_bedrijven_delft%3A_prioritering_van_bedrijven_en_een_effectieve_werkwijze/725</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energiebesparing_bedrijven_delft%3A_prioritering_van_bedrijven_en_een_effectieve_werkwijze/725</guid>
			<description><![CDATA[Voor de 1.500 kleine en middelgrote bedrijven in Delft is de gemeente verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet milieubeheer. Een onderdeel daarvan is energiebesparing. De gemeente heeft CE Delft gevraagd om na te gaan hoe dat zo effectief mogelijk kan:

- bij welke bedrijven moet prioriteit liggen?
- welke aanpak kan bij die bedrijven het beste worden gevolgd?

Het project is gestart met een overzicht van bedrijven, energiegebruik en CO2-emissies. De totale CO2-emissie van de Delftse bedrijven ligt op ca. 150 kton. Naast enkele grote bedrijven en instellingen als de TU en TNO, blijkt het vooral te gaan om sectoren als supermarkten, kantoren en verzorgingstehuizen. Bij deze sectoren is er doorgaans een aanzienlijk potentieel voor energiebesparing, energiebesparing, in de orde van 15- 30%. Vervolgens is een workshop gehouden met de medewerkers van het vakteam milieu van de gemeente Delft. Hierin werd besloten om in de toekomst een duidelijk onderscheid te maken tussen sectoren met een groot en met een klein energiegebruik. Grootverbruikers krijgen een aangekondigd bezoek, specifiek gericht op energiebesparing. Daarbij wordt met een checklist gekeken of rendabele maatregelen zijn getroffen. Bij kleinverbruikers ligt de focus op voorlichting, onder andere met de folders van het energiecentrum MKB en Infomil. Prioriteiten voor 2008 zijn de MJA-II bedrijven (aanpak &amp;lsquo;free-riders&amp;rsquo;), nieuwbouw (afstemming met bouwtoezicht) en de supermarkten (verplichting tot afdekking koelvakken).]]></description>
			<pubDate>Fri, 18 Dec 2009 10:34:08 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Groen licht voor LED2-lampen]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/groen_licht_voor_led2-lampen/687</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/groen_licht_voor_led2-lampen/687</guid>
			<description><![CDATA[In opdracht van het Programmabureau Energiebesparing van Rijkswaterstaat is onderzocht wat het voordeel is van het gebruik van Led2-lampen voor verkeerslichten en scheepvaartseinen in plaats van gloeilampen. Om het milieueffect van de lampen eerlijk te vergelijken, moet niet alleen naar de gebruiksfase worden gekeken, maar naar de hele levenscyclus van de lampen: de grondstoffen, de productie, het gebruik, en uiteindelijk de verwerking als afval.

Over een levensduur van 10 jaar beschouwd scoort de Led2-lamp op alle beschouwde milieuthema’s beter dan de gloeilamp. In de grondstoffase veroorzaakt een Led2-lamp weliswaar wat meer milieubelasting dan een gloeilamp (met name als gevolg van de printplaat in de lamp), in de gebruiksfase wordt dit ruimschoots gecompenseerd. Daardoor is de milieubelasting van een Led2-lamp over de hele levensduur beschouwd lager dan van een gloeilamp. De analyse geeft aan dat op basis van de beschikbare informatie kan worden geconcludeerd de besparingen in de gebruiksfase ruimschoots opwegen tegen de wat hogere milieubelasting in de productieketens van ABS, PC en printplaat.

Afgezien van het milieuvoordeel heeft een Led2-lamp ook een betere zichtbaarheid, een grotere betrouwbaarheid en een langere levensduur, waardoor de onderhoudskosten lager zijn.

Op basis hiervan kan gesteld worden dat het gebruik van een Led2-lamp de voorkeur heeft boven het gebruik van een gloeilampen (waaronder de krypton- en halogeenlampen) .

]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Bouwstenen voor CO2-reductieprogramma Amsterdam]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/bouwstenen_voor_co2-reductieprogramma_amsterdam/677</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/bouwstenen_voor_co2-reductieprogramma_amsterdam/677</guid>
			<description><![CDATA[De gemeente Amsterdam heeft zich als doel gesteld om als stad in 2025 de jaarlijkse uitstoot van kooldioxide met veertig procent te verminderen ten opzichte van 1990, en om in 2015 als gemeentelijke organisatie CO2-neutraal te opereren. Deze ambitieuze doelstellingen vragen om een daadkrachtige en effici&amp;euml;nte aanpak. CE Delft heeft voor de gemeente de CO2-uitstoot van 1990 en 2006 in kaart gebracht, alsook de prognose voor 2025, zowel totaal als per sector. Er is ook een uitgebreid overzicht opgesteld, de zogenaamde &amp;lsquo;long list&amp;rsquo;, van de mogelijke maatregelen, met hun potenti&amp;euml;le bijdrage aan de doelstelling, en hun realisatietijd en kosteneffectiviteit. Op basis daarvan is geconcludeerd dat de ambitie haalbaar is, maar dat daarvoor wel alles op alles moet worden gezet. De realisatie is mede afhankelijk van het welslagen van Rijks- en EU-klimaatbeleid, en participatie is nodig van bedrijven en burgers in de stad. Niet de gehele ambitie kan nu al in concrete maatregelen worden gegoten, maar dat is gezien de looptijd van de ambitie ook nog niet nodig; er vinden immers nog innovaties plaats. Het is belangrijk dat nu zo snel mogelijk concrete stappen worden gezet om de groei van de CO2-emissie van de afgelopen periode om te buigen naar een substanti&amp;euml;le daling. Tot slot zijn aanbevelingen gedaan voor een monitoringsaanpak voor het CO2-reductieprogramma, zodat tussentijds de voortgang kan worden bewaakt en acties zo nodig kunnen worden bijgesteld.]]></description>
			<pubDate>Wed, 28 Apr 2010 13:04:07 +0200</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energiek in Rijnmond 2007*]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energiek_in_rijnmond_2007%2A/556</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energiek_in_rijnmond_2007%2A/556</guid>
			<description><![CDATA[Een samenwerkingsverband van overheden in Rijnmond, onder de naam Milieumonitoring Stadsregio Rotterdam, zorgt jaarlijks voor totaal-overzicht in de milieusituatie in Rijnmond, via het zgn. MSR-rapport.  In 2007 staat, vanwege de hoge actualiteit van energie in Rotterdam, het thema energie centraal, en heeft CE het themarapport Energie in Rijnmond opgesteld. Het rapport geeft een gedetailleerd overzicht van de energiestromen in Rijnmond. Per doelgroep brengt het vervolgens in beeld wat emissies zijn, ontwikkelingen, mogelijke maatregelen en taken/rollen van stakeholders. Een accent ligt daarbij op het industrie/energie-complex, vanwege de grote energie en CO2-stromen en de geplande omvangrijke investeringen. Het rapport eindigt met aanbevelingen voor het regionale beleid, en de monitoring daarvan. Het rapport fungeert als onderlegger voor het Rotterdam Climate Initiative, het ambitieuze plan van overheden in de regio Rotterdam om te komen tot 50% emissiereductie per 2025. Een Rotterdamse delegatie heeft in mei 2007 de Engelstalige versie in New York overhandigd aan Bill Clinton, de leider van het wereldwijde Clinton-Initiative.]]></description>
			<pubDate>Tue, 15 Feb 2011 12:11:03 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Green4sure; Het Groene Energieplan*]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/green4sure%3B_het_groene_energieplan%2A/549</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/green4sure%3B_het_groene_energieplan%2A/549</guid>
			<description><![CDATA[Op 5 juni ontving minister Cramer het eindrapport van Green4sure. Zes grote maatschappelijke organisaties (AbvaKabo, FNV, Greenpeace, Milieudefensie, Natuur&amp;Milieu, WereldNatuurfonds)hebben door CE Delft een plan laten opstellen om de CO2-emissies in 2030 te halveren. Het plan is uitgewerkt in samenwerking met diverse andere partijen en begeleid door een commissie van hoogleraren en vertegenwoordigers van de ministeries EZ en  VROM en van het Milieu en Natuur Planbureau. Belangrijkste punten in het plan zijn dat alle energiegebruikers &oacute;f individueel (industrie, elektriciteitsproductie, luchtvaart) &oacute;f collectief (gebouwde omgeveing, transport) onder een emissierechtensysteem met klimaatbudget komen te vallen. De inspanningen, en daarmee de kosten zijn gedifferentieerd om de acceptatie zo groot mogelijk te laten zijn (ETS -40%, gebouwde omgeving -60%, transport – 35%). De rechten voor de drie systemen worden geveild en niet weggegeven. Daarnaast komen er normen voor voertuigen, gebouwen (nieuw en bestaand) en apparaten. 
Omdat snelheid geboden is en het implementeren van de klimaatbudgetsystemen enkele jaren zal vergen, zijn er diverse tijdelijke instrumenten. Bijvoorbeeld een interim-wet voor elektriciteitsproductie. Vanaf heden moet elke nieuwe centrale elektriciteit met maximaal 375 g/kWh produceren. Hoe? dat is aan de producent.
De effecten van het plan zijn doorgerekend en leiden tot de gewenste halvering van de broeikasgassen, een jaarlijkse efficiencyverbetering van 2,1%. De kosten bedragen in 2030 jaarlijks ruim 4 miljard euro, maar er zijn ook forse maatschappelijke baten. De werkgelegenheid stijgt licht. De extra kosten voor een gemiddeld huishouden groeien in 25 jaar naar extra 600 euro, terwijl in diezelfde periode het nationale inkomen stijgt met 50%. Met name zuinige energiegebruikers worden beter van het plan, kwistige energiegebruikers worden geconfronteerd met hogere kosten.]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Hoe werken beleidsinstrumenten voor ambitieuze doelen?]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/hoe_werken_beleidsinstrumenten_voor_ambitieuze_doelen/603</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/hoe_werken_beleidsinstrumenten_voor_ambitieuze_doelen/603</guid>
			<description><![CDATA[De Nederlandse energietransitie streeft ernaar de CO2-uitstoot van de gebouwde omgeving te halveren in 2030 ten opzichte van 1990. Dit rapport gaat over het simuleren van beleid om dit doel te halen. Beleidssimulaties bieden op een indringende manier inzicht in de problematiek. Zij stellen de gebruikers bovendien in staat om op zoek te gaan naar oplossingen.
Onderzoek van de Nederlandse planbureaus toont aan dat het huidige beleidsinstrumentarium niet voldoende is om de emissiedoelen te halen: in het gunstigste geval wordt hiermee namelijk slechts 10% reductie bewerkstelligd. In plaats hiervan zijn meer ingrijpende instrumenten noodzakelijk. Dit kunnen verdere intensiveringen zijn van huidige instrumenten, maar vooral strengere en nieuwe verplichtingen, een systeem van fossiele energierechten of een verdere verhoging van de ecotax. Die kunnen ervoor zorgen dat met meer schone energie, zuinigere gebouwen/installaties/apparaten en zuiniger gebruik daarvan, de doelen worden gerealiseerd.
Beleidssimulaties vormen een innovatieve aanvulling op het bestaande beleidsonderzoek en kunnen inzicht verschaffen in de hierboven genoemde instrumenten. Een beleidssimulatie laat de betrokken professionals in korte tijd ervaren wat de consequenties zijn van nieuw beleid. Verschillende beleidsalternatieven kunnen door simulatie op een eenduidige manier worden vergeleken. Zo worden de effecten van de alternatieven op milieu en samenleving op een indringende manier voor het voetlicht gebracht. Bovendien begrijpen de deelnemende partijen beter welke rollen zij spelen in het voorgestelde beleid. 

]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Richtlijn in zicht]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/richtlijn_in_zicht/515</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/richtlijn_in_zicht/515</guid>
			<description><![CDATA[In 2006 is de Europese richtlijn (2006/32/EG) betreffende energie-effici&euml;ntie bij eindgebruik en energiediensten gepubliceerd. Artikel 9 uit de richtlijn stelt dat de lidstaten wet- en regelgeving die in dit kader belemmerd werkt moet intrekken of wijzigen.

Deze studie brengt in kaart in welke mate de problematiek in Nederland speelt en welke maatregelen mogelijk zijn. De inventarisatie betrof de financi&euml;le instrumenten gericht op het bevorderen van energie-effici&euml;ntie bij alle eindafnemers in Nederland, met uitzondering van de deelnemers aan het emissie-handelssysteem (ETS). Gezocht is naar de belemmeringen voor diverse typen subsidies, fondsen en de financi&euml;le constructies die worden aangeboden door energiedienstenleveranciers.

Het onderzoek toont aan de meest relevante belemmeringen op dit moment eerder het gevolg zijn van een gebrek aan wet- en regelgeving dan van onderlinge conflicten. Dat geldt in het bijzonder voor de meetwetgeving en de grondwaterwetgeving. 

Knelpunten in sfeer van wet- en regelgeving zijn ondermeer gevonden bij de Wet Milieubeheer, de Afvalstoffenwetgeving en de regelgeving rond de voedselveiligheid. In de meeste gevallen gaat het om verklaarbare en bewuste belemmeringen, die bedoeld zijn om de veiligheid, de gezondheid of het welzijn van de initiatiefnemer zelf en van omwonenden te garanderen. Dit zijn dus geen onnodige of onevenredige belemmeringen. In het geval van de Afvalstoffenwetgeving lijkt incidenteel wel sprake te zijn van een onnodige belemmering. Aan het oplossen van deze problematiek wordt gewerkt. 

Buiten de reeds genoemde zaken lopen marktpartijen nadrukkelijk aan tegen knelpunten die gerelateerd zijn aan de Huurwetgeving. Bij nadere beschouwing lijkt de belemmering niet zozeer te liggen in de Huurwet zelf, maar in het gebruik van de ‘individuele contractvrijheid’ tussen de verhuurders en huurders. Daarmee valt de problematiek op zich buiten de kaders van  richtlijn 2006/32/EG.  

Tenslotte is er de problematiek van de administratieve lasten, die door veel marktpartijen wordt genoemd als onnodige of onevenredige belemmering bij de benutting van subsidies of fondsen voor energie-effici&euml;ntie. Vastgesteld wordt dat er al veel gebeurt om deze lasten te reduceren, waarbij ook energiegerelateerde lasten aan de orde zijn. 
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Coalitions for Energy Innovation in Europe*]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/coalitions_for_energy_innovation_in_europe%2A/614</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/coalitions_for_energy_innovation_in_europe%2A/614</guid>
			<description><![CDATA[De Energietransitie is een initiatief van de Nederlandse overheid dat een structurele verandering naar een duurzame energiehuishouding voorstaat. Waar het lopende energiebeleid zich richt op het behalen van doelstellingen in het jaar 2010 is het transitiebeleid juist gericht op de periode daarna. Deze aanpak wil de Nederlandse overheid graag delen met internationale partners om samenwerkingsverbanden voor de toekomst op te bouwen. 

Samen met Clingendael International Programme (CIEP) heeft CE in opdracht van het Interdepartementale Programma Energietransities (IPE) een verkennend onderzoek uitgevoerd naar mogelijke Europese partners voor een Energietransitie aanpak op strategisch politiek en internationaal niveau. In de begeleidingscommissie van dit project zaten dhr. F. Vollenbroek (IPE), dhr. F. Dietz (IPE), dhr. F. Berkhout (VU Amsterdam) en dhr. E. Breunesse (Shell). 

De aanpak van het project bestond uit het opstellen van selectie criteria om daarmee een quick-scan uit te voeren voor de 25 EU landen op het gebied van energie innovatie. Dit leidde tot een selectie van 6 landen waar met een SWOT een verdiepende analyse per land is gemaakt. De geselecteerde landen (Denemarken, Duitsland, Polen, Spanje, Zweden en Engeland) werden vervolgens uitgenodigd voor een workshop om gezamenlijke acties en/of coalities op te starten. De SWOT analyse vormde daarvoor de basis als achtergrond document van de workshop dat op 24 november 2006 is gehouden in Den Haag. 

]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Dossier Energiebesparing*]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/dossier_energiebesparing%2A/483</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/dossier_energiebesparing%2A/483</guid>
			<description><![CDATA[Het dossier energiebesparing geeft een overzicht van energiebesparing in Nederland. Het beschrijft wat energiebesparing is en hoe deze bevorderd kan worden. Het dossier wordt uitgegeven door Sdu en maakt onderdeel uit van de serie dossiers van het blad Stromen.
Het dossier laat zien dat er nog steeds veel energiebesparing mogelijk is en dat er goede redenen zijn om hieraan te werken. Het laat ook zien hoe de Nederlandse overheid en de Europese Commissie op de energiebesparingmogelijkheden inspelen met hun beleid. 
De vraag hoe verdergaande energiebesparing bereikt kan worden komt op diverse plaatsen aan de orde. Een belangrijk deel is gewijd aan de concrete mogelijkheden tot energiebesparing, met name in de gebouwde omgeving, op bedrijventerreinen en in de sector verkeer en vervoer. Apart is aangegeven wat lokale overheden kunnen doen. De mogelijkheden worden ge&iuml;llustreerd met enkele voorbeeldprojecten.

Een begrip rond energiebesparing dat in dit dossier voor &eacute;&eacute;n van de eerste keren wat dieper wordt uitgewerkt is dat van de ‘weerstandskosten’. Veel energiebesparende maatregelen roepen namelijk weerstand op, die de realisatie van het besparingspotentieel belemmeren. Het dossier omvat een aantal suggesties hoe met deze weerstand kan worden omgegaan.
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[De Longlite QL3 doorgelicht]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/de_longlite_ql3_doorgelicht/482</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/de_longlite_ql3_doorgelicht/482</guid>
			<description><![CDATA[Oxxio wil in samenwerking met Longlite een accessoire op de markt brengen dat bevestigd kan worden aan een gloeilamp. Met het accessoire zou het energiegebruik van de gloeilamp verlaagd worden zonder dat lichtopbrengst verloren gaat en de levensduur van de lamp aanzienlijk worden verlengd.
Aangezien gloeilampen nog steeds fors marktaandeel hebben en gebruikers voor bepaalde toepassingen bewust kiezen voor dit type van verlichting zouden dit belangwekkende voordelen zijn.

CE heeft, deels in samenwerking met het Lichtlaboratorium van de Technische Universiteit Eindhoven de claims getoetst en het milieueffect bepaald dat hieraan is gekoppeld. 
De belangrijkste conclusie die kan worden getrokken is dat het accessoire (de zgn. QL3) inderdaad een lager energiegebruik bewerkstelligt; gemiddeld 12,2%. De lichtsterkte neemt echter ook af en wel in die mate dat ook het totale lichtrendement, uitgedrukt in lumen per watt, daalt.
De eigenschap van de QL3 om de levensduur van een gloeilamp te verlengen is niet proefondervindelijk vastgesteld, maar deze wordt aan de hand van de bestudeerde documentatie wel aannemelijk geacht.

]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energieprestatie gewaardeerd in de OZB]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energieprestatie_gewaardeerd_in_de_ozb/453</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energieprestatie_gewaardeerd_in_de_ozb/453</guid>
			<description><![CDATA[Lokale vergroening van het belastingstelsel is nog een tamelijk onontgonnen terrein. Dat is opvallend omdat het lokale belastinggebied in omvang toeneemt en lokale overheden een grote verantwoordelijkheid dragen in de uitvoering van het milieubeleid. Met name de waardering van onroerende zaken biedt kansen om het streven naar duurzaam (ver)bouwen te ondersteunen. In deze studie in opdracht van SenterNovem staat de vraag centraal of de OZB-korting naar de energieprestatie van de woning juridische haalbaar is. Met andere woorden de vraag of deze binnen de huidige relevante wetsbepalingen (Gemeentewet en wet WOZ) door gemeenten zou kunnen worden ingevoerd.]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Structurele energiebesparing in de gebouwde omgeving]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/structurele_energiebesparing_in_de_gebouwde_omgeving/441</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/structurele_energiebesparing_in_de_gebouwde_omgeving/441</guid>
			<description><![CDATA[Omdat er nog substanti&euml;le besparingsmogelijkheden bestaan in de gebouwde omgeving heeft het Ministerie van Economische Zaken in 2005 de haalbaarheid onderzocht van een systeem van Witte certificaten (energiebesparingscertificaten) voor energiebesparing in deze sector. Dit systeem zou een verplichting tot afname van de certificaten leggen bij de energieleveranciers. In opdracht van EnergieNed heeft CE drie alternatieve systemen in kaart gebracht, zodat deze op volwaardige wijze konden worden gelegd naast het systeem van Witte certificaten. 

In het onderzoek zijn de meest relevante segmenten en maatregelen ge&iuml;nventariseerd en criteria vastgesteld voor de vergelijking van de systemen. Vervolgens zijn de systemen elk afzonderlijk doorgerekend en zijn de systemen met elkaar vergeleken, onder meer op hun effect en op hun draagvlak en is een workshop gehouden met stakeholders. 

Uit het onderzoek blijkt dat het realiseren van de beoogde additionele energiebesparing van 65 PJ/jr in 2020 een ambitieus doel is. Zelfs wanneer de besparingsmaatregelen optimaal worden gekoppeld aan natuurlijke momenten van vervanging, renovatie e.d. vereisen deze veelal substanti&euml;le uitgaven. 

Het \'ideale\' systeem bestaat niet. Er moet een politieke keuze worden gemaakt. Daarbij kan gekozen worden tussen systemen met relatief lage kosten maar relatief grote implicaties voor de implementatie en systemen met veel hogere kosten, maar een eenvoudiger implementatietraject. CE stelt ook enkele compromissen voor.   

De rapportage geeft, waar keuzen en/of inschattingen worden gemaakt, de opinie weer van CE. 

]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[EPL nieuwe strategie]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/epl_nieuwe_strategie/447</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/epl_nieuwe_strategie/447</guid>
			<description><![CDATA[In de subsidieregeling BANS-klimaatconvenant van 2003 is opgenomen dat ‘indien de EPC voor woningen tijdens de looptijd van de subsidieregeling wordt aangescherpt, de EPL-norm voor het thema Woningbouw nieuwbouw zonodig eveneens evenredig worden aangescherpt’. Sinds 1 januari 2006 is de EPC inderdaad aangescherpt van 1,0 tot 0,8 en is dus de vraag gerezen of en in welke mate de doelstellingen aangescherpt moeten worden. Dit rapport bestaat uit een onderbouwde aanbeveling voor een nieuwe EPL norm woningbouw in de BANS regeling en uit een serie Frequent Asked Questions over de gevolgen van de EPC-aanscherping op de EPL. 
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Belemmeringen binnen en buiten de muren]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/belemmeringen_binnen_en_buiten_de_muren/440</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/belemmeringen_binnen_en_buiten_de_muren/440</guid>
			<description><![CDATA[Het Platform Nieuw Gas (PNG) streeft effici&euml;ntere en schone toepassingen van fossiele brandstoffen na met als ambitie om in 2020 in de gebouwde omgeving 30% minder primaire energie te gebruiken. Het PNG heeft aan CE gevraagd een overzicht op te stellen van de institutionele knelpunten die de toepassing van energie besparende technieken en duurzame energie opwekking in de weg staan.

Het onderzoek maakt duidelijk waarom de belangrijkste actoren in de gebouwde omgeving niet, of in geringe mate, aan energiebesparing en verduurzaming van de energievoorziening doen. De oorzaak daarvan ligt voornamelijk in begrensde rationaliteit bij de besluitvorming en in concrete belemmeringen en weerstanden. Deze zaken worden in het rapport via een gedragsmodel met elkaar in verband gebracht.

Voor de deelsectoren bedrijfshallen, zorg, woningbouw, kantoren en onderwijs wordt de problematiek gedetailleerd in kaart gebracht. Het rapport eindigt met overzicht van de belangrijkste belemmeringen, met suggesties en aangrijpingspunten om deze aan te pakken.

Een hoofdaanbeveling is om in eerste instantie te focussen op bedrijfshallen, de zorgsector en de (sociale) verhuursector in de woningbouw. In deze sectoren is het aantal belemmeringen beperkt, waardoor verwacht mag worden dat op relatief korte termijn goede resultaten te behalen zijn. Een andere hoofdaanbeveling is te komen tot een nadere bezinning op de aanpak van de belemmeringen in de sectoren kantoren, scholen en het eigen woningbezit in de woningbouw. De belemmeringen in deze sectoren zijn zo breed en substantieel dat niet verwacht kan worden dat deze met beperkte ingrepen en op korte termijn overwonnen kunnen worden.
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Markt & Milieu Gebouwde Omgeving]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/markt_+en+_milieu_gebouwde_omgeving/411</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/markt_+en+_milieu_gebouwde_omgeving/411</guid>
			<description><![CDATA[Als vervolg op het Manifest Markt &amp;amp; Milieu (2003) heeft een brede groep bedrijven, maatschappelijke organisaties en enkele overheden(1)gezocht naar mogelijkheden om een halvering van de milieu-emissies in de gebouwde omgeving en de glastuinbouw te realiseren. Hiervoor is een actieplan opgesteld dat onlangs is gepresenteerd door CE. De opgave was fors en niet gericht op technische maatregelen, maar op inspanningen van overheid en bedrijfsleven om de technische mogelijkheden die er zijn te benutten. Overheden en bedrijfsleven zijn op dit moment vooral gericht op het stimuleren van innovaties (het ontwikkelen van nieuwe technieken). De noodzakelijke volgende stap, opschaling en daadwerkelijke introductie op de markt, komt te weinig van de grond, omdat de innovaties moeizaam gedijen binnen de huidige marktcontext. Het blijkt steeds weer dat voor de meeste innovaties geen markt aanwezig is zodat de duurzaamheid onvoldoende vordert. Op dit moment kunnen duurzame opties slechts kleine plekken veroveren op de markt (niches), omdat de investeringen buiten de niches te hoog en de financi&amp;euml;le rendementen te laag zijn. Ook voor duurzame opties geldt dat er geld mee verdient moet kunnen worden, en daar is aanpassing van de marktcontext voor nodig.  Na een jaar discussies bleek het niet mogelijk om een eensluidend pleidooi te formuleren zodat CE onder zijn verantwoordelijkheid het actieplan heeft opgesteld. De tijd is blijkbaar nog niet rijp om met een dergelijk breed platform een gezamenlijke visie neer te leggen. Toch is iedereen tevreden over de discussies die zijn gevoerd omdat die hebben duidelijk gemaakt dat een forse milieu-ambitie ingrijpende maatregelen vergt, die echter voor velen nu nog niet aan de orde zijn. Op basis van de discussies en het actieplan gaat CE verder met het onderzoeken van de effecten van ingrijpende maatregelen in de gebouwde omgeving. Het actieplan kent 4 hoofdpunten:

    cre&amp;euml;er een overheidsmechanisme dat de hoeveelheid fossiele energie limiteert
    voer daar waar mogelijk normen in voor efficiency van apparaten en gebouwen
    stimuleer innovaties door tijdelijke subsidies e.d.
    neem belemmeringen weg.

(1)Voor het actieplan bestaat het Platform uit Essent, Echte Energie, FNV, Gasunie, GE Jenbacher, LTO-Nederland, Nefit, Nuon, Stichting Natuur &amp;amp; Milieu, projectgroep Duurzaam Bouwen, Rabobank, Wereld Natuur Fonds en de ministeries EZ, LNV, VROM]]></description>
			<pubDate>Thu, 19 Mar 2009 12:54:06 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energiebesparingsgedrag]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energiebesparingsgedrag/472</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energiebesparingsgedrag/472</guid>
			<description><![CDATA[In het onderzoek voor de AER hebben we getracht de vraag te beantwoorden welke rol zachte overheidsinstrumenten (voorlichting, informatie, terugkoppeling, etc.) kunnen spelen bij het realiseren van substanti&euml;le energiebesparing. Ondanks dat er een op papier groot potentieel is worden rendabele maatregelen lang niet allemaal getroffen. Het gedrag hebben we onderzocht voor drie groepen energiegebruikers huishoudens, kleine bedrijven en automobilisten. Voor deze groepen beslaan de energiekosten geen substantieel deel van de kosten van levensonderhoud/omzet.
Er is bij deze groepen veel weerstand tegen het veranderen van het gedrag zodat het leidt tot energiebesparing. Hierbij hebben we diverse soorten gedrag onderscheiden: het gedrag dat de behoeften bepaalt, het investeringsgedrag, het gebruiksgedrag, de beslissing om duurzame energie te gebruiken. De weerstand is het laagst voor investeringen in installaties en schone energiedragers bij milieubewuste en prijsbewuste consumenten. 
Zachte instrumenten kunnen helpen deze beslissingen tijdelijk rationeler te maken, maar kunnen op zichzelf weinig bijdragen aan substanti&euml;le, langdurige,  extra energiebesparing. Ze zijn duur en spreken slechts een kleine doelgroep aan. De kracht van zachte instrumenten ligt bij het legitimeren en versterken van het effect van harde instrumenten die wel substanti&euml;le energiebesparing kunnen bewerkstelligen. 
CE heeft, in samenwerking met CEA, de AER geadviseerd om voor het bereiken van substanti&euml;le energiebesparing harde instrumenten in te zetten en deze gepaard te laten gaan van zachte instrumenten omdat hiermee een groter effect kan worden bereikt.]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Het Energie Agri Cluster voor het Transitie Alternatief]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/het_energie_agri_cluster_voor_het_transitie_alternatief/390</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/het_energie_agri_cluster_voor_het_transitie_alternatief/390</guid>
			<description><![CDATA[Het Energie Agricluster voor het Transitie Alternatief voor de Zuiderzeelijn is door CE in een aantal weken ontwikkeld als robuust alternatief voor de Zuiderzeelijn. Dit plan is bedoeld als samenhangend cluster dat tegelijkertijd de economische structuur van Noord-Nederland verbetert en daarnaast ook een impuls geeft aan de verduurzaming van de energievoorziening. Het cluster sluit nauw aan bij de nationale Energietransitie, het bestaande Energy Valley en de unieke eigenschappen van Noord-Nederland. Het gaat daarbij vooral om uitgebreide mogelijkheden voor CO2-opslag in ondergrond, de mogelijkheden van de Eemshaven, het bestaande Agricluster en bestaande kennisinfrastructuur. Het plan is additioneel op bestaande plannen en richt zich ook met name op het verminderen van de gevoeligheid voor de aardgasprijs van de Noordelijke economie. 
Het plan bevat een biomassa/kolenvergasser met CO2-opslag, een CO2-distributienet, een tweede generatie ethanolfabriek, een bioraffinage-unit, een Blue energy centrale (energie uit zoet zout overgang) een virtuele micro WKK centrale en een kennisnetwerk. Met eenmalig 550 miljoen overheidsbijdrage en 2 miljard particuliere investering realiseert het plan 5 a 11 Mton CO2-emissiebeperking per jaar en langjarig 2000 of meer arbeidsplaatsen. Economisch bureau Ecorys heeft het Energie Agri cluster positief beoordeeld. Ook expertpanel voor het transitie alternatief en de strategische milieubeoordeling waren positief over dit innovatieve energie en agricluster voor Noord-Nederland.
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
		        
		<item>
			<title><![CDATA[Energiebesparingsmogelijkheden in de ICT-sector]]></title>
			<link>http://www.ce.nl/publicatie/energiebesparingsmogelijkheden_in_de_ict-sector/332</link>
			<guid>http://www.ce.nl/publicatie/energiebesparingsmogelijkheden_in_de_ict-sector/332</guid>
			<description><![CDATA[In opdracht van de Milieufederaties van Drenthe Groningen en Friesland heeft CE een verkenning gedaan naar het energiegebruik van de ICT sector en nog belangrijker: naar de mogelijkheden om op dit energiegebruik te besparen. Tevens is gezocht naar enkele voorbeeldprojecten op het gebied van ICT en energiebesparing. Dit om communicatie en voorlichting rond energiebesparing kracht bij te kunnen zetten. 

Vanwege het hoge energiegebruik van datahotels en telecom switches is het voor deze bedrijven erg aantrekkelijk om energiebesparende maatregelen te treffen. Verder zouden ICT adviesbureaus een rol kunnen spelen in de overdracht van informatie over energiebesparende maatregelen aan andere kantoren. Hun besparingsadvies kan leiden tot significante kostenbesparingen, zoals bijvoorbeeld bij Server Based Computing (hoewel dit afhankelijk is van gekozen configuratie), het instellen van power management of vervanging van (afgeschreven) ICT apparatuur door effici&euml;ntere varianten. Ge&iuml;nterviewden geven aan dat bij advies en aankoop van effici&euml;nte apparatuur behoefte bestaat aan Europese energielabels voor ICT en kantoorapparatuur, zoals die thans bestaan voor meerdere huishoudelijke apparaten. 
]]></description>
			<pubDate>Tue, 17 Mar 2009 10:17:35 +0100</pubDate>
			<category>Algemeen</category>
		</item>
		
			</channel>
</rss>

