Weging van emissiereducties; Is explicitering en uniformering zinvol voor de rijksoverheid?

Bij de uitvoering van het (Nederlandse) milieubeleid moeten beslissers regelmatig kiezen uit verschillende maatregelen. Het komt zelden voor dat een milieumaatregel effect heeft op één soort emissies. Vervanging van diesel door benzine bij personenauto’s, bijvoorbeeld, leidt tot hogere CO2-emissies maar tot lagere emissies van SO2 en roetdeeltjes. Vervanging van benzine door diesel heeft het omgekeerde effect. Welke substitutie is beter? Die vraag is pas te beantwoorden wanneer emissiereducties van CO2, SO2 en roetdeeltjes tegen elkaar kunnen worden afgewogen. In dit project is onderzocht of het wenselijk is om ten behoeve van de instrumentatie en uitvoering van het nationale milieubeleid te komen tot expliciete weging van emissiereducties. Ten tweede is onderzocht of het daarbovenop wenselijk is te komen tot één uniforme set weegfactoren voor het rijksoverheidsbeleid. De nadruk lag daarbij op de vraag hoe beleidsmakers in de praktijk omgaan en eventueel worstelen met het afwegen van ongelijksoortige emissiereducties. Uit het onderzoek blijkt dat weging momenteel meestal impliciet plaatsvindt. De factoren die de keuze voor beleidsinstrumenten en maatregelen bepalen zijn 'toevallig'. Bij beleidsmakers bestaat echter een sterke behoefte aan explicitering van de wegingstap, met name ten behoeve van de transparantie van het beleidsproces. De huidige gegevens zijn nog onvoldoende voor uitsluitsel over de wenselijkheid van één expliciete set weegfactoren voor het rijksbeleid, dat wil zeggen uniformering.

Rapport

Delft, september 2002